terug  begin  verderprepost

I. Patronymica

De vadersnamen (patronymica) zijn de oudste vorm van onze geslachtsnamen.

Van de 48 burgemeesters die Middelburg in de jaren 1365-1449 heeft gehad, waren er 27 met een patronymicum, 15 met éen geografische naam en 6 met een andere naam, van de 12 stadsklerken, die in de stadsrekeningen van dezelfde jaren voorkomen, droegen er 9 een patronymicum en 3 een geografische naam. Van de 14 baljuws daarentegen noemen er zich 12 met een geografische naam. De verklaring van dit verschijnsel is eenvoudig: de burgemeesters immers werden uit de burgerij gekozen, en ook de stadsklerken zullen in de meeste gevallen wel tot de ingezetenen hebben behoord; de baljuws daarentegen kwamen van buiten de stad en behoorden bovendien grotendeels tot adellijke geslachten, die naar hun bezittingen heetten.

Het veelvuldige gebruik van patronymica is begrijpelijk. Niets ligt meer voor de hand dan dat een zoon,

[p. 17]

vooral wanneer hij tot een aanzienlijk geslacht behoort, zijn verwantschap met zijn vader in zijn naam doet uitkomen. En in een beperkte gemeenschap van mensen, die elkaar allen van naam kennen, is niets eenvoudiger om een kind aan te duiden dan hem te noemen met de naam van zijn vader, eventueel van zijn moeder, indien deze om de een of andere reden meer bekend is dan haar man. In niet te grote dorpen en op het platteland is deze wijze van naamgeving nog altijd de meest gebruikelijke. In onze 14e-eeuwse stadsrekeningen en soortgelijke archivalia vinden we dan ook herhaaldelijk namen als Gode Gheridesone, Klaas Janszoon, Pieter Klaaszoon, Arend Grietensoen, Johan Lijsenkint, waarin de graad van bloedverwantschap voluit wordt meegedeeld. De naam van vader of moeder kon evenwel ook in de tweede naamval achter die van het kind worden gevoegd; we krijgen dan namen van het type Johan Mensen, Heyne Beelen, Johannis Peternellen, Ghert Jordaens. Bij deze namen behoeft evenwel nog geen sprake te zijn van vaste familienamen, en in verreweg de meeste gevallen zal dat dan ook niet het geval zijn. Eerst wanneer de naam van de vader of de moeder in onverbogen vorm aan de voornaam van het kind wordt toegevoegd, zien we de geslachtsnaam ontstaan. Dit is het geval bij namen als Johan Lucas, Lubbert Ribbert, Johan Bet, al kan ook hier nog heel wel sprake zijn van individuele namen. Hetzelfde geldt voor de namen waarin de afstamming wordt aangegeven door het achtervoegsel -ing (dat in Frankische, Saksische, en Friesche streken respectievelijk -ing, -ink en -inga luidt en in Vlaanderen als -ynck wordt geschreven), b.v. Heynike Abbing, Seyne Beernding, Johan Bruning, Henricus Gonning.

Oorspronkelijk zal dit suffix uitsluitend achter persoonsnamen zijn gevoegd; later zien we het evenwel ook achter beroepsnamen: Gerardus Borchgreving, Willem Gruytering (naast Willem de Gruiter), Frede-

[p. 18]

ricus Wevering, en bijnamen die een eigenschap aanduiden: Nicolaus Dullinc, Godiken Scerpinc, Albert Vetting. Bovendien duidt dit suffix de bewoning van een boerderij aan, b.v. in Johan to Hamming (naast Johan van der of ton Hamme), Johan to Johanninck. Het voorzetsel wordt al spoedig weggelaten, waarna we namen krijgen van het type Gadert Vynninck, Jacob Regellinck, Heyne Benting. Op deze wijze ontstonden familienamen als Hesseling, Smeding, Ruttink, Bentinck, Maeterlinck, Hellinga, Huizinga, Eisinga, Ghyselinck.

De oudste en meest volledige vorm van de patronymica is maar in enkele Nederlandse familienamen bewaard, t.w. Egbertszoon, Jacobszoon en Moederzoon1), Baertsoen, Bettesone, Boecksoone, Boucksoone, Claeissone, Huyssoon, Liefsoons, Derkson, Hanson, Jansson, Pierson, Tamson, Neeteson enz.

Zeer groot is daarentegen de groep van familienamen, waarbij de naam van de stamvader in de tweede naamval is geplaatst, als Jans, Janse(n), Bastiaans, Bastiaanse(n), Stevens, Willems, Roels, Coens, Bax (van Bak, Bakke), Derx enz. Minder talrijk zijn de familienamen die uit een voornaam in de onverbogen vorm bestaan, als Everaert, Elout, Servaas, Daan, Baert, Colijn enz.

Van dubbele namen afgeleid zijn Koppejans (van (Ja)cop Jan), Copmels (van Cop Mels), Coppieters, Coppoolse (van Cop Pool), Koppenol (van Cop Nol) enz., die vooral in Vlaanderen en Zeeland voorkomen, daarbuiten echter weinig.

Het aantal patronymica is veel en veel groter dan men oppervlakkig geneigd zou zijn te denken, aangezien een groot aantal ervan vrij wat minder doorzichtig is dan het merendeel van de bovengenoemde. In de loop der eeuwen zijn nl. talrijke voornamen geheel of nagenoeg geheel in onbruik geraakt en alleen in enkele familie- en plaatsnamen bewaard

[p. 19]

gebleven. Daarnaast zijn vele nog bekende en gebruikelijke voornamen in familienamen tot onherkenbaarwordens verbasterd. Een en ander blijkt duidelijk uit de onderstaande lijst van in hoofdzaak oude Germaanse mansvoornamen, achter elk waarvan een of meer daarvan afgeleide familienamen zijn gevoegd. Beide lijsten zouden aanmerkelijk uitgebreid kunnen worden; onze bedoeling was alleen, een indruk te geven van de rijke verscheidenheid van deze oud-Germaanse namen, waarvan er vele honderden geheel uit onze taal zijn verdwenen, en vooral om de belangstellende lezer er van te doordringen, dat hij bij de nasporing van de betekenis van een familienaam die toch in de eerste plaats - tenzij aan een andere afleiding geen twijfel bestaat - zal zoeken in een patronymicum, en pas wanneer deze mogelijkheid niet aanwezig blijkt te zijn, bij een der andere groepen te rade gaat. Tal van namen, die men op het eerste gezicht zou willen afleiden van diernamen (Paling, Bok, Bot, Duif, Valk, Vink, Vos, Haan, Kat, Mees, Mol, Pauw, Raaf, Reiger, Zwaan), van bloemen, planten en andere gewassen (Bloem, Boon, Rogge, Roos, Thijm), van de jaargetijden (Lente, Zomer, Winter), van lichaamsdelen (Baard, Blaas, Been, Hiel, Pols) enz. kunnen op veel eenvoudiger wijze verklaard worden als patronymica.

Het kan misschien zijn nut hebben, er in dit verband voor te waarschuwen om de betekenis van een familienaam te willen verklaren met een beroep op het familiewapen. Talloos vele wapens zijn pas ontworpen in een tijd, toen de oorspronkelijke betekenis van de geslachtsnaam al lang was vergeten, en de ontwerper alleen op de uiterlijke klank van de naam afging. Het feit dat de familie Boeye een boei, de familie Valk een Valk, de familie Kraay een kraai, de familie Mees drie mezen, de familie Smeding een hamer, de familie Uhlenbeck een uil, de familie Pauw een pauw, de familie Wachter een man op een uit-

[p. 20]

kijktoren voert, zegt hoegenaamd niets over de betekenis van deze familienamen.

Een wetenschappelijk opgemaakte lijst van alle Nederlandse voornamen en een daarbij aansluitende lijst van de familienamen, die er van afgeleid zijn, is nog een van de desiderata der Nederlandse taalwetenschap. Intussen bezitten we enkele werken en studies, die voorlopig in deze leemte voorzien. In de Navorscher (dl. XVIII (1868), blz. 40 vlg. en dl. XXII (1872), blz. 520 vlg.) heeft P. Leendertz Wz. een lijst van Nederlandse voornamen afgedrukt, die in Nederland sinds 1500 in gebruik zijn geweest of nog zijn. Deze lijst berust ten dele op oudere gedrukte lijsten, die in de inleiding worden opgesomd, ten dele op door Leendertz en anderen uit andere bronnen (archivalia enz.) bijeengebrachte gegevens. Een alfabetische lijst van middelnederlandse doopnamen is uitgegeven in het Jaarboek der Kon. Vlaamsche Academie (dl. XV (1901), blz. 31 vlg.). Verder noemen we het werkje van J.J. Graaf, Nederlandsche doopnamen naar oorsprong en gebruik (Bussum, 1915). Dank zij de Friesche naamlijst van Johan Winkler (verschenen als dl. IV van het Friesch Woordenboek van Waling Dijkstra en F. Buitenrust Hettema (Leeuwarden, 1898)) zijn we voor de Friese voornamen het volledigst ingelicht. Oud-Nederlandse namen (van vóór 1200) tenslotte vindt men in het werk van J. Mansion, Oud-Gentsche naamkunde ('s-Gravenhage, 1924), dat echter alleen door filologisch onderlegde lezers met vrucht is te raadplegen. Ditzelfde geldt ook voor het standaardwerk van E. Forstemann, Aldeutsches Namenbuch (I. Personennamen, 2te Aufl., Bonn, 1900) en het Wörterbuch der altgermanischen Personen- und Völkernamen (Heidelberg, 1911) van M. Schönfeld. Een aardig overzicht van het ontstaan en de ontwikkeling van de Nederlandse voornamen vindt men in een studie van G.J. Boekenoogen, Onze voornamen (De Gids, jg. LIV, 1890, III, blz. 448 vlg.).

Wie op het terrein van de filologie leek is, zal goed

[p. 21]

doen met zich door een bevoegde te laten voorlichten, wanneer hij een familienaam met een voornaam in verband wil brengen. In veel gevallen zal de afkomst zonder meer duidelijk zijn (Janse, Hendriks, Huigens, Klaassen, Jellema, Jannink), maar in talloos vele andere gevallen, zoals men er in de onderstaande lijst vele vindt, zal alleen iemand, die de wetten der etymologie kent, uitsluitsel kunnen geven. Wie bij de spraakmakende gemeente zijn oor te luisteren legt, weet dat er nauwelijks een ander gebied is, waarop de fantasie zozeer vrij spel heeft als dat der betekenis van de familienamen.

De lijst, die we thans laten volgen, is zoals gezegd wat de beide delen betreft uiterst fragmentarisch. Om ze met geen onnodige ballast te bezwaren zijn van de voornamen alleen die opgenomen, waarvan familienamen rechtstreeks zijn afgeleid of die als schakel dienst moeten doen. De voornamen zijn zoveel mogelijk geplaatst in de vorm, waaronder men ze in de bovengenoemde lijst van Graaf vindt, maar een aantal ervan komen in zijn boekje niet voor.

Aam, Ame, Amme Amesz, Ammen, Amming, Amama, Ammema
Aan, Anne, Aant Aans, Anema, Annen, Annink, Aantjes
Abe, Abbe Abben(s), Abbes, Abma, Abbema, Abbing(h), Abbink, Abbinga
Agnies, Agneese, Neese, Neesken (vrouwennaam) Agneese(n), Anneessens, Nesen, Neesken(s)
Amel, Amelis Ameling, Amelung, Amelunxen
Andries, Dries Andriesse(n), Andriessma, Andreessen, Anders, Andersen, Driessen, Drieskens, Andreae
Aris Aris
Arnold, Arnoud, Arent, Aarn, Aart, Noud, Nold, Nol Arnold, Arnoldse(n), Arnoldi, Arnoudse(n), Aernouts, Arent, Arent(s), Arendsen, Arntzen, Arnzenius, Arendsma, Aarnink, Aerts, Aertsen, Aartsma, Nouts, Nuyts, Nuis, Nolten, Nolting, Nollen(s), Nolen(s)

[p. 22]

Asweer, Asse Assens, Asma, Assing, Assink, Assies, Asjes
Aue, Auke Aukes, Auwen, Ausems, Aukema, Aukesma, Aukinga
Ave, Aaf Aafjes
Baard, Bart, Bartel Baard, Baart, Baert, Barten, Bertens, Bartels, Bartlema
Bake, Bakke Bake, Bakke, Bak, Bax, Bakkes, Bakken, Baksma
Balderik, Balte, Bolt, Boute Baltens, Bolt(e)(n), Boltema, Bouten(s)
Balle, Baling Bal, Balling, Paling, Ballema, Balma
Bane, Banne, Beine, Beint, Banier Baan(e), Bane(n)(s), Banema, Baansma, Banning, Beins, Beintema, Banier
Barg, Berg Barge, Berg, Bergmans, Bergsma
Baue, Bauke, Bave Bauma, Bouma, Bauwens, Bouwens(e), Baukema, Bavinck, Banga
Beier Beier, Beyer, Beyerinck, Beyers
Bene, Been, Benne, Bense, Bente Been, Beenen, Beens, Beentjes, Beynes, Beyns, Benninck, Benning, Bennema, Bens, Bensz, Bentinck
Bessel Besselsen, Besseling, Besselink, Beslinga
Blaas Blaas, Blees
Blau Blauw, Blaauw, Blaustra, Blauwstra
Bloemaart Bloemers
Blom, Bloem Blom, Bloem(s), Bloemen, Blommen, Bloemink, Bloemsma, Blomsma
Bode, Bote Boot, Botes, Boots, Bootsen, Boosten, Bootsma
Boele, Bole, Bol Boelen(s), Boeles, Boolen, Booleman, Bol, Bolle, Bols
Boere Boer, Boers(e)(n), Boeren, Bource, Boersma, Boerink, Boering, Buringa
Boye Boey(e), Boyens, Boysen, Bojesen, Boeyenga
Bokke, Boek, Boeke Bok, Boeke(n), Bokma, Bokkema, Boekema, Beukema, Beuekens, Buckinx
Bone, Boon, Boontje, Bonsen, Bonte Boon, Boone(n), Boonsma, Boninga, Boontjes, Bohn, Bon, Bons, Bonnen, Bonke, Bonte, Bonnenga, Bonga, Bonnema, Bontinck, Bontkes
Bos, Boske, Buse, Busse, Buske Bos, Bosch, Bosma, Boschma, Bosscha, Buis, Buys, Buysse, Buyze, Buisma, Beusink, Busing, Busink, Bussink, Busken, Buskes
Brandaan, Brand Brand(s), Brantjes, Brandsma

[p. 23]

Broeke Broeke, Broek, Broekens, Broekema, Broeksma, Broeksema, Brouckon
Broer Broer(e)(n), Broers, Breure, Broders, Broersma
Bronger Brongers, Brongersma
Bruin, Breunis, Bruning, Brunt Bruin, Bruyn, Bruins, Breunisse, Bruining, Bruning, Bruininga, Bruinsma, Bruna, Brunia, Brunt, Bruntink
Buddo, Butte, Butter, Budde, Botte Buddingh, Butter, Budde, Bot(h), (van) Bottinga, Bottenga, Bothnia, Botma, Bottema.
Burchart, Burgert, Borger, Bor Burger(s), Borger(s), Borcherts, Borgrink, Bor, Borring, Borringa, Bornia, Borremans, Burgerman
Ceel (Marcelis) Ceelen
Cent (Vincentius) Centen
Daam, Damme, Tamme, Temme Damen, Dam, Damme, Dammingh, Damstra, Tammes, Tamming, Tamminga, Tamson, Temmen, Temminck
Daan Daan, Daane, Dane, Daene(n), Daeninckx
Date Datema, Datama, Daten(s), (Dathenus)
Deen, Dene Deen, Denema, Deenik, Denia
Didmer, Diemer Ditmar, Detmers, Detmering, Diemer(s)
Digge, Dike, Deke Diekes, Diekman, Deken(s), Dekema, Dekena, Dekenga, Deking, Dykema
Dode, Doede Dood, Doede(n)s, Dodinga, Donia, (Dodoneus)
Doeke Doekes, Doekema, Doeksma, Doekzen
Domis Domis, Domissen, Dommisse
Douwe Douwes, Doude, Douwenga, Douna, Douma
Duif, Duive Duif, Duyvis, Duyfjes
Ebbe Ebbes, Ebbinge, Ebbink, Ebbinga
Eelke Eelkes, Eelking, Eelkema, Eelkinga
Ege, Egge Ego, Egges, Eggens, Eggink
Eise Eises, Eissen, Eisma, (van) Eysinga, Eisink
Elewout Elout
Emme Emmen, Emmink, Emminga, (Emmius)
Esse, Eske Essink, Eskes
Faas Faas, Faasse(n), Fasen, Vaassen, Vaesen, Vase, Fazinga, Faasma
Falke, Falk Falck, Valk, Valcks, Falkema, Valkema, Falkena, Falckena, Falks, Valks, Valksz
Fene Veen, Veenink, Veninga, Feninga, Vening, Fenema, Venema, Veenesz

[p. 24]

Fidde, Feite Fit, Feith, Feits, Feitz, Feites, Feytama, Feitema
Fin, Finne, Finke Vink, Vynck, Vinke(n), Finken, Vinnema, Vennema
Firmijn, Vermijn, Formijn Vermeyne, Vermijn, Formijne
Folmer, Volmer Folmer(s), Volmer, Volmerink
Fonger Fongers, Fongersma
Fosse, Fos Fossen, Vosse(n), Vos, Vosma
Gauwe, Gauke Goukes, Goukema, Gauma, Gauwenga
Gebke, Gebhard Gebken, Gebhard, Gevers
Geen Geenen, Geense(n)
Gelle, Geil Geyl, Gellinck, (Gellius)
Gerard, Gere, Gaart, Graats Geerink, Geerdink, Gras, Gratama, Gratema, Graatsma
Gerke Gerke(n), Gerkes, Gerkema, Gerekink
Goede, Goetse, Gode Goed, Godin, Godens
Gommer, Kommer Gommers, Kommers
Gosen, Gosse Goosen(s), Goseling, Gosses
Grimbert, Grim Grim(s), Grimminck
Haan, Hane, Haantje Haan, Hanema, Hania, Haantjes, Haentjens
Haike, Haije, Heije Haije, Haje, Heije, Haket
Haite Haitinck, Haitsema, Haitsma
Heere, Hering, Haring, Heerke Heeres, Haersma, Hering, Heering, Heringa, Heeringa, Heeroma, Haren, Haring, Harringa, Hartjes, Hartsinck, Harinxma, Heerkes, Heerkens, Herking, Herkens, Harksen
Helmer Helmer(s), Helmar, Helmering, Helming
Hesse, Hessel Hessel(s), Hesseling, Hesselink, Heslinga
Hette Hettema, Hettinga
Hilbert, Hille Hilbertsz, Hille(n), Hiel, Hielkema, Hylkema, van Hylckama, Hillenga, Hilma, Hillenius
Hoi, Hoie, Hoite Hoynck, Hoyink, Hoytema, Hoitsema
Hont, Hunt Hondelink, Hondinga, Hunting
Hove Hoving(h), Hovinga, Hovenga, Hovy, Hofma
Huse Huising, Huizinga, Huizenga, Husink, Huyssoon.
Ide, IJde Ide(s), IJdo, Idema
Jan, Johan Jans(e)(n), Jansma, Jennings, Jensen, Jensema, Hanssen, Hansma, Hensen1)

[p. 25]

Jorke, Jorre, Jurgen, Joris, Goris Jooren, Joors, Jorink, Jorritsma, Jurgens, Jorissen, Gorissen
Karsten, Kars, Kerst Karsten, Karsjes, Kersten
Kat Kat(s), Cats, Catz, Katma, Katsma
Klevert Kleveringa, Cleveringa, van Kleffens
Kloot Kloots, Cloots, Kloos, Klootsema, Clootens, Cloetens, Kluytens, Klos, Klosma
Knoop Cnoop(s), Knoop(s)
Kobe, Kop, (Jacob) Coops, Kops, Koppen
Koenraad, Koene, Koendert, Koert, Kort Coenraads, Conradi, Koene(n), Coenen, Koenders, Koers, Coers, Koerts, Coerts, Koersma, Koertsma, Koordes, Kordes, Cordes, Kortenga, Korting, Kuenen
Kolijn, Klijn, Kool Colijn, Klijn, Cool, Koole(n), Kooltjes
Lambert, Lamme, Lemme Lambertsen, Lam, Lammenga, Lamsma, Lem, Lemmens, Lemkes
Lelle Lels
Lente Lente, Lentink, Lentelink
Lodewijk, Lode, Loos, Lote Lodewycks, Loos, Loots, Lootz, Looten, Lotinga, Lootsma
Loef Loef
Maas Maas, Maes
Machuyt, Makke Mak, Max, Makkes, Makkink
Malchert, Maljaart Maljaars, Maljers
Mark, Merk Marks, Marx, Merk, Merckens
Mees, Meeus, Mewis, Meis Mees, Meeus, Meeuwse, Meys, Mijs, Meysing
Minne, Minse Minne(s), Minnema, Minning, Menninga, Minses
Moen Moens
Molle Mol(l), Mollen, Mollema, Mollekens
Muus Muis, Muusses, Muysken
Nane, Nanne Nan, Nannen, Nannes, Nankes, Nanning(s), Nennen, Nentjes, Nanninga
Ode, Oetse Odink, Oetsma, Oetzes, Oetzen, Oetgens, Udema, Udens, Udink
Onno, Onneke Onnen(s), Onnes, Onnekes
Orte, Oort Ort(h), Orte, Oort
Otmar, Ot, Omer, Oem Ootmar, Otten, Ottema, Oomen, Oom(s Ohm
Out Out, Oud
Pabe, Pape Pabes, Pape(n), Paap(s)
Pauwels, Pauw Pauwe(e), Paauwe, Pauwels(e)(n), Pauli
Pawe Pama

[p. 26]

Pelgrum, Pelle, Palle Pelgrom, Pelle, Pel(s), Pellens, Pelsma, Pals, Palma, Palsma
Penne Pen, Pens, Penning(s), Penninga, Penninck(x)
Perk Perk, Pierik
Persein Persijn
Pibe Pibenga, Piebenga, Pybes
Pieter, Pier Pieters(e)(n), Pierson
Polle, Pool Pol(s), Pollema, Polsma, Polma, Polstra, Pollen, Pollsen, Polling, Pollius, Pool(s)
Poppe Poppe, Pop, Popma, Poppinga, Popping
Post Post, Postma, Posthuma, Posthumus, Postmus
Proost Proost
Raaf, Raven Raaf, Raven, Ravinga
Reiger Reiger(s), Reigersma
Rette, Reitse, Reit Reits, Reitz, Reitsema, Reitsma, Reidsma, Reiding, Reyding, Reidinga, Reitema
Rein, Rinne, Renne, Rinke Reinink, Rinkens, Rinkema, Renkema, Renken, Rink
Ritsert, Ritse, Ryts Ritsema, Ritsma, Ritzes
 
Roemer, Rommert, Romein, Romke Roem, Romen, Romein, Romkes
Ronne Ronge Ronse, Ronning, Ronge
Roos Roos, Roose(n), Rooses, Roosjes, Roosjen, Roosma, Rosema, Rozenga, Roskes
Rouke Roukens, Roukema
Rut, Ruit Rutten, Ruttink, Ruytinck, Ruitenga
Rutger, Rogge, Rogier, Rosier Rutger(s), Rogge, Rogier(s), Rosier(s)
Sabe, Sabbe Sabbe
Sake Saks, Sax, Saaksma
Sander, Sanne Sanders, Sannes
Sasse Sasse(n), Sassing
Scholte, Schoute, Schutte Scholte(n), Schout, Schoute(n), Schut, Schutte(n)
Sekele, Selis Sekeles, Seekles, Selis, Selle
Sikke Sikkes, Sikkesz, Siccama, Six, Sixma
Sine, Seine Synen, Zijnen
Snelle Snel, Snello, Snellen(s), Snellings, Sneltjes, Snelleman
Somer Somer, Zomer
Staats, Staas Staats, Staas

[p. 27]

Stein, Stendert, Stijn, Steen Stein(s), Steinen, Steynen, Stijnen, Stijns, Steens, Stiens, Steensen, Steenis, Steenema, Steensma, Stiensma
Strate Stratingh, Straten, Stratenus, Straatsma, Straatjes
Stro Stroïnk, Stroosma, Strooisma
Stuve Stuivenga, Stuiveling, Stufkens, Stuvinghs
Swaaf Swaving, Swavink
Swaan Swaan, Swaen, Zwaan, Swaens, Swaenen, Swane
Sweder, Sweer, Swier Sweerts, Swerts, Sweer, Swier, Swiers, Swierstra
Tade, Taat Taat(s), Taets, Tadema, Tadink
Tidde Tiddens, Tiddinga
Tiele, Tieleman, Telle Tiele(n), Tieleman, Dieleman, Telle, Tellings
Timen Tieme(n), Thieme, Thijm, Timen, Tijmen, Timens, Timans, Tiedeman, Tideman, Tydeman
Toers Tours
Tole Tolen(s), Tholen, Tholema, Tholing, Tolings, Tollens(?)
Udo, Ude, Oeds Uden(s), Udink, Udinga, Udema, Oets, Oetzes, Oetzen, Oedsma, Oetsma, Oetjes, Oetjen, Oetgens, Oetkens
Vaas, Vas Vasen, Vas, Vasse
Wakker, Wakker(s), Wakkersma
Wale, Waalke Walles, Waalkes, Waalkens
Walraven Walraven
Warnar, Werner Warnaars, Warnars, Warners, Warnink, Werner, Werneri
Werp, Worp Worp
Wiard, Wierd, Weert Wiarda, Wierda, Wierts, Wiertz, Weerts, Wiersma, Wiertzma, Wierdema
 
Wigbold, Wibout Wigbolts, Wiebols, Wibaut, Wigbout
 
Wigge, Wigger Wiggers, Wiggersma, Wiegersma. Wigersma, Wikel, Wiegant, Wiegman, Wichman
Wilbert, Willebrord, Wille Wilbers, Willebroordse, Willebrordus, Wille(n), Willes, Willink, Wilma, Willige, Willinge
Wilbrant Wilbrenninck

[p. 28]

Wine, Weyn, Winand, Wineke Wijn, Wijnne, Wijntjes, Winia, Wintgens, Wientjes, Winands, Wynands, Wijnker, Wenneker, Wenker, Wink, Wynkes
Winter Winter, Winters, Winterink
Wisse Wisse, Wissing
Witte, Witman Witte, Wit, Witsen, Wittert, Witman(s), Wijtman
Wolfgang, Wolfert, Wolf Wolfgang, Wolf(f), Wolven, Wulfing, Wolfs

Namen met een Griekse of een Latijnse uitgang en in het Latijn vertaalde namen.

Een afzonderlijke groep wat de vorm betreft vormen de familienamen, die een Griekse of een Latijnse uitgang hebben. Vooral in Friesland stelden in de eerste eeuwen na de Hervorming vele intellectuelen, met name predikanten, er prijs op hun namen een geleerd aandoende klank te geven. Onder geleerden was het sinds de late middeleeuwen een vaste gewoonte om hun familienamen in overeenstemming te brengen met de taal, waarin zij hun werken schreven. Zo noemde Antoine de Waele zich Antonius Walaeus, Cornelis van Kiel Kilianus, Hugo de Groot Grotius, Gijsbert Voet Voetius. Anderen vertaalden hun naam in het Latijn; zo noemde Jan de Backer zich Johannes Pistorius, Jelle Smit Gellius Faber, Jan Snijders Joannes Sartorius, terwijl Gerrit Gerrits de Grieksklinkende naam Erasmus aannam. Doorgaans ging men echter eenvoudiger te werk, door n.l. de Nederlandse familienamen een Griekse of een Latijnse uitgang te geven, maar ze verder ongewijzigd te laten. Aangezien het hier in verreweg de meeste gevallen patronymica betreft, wordt deze groep het best op deze plaats besproken.

De Griekse uitgang -des vindt men in namen als Hermanides, Paulides, Mensonides (van Menso), Ynsonides (van Ynse), Hajonides (van Haje), Hilarides (van Hille), Simonides enz.

[p. 29]

De Latijnse uitgangen zijn veel talrijker. De uitgang -(i)us vindt men in Arntzenius (van Arnt(s)), Borgesius (van Borg), Bolsius (van Bol), Eyssonius (van Eysson, zoon van Eise), Hajenius (van Hajo), Heinsius, Heynsius, Hillenius (van Hille), Jansenius, Jansonius, Koppius (van Kop), Nolthenius (van Nolt), Reddingius (van Reddink), Stratenus (van Strate), Tielenius (van Tiele), enz.1); verder in een aantal namen die tot de derde groep behoren, als Bouricius (van Bouwer), Brouerius (van Brouwer), Costerus, Cramerus, Cuperus (van Kuiper), Schipperus, Stamperus, enz. Tielenius kan ook een verlatijnste vorm zijn van de familienaam van Tiel, en zou dan in de tweede groep behoren, waaronder zeker namen als Alstorphius (van Alsdorf), Bredius (oorspr. van Bree), Fledderus (van Vledder), Gronovius (van Gronau), Noordanus (van Norden), Repelius (oorspr. von Repelen), Roldanus, Schotanus (van Schoot of Schoten), Staphorstius, Stavorinus, Tilanus (van Tiel), Swalmius (van Swalmen of het riviertje de Swalme), Verdenius (van Verden), Werumeus (van Wierum), Winsemius (van Winsum) thuishoren, en misschien ook Becius (van Beek). Curtius (oorspr. de Corte) behoort tot de vierde groep.

De uitgang -anus vinden we in de zooeven genoemde naam Tilanus, verder in Heydanus (van der Heiden), Greidanus (van het Friese greide = weiland), Geesteranus (van der Geest), Lindenhovius (van 't Lindenhout) enz., die alle tot de tweede groep behoren.

De tweede-naamvalsuitgang -i ter aanduiding van patronymica vinden we in Adriani, Arnoldi, Conradi, Gysberti, Idsardi, Jacobi, Martini, Nicolai, Petri, Ruardi, Sybrandi, Wybrandi enz., als -y geschreven in Gerbrandy, Ypey (van Ype), Wilhelmy; de uitgang -is, die dezelfde functie vervult, in Michaëlis, Simonis, Taconis.

1)Moeder komt ook als mansvoornaam voor; zie Graaf no. 548.
1)Winkler, blz. 155-156 somt ongeveer 100 namen op, die van deze mansvoornaam zijn afgeleid.

1)Fabius is op zichzelf al een (Latijnse) voornaam; de eerste Fabius, Johan Fabius (1585-1632) was de zoon van Fabius Wijbrants.
prepostterug  begin  verder