terug  begin  verderprepost
[p. 30]

II. Geografische namen, huisnamen en namen, ontleend aan uithangborden en gevelstenen

De tweede groep der familienamen is op zijn minst zo talrijk als de eerste. Het ligt voor de hand dat iemand, die uit den vreemde zich metterwoon ergens vestigde, in zijn nieuwe woonplaats werd aangeduid naar zijn plaats van herkomst. Zo ontstonden al vroeg namen als Hendrik van Veldeke, Jacob van Maerlant, Jan van Boendale en Paulus van Middelburg. Toen Thomas Hamerken zijn geboortedorp Kempen verliet, heette hij in het vervolg Thomas van Kempen. Op deze wijze ontstonden talloos vele familienamen, die men naar de wijze van hun samenstelling in drie groepen kan onderverdelen.

De meest gebruikelijke vorm is die van de plaatsof streeknaam, voorafgegaan door het voorzetsel van: van Ginneken, van Dantzig, van Leersum, van Heusden, van Rossum, van Suchtelen, van Keulen, van Damme, van Gent, van Lier, van Stockum, van Deventer, van Vriesland, van Zeeland, van Wieringen.

Bij een aantal van deze geslachtsnamen is het voorzetsel echter weggevallen; zo ontstonden namen als Hoogeveen, Vollenhove, Wydenes, Bakhuizen, Bobeldijk, Beets, Gonggrijp (Goingarijp), Goudriaan, Pynacker, Enthoven, Oosterwijk, Steenbergen, Loenen, Oostendorp, Dokkum, Hinlopen, Holland, Maaskant, Stellingwerf, Vlaanderen. Ook bij aan Duitse plaatsen ontleende namen is dit dikwijls het geval: Boerlage, Bijleveld, Cleve, Dresden, Dornseiffen, Geelkerken, Gilhuys, Holtrop, Kranenburg, Merkelbach, Spandaw, Speyer, Tinholt, Wassenbergh, Weener, enz.

Aanmerkelijk minder talrijk dan de beide bovengenoemde groepen zijn die geslachtsnamen, waarbij van de plaats-, streek- of landnaam een soortnaam is gevormd, al of niet door het lidwoord van bepaaldheid voorafgegaan, als: de Swaef, Hes, Beyerman, den

[p. 31]

Engelsman, Noorman, Deen, den Dene, Jut, Piccaert, Pikaar (Picardye), de Waal, Spanjaard, Italianer, Italiaander, Wallach, Walch, Oosterling, de Vries (in Vlaanderen: de Vreeze), Gelderman, Voorneman, (den) Hollander, de Zeeuw, (de) Vlaming, (den) Brabander, Twent, de Kempenaer, Vlielander, Bevelander. Van Nederlandse steden en dorpen zijn afgeleid: Berkouwer (Berkwoude), Winkler, Suringar (Surich), Lekkerkerker, Grolman (Groenloo), Hagenaar, Opzoomer (Bergen op Zoom), Yperman, enz.; van buitenlandse: Hamburger, Luykenaar, Reeser, Altorffer, Binger, Kirberger, Oppenheimer, Wormser, enz.

Natuurlijk kunnen deze namen ook van uithangborden of huisnamen zijn ontleend, wat bij Turk en de Moor stellig het geval zal zijn.

In het Fries zijn door middel van de uitgangen -a en -stra van een aantal plaatsnamen familienamen afgeleid, als: Gaastra, Groustra, Jouwstra (Joure), Kielstra, Kylstra (de Kiel), Troelstra (ter Oele), Wierstra; Baarda, Ferwerda, Holwerda, Jelluma, Miedema, Rauwerda, Salverda (Salwert), Sieswerda, enz. Ook Smilda (van het Drentse dorp Smilde) behoort tot deze groep.

Ook het aantal van plaatsnamen afgeleide familienamen is aanmerkelijk groter dan men op het eerste gezicht zou vermoeden, in de eerste plaats omdat vele oude geografische namen met de plaats zelf, die ze benoemden, van de aardbodem zijn verdwenen, en in de tweede plaats omdat menig geslacht zijn naam heeft ontleend aan nagenoeg onbekende dorpen of gehuchten. Zo bewaart de familie Hildernisse in haar naam de herinnering aan een sinds eeuwen verdronken en vergeten dorp aan de westkust van Noordbrabant, de familie Munnikreede die aan een stadje tussen Brugge en Sluis gelegen, dat eveneens door de zee is verzwolgen, de familie Remmerswaal die aan de in de zeventiende eeuw verdronken stad op Zuidbeveland. Ook leven oude, sindsdien in onbruik geraakte plaatsnamen in geslachtsnamen voort, als: Rodenburg (de

[p. 32]

oude naam van Aardenburg), Diepenhorst (die van Ouddorp) en Tetterode (die van Overveen). Soms ook zijn de plaatsnamen tot onherkenbaar wordens verbasterd, of wel bewaren ze de ter plaatse gebruikelijke uitspraak; dit is b.v. het geval met (van) Nierop (Niedorp), van Traa (ter Aa), Stolk (Stolwijk), van Grol en Grolle (Groenloo), van Beusekom, van Deutekom, van Eenennaam (Eename, een dorp in de buurt van Oudenaarden), enz.

Uit anthropologisch oogpunt is vooral deze groep belangrijk voor de kennis van de herkomst en de geografische verspreiding van onze bevolking. Zo leren ons deze geografische familienamen, dat van ouds vele Duitsers zich in ons land hebben gevestigd, in de eerste plaats uit de aangrenzende streken: het Rijnland, Westfalen en Oostfriesland. Talrijk zijn b.v. de families van Aken, van Keulen, van Kleef, van Calcar, van Gelder, van Goch, van Kranenburg, van Lennep, van Meurs, van Rees, van Rijnberk, van Wezel, van Zanten (Santen, Xanten), alle uit plaatsen in het Rijnland herkomstig; verder van Munster, van Bekkum, Bijleveld (Bieleveld), van Koetsveld (Coesfeld), van Loon, van Ossenbruggen (Osnabrück), van Velthuizen (Velthausen), die in hun naam nog getuigenis afleggen van hun Westfaalse afkomst, terwijl de families van Embden, van Geuns en van Goens (Gödens) uit Oostfriese plaatsen naar de Nederlanden zijn verhuisd.

Ook uit de Zuidelijke Nederlanden zijn, vooral in de tweede helft van de zestiende eeuw, duizenden en tienduizenden inwoners naar de noordelijke gewesten uitgeweken, waarvan de nakomelingen nog onder ons leven en werken. Veelvuldig voorkomende familienamen zijn b.v. van Antwerpen, van Beveren, van Damme, van Geel, van Gent, van Lier, van Lokeren, enz.1). Terwijl het Vlaamse contingent in de huidige bevolking van Noordnederland zeer aanzien-

[p. 33]

lijk is, staat het aantal geografische familienamen dat daaraan herinnert echter in geen evenredige verhouding daarmee. Stellig is dat daaruit te verklaren, dat de meeste Vlaamse immigranten al een geslachtsnaam bezaten, toen zij zich in de Noordelijke Nederlanden metterwoon vestigden. Wie door steden als Brugge, Gent en Antwerpen wandelt, ziet dan ook in elke straat familienamen, die hem hetzij uit het heden, hetzij uit het verleden vertrouwd in de oren klinken.

 

In Saksische streken was en is het nog altijd de gewoonte, de familienaam te ontlenen aan de namen van de boerderijen. De eigenaar of de bewoner - helaas dekken deze beide begrippen elkaar lang niet altijd! - van de hoeve Obbink werd dus naar zijn hoeve genoemd. Vestigde zich later een andere boer op dit erf, dan heette deze op zijn beurt Obbink. Vooral in Overijsel en de Gelderse Achterhoek is dit het geval. Vele van deze Saksische boerderijen heten evenwel naar de oorspronkelijke bewoner, zodat vele familienamen, die op deze wijze ontstonden, direct in de tweede, maar indirect in de eerste groep thuishoren. In een lijst van Twentse landhoeven uit het jaar 1188 vinden we als eigennamen van hoeven al genoemd de namen Smedinc, Rotgerinc, Bennekinc, Wescelinc, Elekinc, Ernestinc, Lenderinc, Spelemanninc en Temminc, alle dus naar de stichter of eerste bewoner geheten, waarvan de meeste in Twente nog altijd als geslachts- en ook als boerderijnaam voorkomen1). Enkele voorbeelden van Nederlandse families, die hun naam ontlenen aan een hoeve of een landgoed, zijn: ter Pelkwijk (het hof ‘zu Pellickwick’ bij Winterswijk), Tengbergen (= te Engbergen, een verdwenen landgoed onder Gendringen), Lieftinck (het goed Lieftinck onder Eksel bij Lochem, Hummelinck (het goed Hummelinck onder Zelhem; een andere

[p. 34]

familie Hummelinck ontleent haar naam aan een goed in Lievelde), Lohman (het erf Lohmann in het kerspel Schüttorf in Bentheim), Haan (de Haenhof in de buurt van Xanten) enz. Vele andere hoeven ontleenden hun naam aan de ligging, de gesteldheid van de bodem, enz. Ook deze namen, als Hazelbekke, de Geer, Reurslag, Brinkhuis, Landweer, Pierik (park, perk), Wormgoor, Langelaar, ter Braak, Woesthof, Bijvanck, enz. zijn dikwijls tot geslachtsnamen geworden1).

Ook in niet-Saksische streken noemden families zich wel naar een bezitting; zo de familie Braakenburg naar de Braakenburg bij Arnemuiden, de familie van den Brandeler naar een strook grond, de Brandelaer, aan de Mark bij Breda, de familie van der Crab naar de Crab(be), een streek bewesten Dordrecht, de familie Waller naar het goed Waller bij Nijkerk, de familie van Goudoever naar een boomgaard met huis,, op Goutoever’ in Abstede bij Utrecht, de familie Wttewaall naar 't Wael bij Vreeswijk. In Friesland hebben verscheidene geslachten zich naar een zathe genoemd: het geslacht van Scheltinga (de Blocq van Scheltinga, Coehoorn van Scheltinga, Wielinga van Scheltinga) (waarschijnlijk) naar de Scheltinga-zathe onder Engelum, het geslacht Scheltema naar de Scheltema-state in Boksum, het geslacht Fockema naar de zathe Fockema bij Nijewier.

 

Tot deze groep behoren verder ook de zeer talrijke familienamen, die aan algemene aardrijkskundige namen zijn ontleend, als van Dam, van Dijk, van Hoek, van Oordt, van Veen, van Vliet; van der Baan, van den Berg, van den Bosch, van den Broek, van der Duin, van der Geest, van de Graft, van der Haagen, van der Heiden, van der Hoeven, van der Kamp, van der

[p. 35]

Laan, van der Meer, van de Putte, van der Sluis, van der Velden, van der Ven, van de Voorde, van de Woesteyne, van der Woude, van der Zee, van der Zijl (zijl = sluis), enz., en die begrijpelijkerwijs alle door meer dan een, en soms zelfs door vele families worden gedragen. Dikwijls is bij deze namen van der samengetrokken tot ver: Verburg, Verhagen, Verheyden, Verhoeven, Vermeer, Verschuur, Versluis, Versteeg, Verstraaten, Verwey, enz.

Uiteraard is in de meeste gevallen niet uit te maken, aan welke dam, dijk, hoek, vliet enz. een familie zijn naam heeft ontleend. De bekende Amsterdamse familie Hooft zou zijn naam gekregen hebben van het havenhoofd in Westzaan, waar de stamvader woonde, maar familie-overleveringen van deze aard behoren tot de zeldzaamheden.

Ook behoren tot deze afdeling namen als Bilderdijk, Burgersdijk, Buitendijk, Craandijk, Hofdijk, alle naar een bepaalde dijk genoemd, Beversluis, Achterberg, Overdiep, In 't Veld, Uyttenbroeck, Uyttenbogaerdt, Utenhove, Aengenent (aen den ent), Ingenhousz (in den hous, huis); verder ten Brink, ten Kate (kate = kleine boerenwoning), ten Have, Tenhaeff (have = hof), ter Horst, ter Braak (braak = broek, moeras), ter Haar (haar = hoogte), ter Weeme (weme = pastorie), Thorbecke (to der Beke = bij de beek), enz.

 

Tot de tweede groep der familienamen rekenen we tenslotte ook diegene, die hun oorsprong te danken hebben aan huisnamen of uithangborden en gevelstenen. Enkele voorbeelden van deze naamsontlening, grotendeels aan De vroedschap van Amsterdam van Elias ontleend, laten we hier volgen. De zoons van Elbert Woutersz, die ‘in 't Schaeck’ woonde (begin 16de eeuw), noemden zich Wouter Elbertsz Schaeck en Cornelis Elbertsz Schaeck, die van Olfert Hendricksz († 1549) ‘in de Fuyck’ in de Liesdel noemden zich Fuyck. In dezelfde straat en dezelfde tijd woonde

[p. 36]

Hendrick Gerritsz Pecklap († 1545) ‘in 't Calff’ of ‘in 't Gulden Calff’. Zijn schoonzoon Claes Pietersz Schol, die na zijn huwelijk klaarblijkelijk bij hem introk, noemde zich sindsdien Claes Pietersz Calff. De zoon van Gerbrand Albertsz, zeilmaker ‘int Gulden Schilt’ op de Nieuwedijk († 1571), noemde zich Albert Gerbrandsz Schilt. De Amsterdamse burgemeester (1578) Adriaen Reynertsz Cromhout was koopman ‘in 't Cromhout’ in de Warmoesstraat. Een tijdgenoot van hem, Pieter Jacobsz Nachtglas, was brouwer op de Singel ‘in 't Nachtglas’. Huygh Hendricksz Ploegh woonde ‘in den Ploegh’ op de Dam, de korenkoper Gerrit Jansz Coesvelt (eind 16e eeuw) ‘in het Coesvelt’ op de Oudezijds Voorburgwal, de zeepzieder Antonis Willemsz Bontekoe had in dezelfde tijd zijn zeepziederij ‘in de Bonte Koe’ op de Zeedijk. Evenzo noemde Willem Ysbrantsz Bontekoe, de Oostinjevaarder, zich naar het uithangbord van zijn herberg in Hoorn. Wouter Colf (geb. ± 1550), de stamvader van het geslacht Kolff, woonde te Nijmegen ‘in de Drie Colven’, en Simon Jansz van Roomen, omstreeks 1575 apotheker in ‘Den Draek’ te Middelburg, heette naar zijn huis Simon Draeck. Laurens Jacobszoon, die aan het Damrak te Amsterdam in ‘De Gouden Reael’ woonde, noemde zich Laurens Reael, en leeft onder deze naam in de geschiedenis voort. Evenzo noemde de boekdrukker Dirck Pietersz zich naar zijn uithangteken ‘De Witte Persse’ Dirck Pietersz Pers. Zo kreeg ook de Amsterdamse dichter Gerbrand Adriaensz Bredero zijn naam van het uithangbord van zijn ouderlijke woning ‘In de Heer van Brederode’, en Hendrik Laurensz Spieghel die van zijn huis. Op deze wijze zijn duizenden Nederlandse familienamen, die op het eerste gezicht min of meer wonderlijk lijken, te verklaren, als van der Bijl, van der Leeuw, van der Sterre, van de Wijnpersse, Ploeg en van der Ploeg, Spieghel en van der Spiegel, de Bas, Teirlinck, Bal, enz., en die namen die aan abstracte zaken en eigenschappen ontleend

[p. 37]

schijnen te zijn, als Fortuin, de Liefde, Geluk, Vreede, enz. Aan heraldische figuren, die vooral in de late middeleeuwen als huistekens veel in zwang waren, herinneren geslachtsnamen als Schilt, Ruitenschilt, Beerepoot, van der Vlugt, (de) Kam, Kroon, Helm, Priem, Pijl, Piek, enz.

Vele uithangtekens vertoonden de afbeelding van een dier en deden daardoor familienamen ontstaan als Lam, Mol, Otter, de Leeuw, de Wolf, Wolff, de Kadt, Kater, de Hondt (ook Dhont), de Haas, Kalf(f), Schaep, Ram; Vogel, van den Arend, Adelaar, Valk, den Uyl, de Raaf, Koekoek, Papegaay, Vink, 't Hoen, de Haan, Calkoen, Pauw, van der Paauw, Reiger, Quack (een reigersoort), Swaan, Swaen, Teelinck (taling), Rotgans, Malefijt (stormzwaluw); de Vis, Steur, van der Steur, Bot, Smelt, Spierinck, Bliek, Pos, Baars, Snoek, Snouck, Pekelharing; de Bie, de Bye, enz. Een aantal van deze ogenschijnlijk aan diernamen ontleende familienamen kunnen echter ook aan mansvoornamen zijn ontleend; vooral wanneer ze het lidwoord missen (b.v. Arend, Kat, Beer, Wolf, Pauw, Vink) moet men met deze mogelijkheid ernstig rekening houden.

Andere huisnamen of uithangtekens droegen de naam of de afbeelding van een boom, een plant, een bloem of een vrucht. Hieraan herinneren namen als Lindeboom, Noteboom, Vijgenboom, Louwerier, Tazelaar (d'hazelaar), Bosboom (buksboom), Groeneboom, Hoogeboom, Meyboom, Eekhout (eikenhout), Eekhoff, van Eyk, Vereecken, van der Willigen, van der Flier, van der Elst, van der Linde (die echter ook aan de riviernaam kan zijn ontleend), van der Palm; de Roos, Lely, Tulp, Heyblom, Mispelblom, Appel, Pijnappel, Vijgh, enz.

De half verfranste naam de Casembroot herinnert misschien aan het uithangbord van een herberg, waarop Kaas en Brood geschilderd stonden1).

[p. 38]

Schippers ontleenden hun naam wel aan hun schepen. Zo werd Jan Gerritsz uit Amsterdam, schipper op ‘De Geelvinck’, de stamvader van het regentengeslacht Geelvinck. Cornelis Gerritsz Tasman te Schellinkhout (begin 17e eeuw) was schipper op ‘De Tas’. Ook de Zierikseesche familie de Huybert zou haar naam ontleend hebben aan een schip.

De vragen die bij de namen van deze tweede groep oprijzen zijn: in de eerste plaats of de familienaam werkelijk aan een plaatsnaam is ontleend dan wel aan een huisnaam, en in de tweede plaats, ingeval er meer plaatsen van dezelfde naam bestaan als de geslachtsnaam, naar welke van die plaatsen deze dan is genoemd. Op beide vragen kan alleen de geschiedenis van de betreffende familie een afdoend antwoord geven. Zo weten we dat de stamvader van het Amsterdamse regentengeslacht Hinloopen, Jacob Jacobsz, zijn naam niet rechtstreeks aan de Friese stad heeft ontleend, maar aan het huis Hinloopen op de Nieuwendijk, waarvan hij in 1587 door aankoop eigenaar werd. Vooral wanneer men met namen van verafgelegen steden te doen heeft, als Belgrado en Jerusalem, zal men met deze mogelijkheid ernstig rekening moeten houden. Daarentegen behoeft aan de naamsoorsprong van de familie van Charante (Boss van Charante, Mensing van Charante, Moll van Charante, Watson van Charante) niet de minste twijfel bestaan, wanneer we weten dat de eerste van deze naam, die zich in de Nederlanden vestigde (tweede helft 17e eeuw), Adrien Isaacsz, afkomstig was van La Rochelle aan de rivier de Charente. Evenzo weten we dat de stamvader van de familie Schalkwijk, Isaac Aelbregts van Roodenkerke (2e helft 17e eeuw) te Schalkwijk geboren was, die van de familie van Eck te Ek in de Betuwe, die van de families van Geuns en van Goens te Neustadt-Gödens in Oostfriesland (Hannover).

Bestaat er maar één plaats van dezelfde naam als door een bepaalde familie wordt gedragen, en is de

[p. 39]

benoeming naar een huisnaam minder waarschijnlijk, dan kan men die plaats veilig als de bakermat van de bewuste familie aannemen. Dit is b.v. het geval met namen als van Breda, van Groningen, van Mierop, van Ravesteyn, van Schoonhoven, van Staveren, van Vollenhoven. Zijn er meer plaatsen van dezelfde naam, dan wordt het moeilijker.

Is de familie Noordijk afkomstig van het Groningse of het Gelderse Noorddijk, de familie Rozendaal van het Noordbrabantse of het Gelderse Rozendaal, de familie van Loon van Loon-op-Zand, van een der gehuchten Loon bij Eindhoven en bij Assen, van Neer- of Overloon in het Land van Ravestein, van Groot-Loon in Belgisch-Limburg of van Loon in Frans-Vlaanderen, de familie van Hasselt van het Overijselse stadje of de Zuidbrabantse stad? Wanneer men de geschiedenis van een familie niet ver genoeg kan vervolgen om op de vraag naar de herkomst een afdoend antwoord te krijgen, kan deze toch altijd wel met enige waarschijnlijkheid worden uitgemaakt door de oudst bekende woonplaats. Het is immers waarschijnlijker dat een b.v. in Tilburg gevestigde familie van Loon van een der Brabantse plaatsen van die naam afkomstig is dan van de andere Loons.

Ook in deze groep moet met de mogelijkheid van afleiding van voornamen rekening worden gehouden. Zo kunnen Romen en Roomen van Rommen, Romein van Romein, Kampen en Campe van Kampe zijn afgeleid; het laatste zal met het uitgestorven Zeeuwse geslacht Campe zeker het geval zijn geweest. Bij namen die door van worden voorafgegaan (van Kampen) is deze mogelijkheid natuurlijk minder groot, al is dit voorzetsel meermalen aan familienamen op zinloze wijze toegevoegd, niet zelden om ze een deftiger uiterlijk te verlenen.

1)Onze grootste dichter ontleende zijn naam wellicht aan een der beide gehuchten Vondele(n) in Oost-Vlaanderen.
1)Aangehaald uit de Overijsselsche gedenkstukken, VII, blz. 52-73, van J.W. Racer bij Johan Winkler, De Nederlandsche geslachtsnamen, blz. 23.
1)Over Nederlandse boerderijnamen bestaat een zeer lezenswaardige monografie van P. Vinc. v. Wijk, O.C.: Boerderijnamen, over hun oorsprong, geschiedenis en beteekenis (Oldenzaal, 1927), waaraan ik het een en ander ontleende.
1)Al blijft het natuurlijk vreemd dat een zo burgerlijke naam al zo vroeg (in de dertiende eeuw) door een adellijk geslacht wordt gevoerd.
prepostterug  begin  verder