terug  begin  verderprepost

De geografische verbreiding der familienamen

Alhoewel het overgrote merendeel der familienamen in alle Noord- en Zuidnederlandse gewesten bekend en verbreid is, en op zijn hoogst in verschillende streken

[p. 49]

in de spelling afwijkingen vertoont, ligt het voor de hand dat daarnaast een aantal namen kenmerkend zijn voor bepaalde delen van ons land. De Friezen hebben op een andere wijze hun familienamen gevormd dan de Saksen, en deze weer anders dan de Franken, maar ook binnen het verband althans van de laatste beide stammen treft men enkele kenmerkende onderscheiden aan in de naamvorming.

Kenmerkend voor het Fries zijn de familienamen op -a, -inga, -ma, -sma, -stra enz. Men vindt deze buiten de provincie Friesland ook in Groningen en Oostfriesland en aan Friesland grenzende streken van Drente, die vroeger door Friezen bewoond zijn geweest. Verder de met s, sz, n en ns gevormde patronymica, die van Friese mansvoornamen zijn afgeleid, als Doedes, Douwes, Meinesz, Sickesz, Boelen, Rinken, Huigens, Tiddens.

Typische Groningse namen zijn de Friese geslachtsnamen op -sema als Geertsema, Hoeksema, op -ker, als Hofker, Kooyker, Rasker, en op -tjer, als Watjer, Woltjer, Tuintjer, Duintjer (wad-, woud-, tuin-, duinbewoner). De beide laatste uitgangen duiden oorspronkelijk de afkomst aan uit de een of andere plaats of landstreek (vgl. nog Veenker = veenbewoner) of wel een beroep (vgl. Meelker = meelkoopman). Ook behoren hiertoe vele namen op -huis, als Berghuis, Veldhuis, Beekhuis, Bolhuis enz.

Voor Drente zijn naast de Friese en Groningse familienamen kenmerkend de patronymica op -(i)nge, als Ebbinge, Meursinge, Sinninge, Smeenge, Steenge enz.

Namen met de voorvoegsels ten, ter en te, als ten Brink, ten Kate, ten Bruggencate, ten Sijthoff, ter Braak, ter Haar, ter Kuile, ter Weeme, te Lintum, te Wechel, te Hennepe, zijn kenmerkend voor Overijsel, evenals Saksische vadersnamen op -ink, als Immink, Roelvink, Hissink. Voor Saksische streken in 't algemeen zijn tweelettergrepige namen op -e kenmerkend, b.v. Rogge, Rijke, Vinke, Witte.

[p. 50]

In Noordholland benoorden het IJ vindt men vele éénlettergrepige en bovendien nog korte (dikwijls maar uit drie letters bestaande) familienamen, als Baas, Bak, Bal, Bas, Been, Bos, Bijl, Dam, Dek, Endt, Floor, Hein, Hes, Hof, Hol, Hop, Jut, Kat, Laan, Oud, Pont, Yff. In vele gevallen zijn dit versleten vormen van oudfriese mansvoornamen. Ook in de Alblasserwaard en de Vijfherenlanden treft men soortgelijke korte namen aan, b.v. Lels, Mak, Pot, Mes, Stout. Hieruit een gevolgtrekking te maken (van gemeenschappelijke herkomst of overeenstemming van volkskarakter?) is misschien wat voorbarig.

Patronymica op -se zijn voor Zeeland kenmerkend, b.v. Aarnoudse, Adriaanse, Davidse, Gideonse, Hubregtse, Jobse, Karelse, Leendertse, Matthijsse. Daaronder zijn er verscheidene, die van elders ongebruikelijke mansnamen zijn afgeleid, als Alewijnse, Boudewijnse, Faasse (van Faas, Bonifacius), Lievense, Kruysse, Giljamse, Willeboordse.

Tengevolge van de immigratie der Vlamingen en Brabanders, vooral in de tweede helft der zestiende eeuw, vindt men hier bovendien vele geslachtsnamen, die in vorm en spelling Vlaams aandoen; b.v. D'Hondt of Dhont, Bruynooghe, Snouck, van Waesberghe, van Renterghem, Schuurbecque, Verhaegen.

Voor Brabant en Limburg zijn de geslachtsnamen op -mans kenmerkend, als Botermans, Bormans, Heuvelmans, Mosmans, Schuermans1). Specifiek Brabants zijn verder de namen met een tweede-naamvals-s achter de eigenlijke naam, als Cuypers, Cremers, Nolens, Raaymakers, Smits, of wel er vóór en er achter, als Sweerts (des waards), Smulders (des mulders), Swildens (des wilden mans), Spapens2).

[p. 51]

Namen waarin ng staat voor een nd, als Ingenhoes, Ingenhoven, Aengenent, wijzen op een Limburgse herkomst.

Dat de Zuidnederlandse geslachtsnamen in 't algemeen een meer conservatieve spelling vertonen dan de Noordnederlandse, vindt zijn verklaring hierin dat ze enkele eeuwen ouder zijn, en dientengevolge de middeleeuwse schrijfwijze hebben behouden. Gent en Brugge, Antwerpen en Mechelen, Brussel en Leuven waren al steden van grote en internationale betekenis in een tijd, toen de Noordnederlandse steden in het handelsverkeer nauwelijks meetelden.

Namen als de Meulenaere, de Corte, de Meyere, en dergelijke met archaïstische spelling, zal men in de Zuidelijke Nederlanden dus lichter aantreffen dan in het Noorden. Worden ze ook daar gevonden, dan is er alle kans dat ze uit het Zuiden zijn ingevoerd (zie de hierboven bij de Zeeuwse namen genoemde voorbeelden).

Kenmerkend voor de Vlaamse gewesten zijn tenslotte de geslachtsnamen op -aert, die in Noordnederland hoogst zeldzaam zijn, b.v. Blancquaert, Blommaert, Boddaert, Lombaert, Meyvaert, Pickaert, Plasschaert. Wanneer deze elders voorkomen (b.v. weer in Zeeland), dan ligt ook hier de veronderstelling voor de hand dat de aldus genoemde families van Vlaamse herkomst zijn.

De geografische verbreiding der familienamen is een van de belangrijkste, maar tegelijk een van de moeilijkste en ook wel daarom het minst onderzochte gebied van de studie der familienamen. De toepassing van de geografische methode, die in de linguistiek in 't algemeen sinds lang burgerrecht heeft gekregen, zal ook op dit studieveld een rijke oogst afwerpen. We herinneren aan hetgeen we op blz. 4 al over dit onderwerp te berde brachten. Moeilijk is dit deel van de studie der familienamen daarom, omdat talloze namen in de loop der eeuwen anders geschreven werden

[p. 52]

dan oorspronkelijk het geval was, en dientengevolge de sporen van hun afkomst niet zelden geheel zijn uitgewist. In de slotbeschouwingen noemen we enkele voorbeelden daarvan, die aan Nederlandse familienamen zijn ontleend. Maar vooral de namen van geslachten, die uit het buitenland naar de Nederlanden emigreerden en bij hun komst hier te lande al een naam bezaten, hebben aan veranderingen bloot gestaan. Het aantal families van vreemde herkomst in Nederland is veel groter dan men gemeenlijk denkt, al is het bij gebrek aan gegevens ondoenlijk om dit ook maar ten naaste bij in een percentage uit te drukken. Vele verraden deze afkomst dadelijk door hun naam; zo is het op het eerste gezicht duidelijk dat de families Callenfels, Gleichman, Hugenholtz, Kirchner, Krafft, Rahder, de Ranitz, Reitz, Römer, Rueb, Uhlenbeck uit Duitsland, althans uit een Duitssprekend land, de families Douglas, Gordon, Macalester (Loup), Mackay en Thomson uit Engeland en Schotland, Obreen uit Ierland, Bienfait, Boissevain, Chabot, Chevallier, Croiset, Del Court, Guépin, Guyot, de Monchy, Nepveu, Rambonnet, Voûte en Willet uit Frankrijk afkomstig zijn. Minder gemakkelijk is dat te zien bij de namen van de families Hudig, Insinger, Muller (meer dan één familie van deze naam), Reddingius, Repelius, Sillem, Stols, Wilkens en Winckler (alle uit Duitsland), Eysten (uit Noorwegen), Couperus (oorspr. Couper) uit Schotland, 's Jacob en van Walré (beide uit Frankrijk). En ingeval de naam gelijkluidend was of is gemaakt met een Nederlandse naam, als b.v. bij de namen Boelen (Bulen), Engelberts, Gewin, van Hasselt (von Haszelt), Hesselink, Kip (Kipp), Kneppelhout (Cluppelholt), Koenen (Könen), Kruimel (Cromel), Mees (Meess), Scholten, Veeren (alle uit Duitsland), Kam (Cham), Vrijdag (Freitag) (beide uit Zwitserland), Scharp (Sharp) (uit Schotland) is de afkomst geheel en al verduisterd.

Naast de Duitsers hebben vooral ook de Fransen een groot aandeel gehad in onze bevolking. Tijdens

[p. 53]

de godsdienstige twisten van de zestiende eeuw en later bij de opheffing van het edict van Nantes, in 1685, zijn tienduizenden Fransen naar de Noordelijke Nederlanden uitgeweken, in de zestiende eeuw vooral naar Holland en Zeeland, in 1685 vooral naar Zeeuws-Vlaanderen en naar steden als Leiden en Haarlem, waar de veelal uit La Rochelle en omgeving afkomstige Protestantse lakenwevers door de lakennering werden aangetrokken. Van de oudere emigranten stammen o.a. de Zeeuwse boerenfamilies Baljé (bailli = baljuw), Buteyn (butin = oogst, rijkdom), Caljouw (caillou = kei), Cevaal (cheval = paard), Labruyère (bruyère = heide), Oreel (oreille = oor), Passenier en Pattenier (patineur? = schaatsenrijder) af, van de in 1685 ingekomen Fransen de Zeeuwsvlaamse families le Bleu, Bourdrez, Brevet, Calon, Cappon, le Cointre, Dusarduijn (du Jardin = van den Tuin), Frelier, Hennequin, Lucieer (l'huissier? = de deurwaarder), Luteijn (lutin = kabouter, guit), de Luyster, Midavaine (avoine = haver), Pattist (pâtis = weide). In Leiden treft men namen aan als Goedeljee (godaillier = drinker), Batteljee (batelier = schipper), Bleuzé, Brussé en Brussee, Chaudron (chaudron = ketel), Dersjant (d'argent?) Labree, Lacourt, Ladage, Ladan, Lafeber, Parmentier, du Pré, le Poole, de Ru, Sjardijn, Tobé, in Haarlem Boeré en Boeree, Busé, Cassée, Coté, Daudeij, Misset, Pollé, Serné enz. Vele van deze zijn tot onherkenbaar wordens verbasterd, en het blijft onmogelijk hun betekenis te vinden zolang men hun oorspronkelijke vorm niet kent. De naam van de familie Labrijn is ten enenmale onverklaarbaar wanneer men niet weet dat dit geslacht van de Normandische eilanden afkomstig is en oorspronkelijk le Brit heette, welke naam achtereenvolgens verbasterd werd tot Leberin, La Brijn en Labrijn.

Dikwijls is de familienaam letterlijk in het Nederlands overgezet, vooral bij Franse namen. Uit de ‘Collection des fiches de l'Eglise wallonne de Leide’ zijn de volgende voorbeelden aangehaald: de Groot (in 1690

[p. 54]

werd een kind van Pierre le Lièvre en Elisabeth le Grand gedoopt; in 1702 een ander kind, maar dan heten de ouders Pieter Liever en Lijsbeth de Groot), van Heyde (de Bruyère), Clayn (in 1640 trouwt een Petit, die zich in 1650 in de begrafenisakte van zijn vrouw Clayn noemt), de Coninck (le Roy), de Moor (le Noir), Paard (Cheval), Ridder (in 1710 trouwt iemand onder de naam Ridder, maar de uit dit huwelijk geboren kinderen worden als Chevalier gedoopt), de Rijk (le Riche), Schrijvers (Scribe), Stout (Hardy), Verkinderen (Lenfant), van der Wijnperse (Lestordeur), Willems (Guillaume) enz. Een naam als Langepee (Longuespee) berust op een gedeeltelijke vertaling van het oorspronkelijke, terwijl Lastdrager op de klank af vertaald is uit Portelanse (porte-lance = speerdrager)1).

1)Tussen 1577 en 1603 komen in Breda en Bergen op Zoom al namen voor als Havermans, Moermans, Piermans, Schuyrmans, Timmermans, Vredemans.
2)Vgl. Johan Winkler, Helmondsche namen uit de Middeleeuwen (Studiën in Nederlandsche namenkunde (Haarlem, 1900)), blz. 193-195.
1)J.J. Salverda de Grave, De Franse woorden in het Nederlands (Amsterdam, 1906), blz. 31-32.
prepostterug  begin  verder