terug  begin  verderprepost

Slotbeschouwingen

De etymologie van de familienamen is misschien nog meer dan de etymologie in 't algemeen een onderwerp, waarop volslagen onbevoegden de lusten van hun fantasie plegen bot te vieren. De meest voor de hand liggende en dan ook meest begane fout, die daarbij wordt gemaakt, is dat men uitgaat van de hedendaagse vorm van de naam, en zich niet afvraagt of deze zich niet wellicht in de loop van de eeuwen heeft gewijzigd. Wat uiteraard dikwijls het geval is, vooral wanneer het oude namen betreft. Vele familienamen zijn tot onherkenbaarwordens toe verbasterd, vooral in een tijd waarin men de oorspronkelijke betekenis van de naam niet meer begreep, en de volksetymologie zich meester kon maken van de vorm. Zo is de naam Gewin onverklaarbaar, wanneer men niet weet dat de oorspronkelijke vorm Geba-wini luidde, wat betekent: vriend van gaven. Deze naam is een patronymicum in de onverbogen vorm, en

[p. 55]

heeft niets uit te staan met het Nederlandse gelijkluidende zelfstandig naamwoord. Men zal aan de naam Zeldenrijk een geheel onjuiste betekenis toekennen, wanneer men niet let op de oorspronkelijke vorm, die Saeldenrich luidde, wat rijk aan zaligheden betekent. De naam van het Goese regeringsgeslacht Oyee is op het eerste gezicht onverklaarbaar, maar wordt terstond begrijpelijk wanneer we lezen dat de stamvader Cornelis Pieter Jobsen (1579-1633) zich (klaarblijkelijk naar zijn huis) Cornelis Pieter (in den) Oeyervaer noemde, terwijl zijn zoons bij hun huwelijk Oyevaer, maar nadien uitsluitend Oeye en Oyee heten. Men heeft de naam Oeyervaer dus te lang gevonden, en deze op vrij zinloze wijze afgekort1). Boekenoogen maakt melding van een Pieter Jansz Timmerman uit Wormerveer (1628), die ook wel Timmer heet, en van een Jan Ariansz Matselaer uit Westzaan (17e eeuw), die zich met zijn nakomelingen Mats noemde2). De stamvader van de Amsterdamse familie Lons (geb. ± 1500) was schipper op Londen en stond in de wandeling dan ook bekend onder de naam Jan Allertsz Lonsvaerder. Omdat men deze naam klaarblijkelijk wat lang vond, werd hij afgekort tot Lons, zoals zijn kinderen en hun afstammelingen zich verder bleven noemen. Van de zoons van de Amsterdammer Davidt Rudtgheerts noemde de een zich David Rutgers (hij is de stamvader van een bekend Doopsgezind koopmansgeslacht), de ander echter Nicolaes Ruts, die de stichter werd van het voorname handelshuis Ruts. Op de naamsverandering van Jacob Simon Ryckertszoonsz in Jacob Simonz (de) Rijck wezen we al eerder (blz. 46). De familie Voorhoeve heette oudtijds Verhoeven, en nog eerder van der Hoeven. Een Frans klinkende naam als Crommelin

[p. 56]

wordt aanstonds duidelijk, als men weet dat de oorspronkelijke vorm Crommelingk luidde (15e eeuw). Het adellijke geslacht van Braam heet oorspronkelijk Braem, en ontleent zijn naam dus niet aan een plaats, maar aan een in de middeleeuwen vrij verbreide mansvoornaam. Op soortgelijke wijze zullen vele familienamen zijn verkort of verminkt.

Andere zijn op het eerste gezicht eveneens onverklaarbaar, omdat ze herinneren aan beroepen, ambten, begrippen, voorwerpen enz., die thans zijn verdwenen of met een ander woord aangeduid worden. Zo de namen Brinkgreve (ambtenaar, belast met het toezicht op een brink), Vethake (koopman in vet), Homan (hoofdman), Varkevisser (iemand, die bruinvissen vangt), Botschuyver (iemand die met een botslee bot vangt), de Geyter (geitenhoeder), Schietekatte (naam van een belegeringswerktuig), Patijn en Pattijn (houten schoen), Holster (pistoolkoker of knapzak). De Zeeuwse familienaam Haaiman herinnert aan de haymannen op Walcheren en Schouwen, landerijen die vrij waren van dijklasten, en die op Goeree haymeten werden genoemd. Op dit eiland treft men dan ook de familienaam Hameet(e)man aan, die men dus niet behoeft te verklaren als Ham eet de man, zoals Winkler (met een vraagteken) deed.

Met de beide laatsgenoemde zijn we al tot die groep van namen gekomen, die wat hun vorm betreft kenmerkend zijn voor de een of andere streek van ons land. De betekenis van deze is in vele gevallen niet duidelijk, wanneer men niet op de hoogte is van de streektaal. Op blz. 42 werden al enkele van deze namen genoemd. We voegen er nog bij: Brummel en Brummelkamp, beide ontleend aan het fries-saksische brummel, dat braam betekent, Molkenboer, dat in saksische dialecten ongeveer identiek is met melkboer, Naber en Nienaber, die in dezelfde dialecten buurman en nieuwe buurman betekenen. Namen die door de voorzetsels te, ter, ten voorafgegaan worden, zijn

[p. 57]

terstond in Oost-Nederland te classificeren, namen op -aard, -aert wijzen naar Vlaanderen, namen op -a naar Friesland, op -ker en -tjer naar Groningen.

Van niet te onderschatten betekenis voor het onderzoek naar de geografische verbreiding van onze familienamen is de arbeid, die sinds ongeveer twintig jaar verricht wordt door het Bureau voor Historische Demografie te 's-Gravenhage. Dit bureau, ontstaan als uitvloeisel van de ficheringsarbeid, gedurende de jaren 1920-1924 van Rijkswege, op initiatief van wijlen den heer C.H. van Fenema te Oosterbeek, verricht door Ds. F.S. Knipscheer te Zaltbommel met medewerking van Dr. L.W.A.M. Lasonder, archivaris der Ned. Hervormde Kerk, stond aanvankelijk onder leiding van Ds. Knipscheer, daarna van den heer C.A. van Fenema te 's-Gravenhage en na diens overlijden van zijn zoon Mr. H.M. van Fenema. Het is thans sinds kort samengesmolten met het nieuwopgerichte Rijksbureau voor Genealogie te 's-Gravenhage (Korte Vijverberg 7) en blijft zich ook in deze vorm bezighouden met het ficheren en indiceren van alle persoonsnamen in de doop-, trouw- en begraafboeken van vóór de invoering van de Burgerlijke Stand hier te lande. Wanneer deze arbeid eenmaal voltooid is, bezit Nederland daarin een bronnenmateriaal dat voor het onderzoek van de familienamen in 't algemeen en dat van de voornamen onschatbare diensten zal bewijzen.

1)H.W. van Tricht. De afstamming van het Goesche regeeringsgeslacht Oyee. (De Nederlandsche Leeuw, XLI (1923), kol. 232-234).
2)G.J. Boekenoogen, De Zaansche volkstaal, blz. CXIV.
prepostterug  begin  verder