terug  begin  prepost

Uit de tijdschriften
(September - Oktober).

De Gids. Sept.

C. Scharten bespreekt Vlaamsche en Hollandsche proza-epiek. In Teirlinck's Ivoren Aapje ziet hij ‘een mooi talent aan den rand van zijn verderf.’ De kunst van K. van de Woestijne (Janus met het Dubbele Voorhoofd), met die van Teirlinck in dekadente verfijning verwant, vindt hij ‘veel rijper en daarom voor 't oogenblik waardeerbaarder’, maar minder groeikrachtig. Robbers, wiens werk ‘weifelt tusschen dat van Van Looy en dat van Coenen’, geeft in De Gelukkige Familie ‘sobere krachtige kunst die geheel de zijne is.’ Lager stelt hij het ‘goed geschreven, oprechte werk’ van Ina Boudier-Bakker (Armoede).

Okt. Een interessant boek van de ethnoloog A. van Gennep, La Formation des Légendes, gaf G. Busken Huet aanleiding tot een artikel over Legenden en legendenvorming. De ethnografiese methode stelt op grond van legendenstudie bij primitieve volken, algemene regels voor legendenvorming, o.a. dat ‘localisatie, individualisatie en onmiddellijke nutsaanwending’ voorafgaan aan de eigenlike sprookjes en vertelsels, dat zoömorfiese voorstellingen (d.i. het maken van dieren tot helden der vertellingen) in de oudste ontwikkeling overheersen. Busken Huet meent dat Van Gennep de waarheid voorbijziet dat ‘de ethnographische methode hare grenzen heeft’, en dat hij ‘aan de ethnografie meer vraagt dan zij kan geven’, wanneer hij zijn konklusies uitstrekt tot de gerijpte, de histories geworden mens. Dat licht hij toe met enige aardige voorbeelden, o.a. de ontwikkeling van de Faustsage.

De Beweging. Sept.

J. Koopmans besluit zijn studie over De Tendens in de ‘Willem Leevend’ van Wolf en Deken. Hij wijst er

[p. 318]

op, dat de schrijfsters ‘hun ideaal zoeken in het heroïese - nl. het heldendom van Rede en Zede, naar Aufklärungs-opvatting - òf wel, ze vermeien zich in de krachteloze excessen van een overprikkelde sentimentaliteit.’ Naast Abraham Blankaart staat Willem Leevend als deugdheld zwak. Bij de episode van Lotje's ondergang, waarin ‘de wassen weekheid van de 18de-eeuwse sentimentaliteit’ gegispt wordt, treedt Adriana Belcour op als tolk van de rede. Merkwaardig is de figuur van Jambres, de dwalende Ongodist, met Heftig, Maatig e.a. ‘uitgeknipte poppetjes, die elk voor zich het opschrift dragen: Haec fabula docet.’ Daartegenover wordt de zinrijke creatie van tante De Vrij, ‘een kostelike en veelzijdige tiepe van het stille werkdadige Christendom’, geprezen. Voortreffelik zijn nevenfiguren als Mej. Heftig en vooral tante Martha de Harde, waardoor ‘Betje Wolff zich een plaats verdient in de betekenisvolle rij, die de volksaardige plastiek van de 17de eeuw over Van Effen en Asselijn heen verbindt met het realisme van de nieuwere tijd.’ Aan het slot van deze studie wordt er op gewezen hoe de buitenwereld geheel ligt ‘buiten de kalme wateren van deze merkwaardige roman,’ en hoe sterk de schrijfsters bij het cultiveren van de Rede en het propageren van de Tolerantie, zich verplicht voelen aan hun vrije vaderland. - Albert Verwey geeft in de rubriek Boeken, Menschen en Stroomingen een diepgaande bespreking van Karel van de Woestijne's jongste dichtbundel De Gulden Schaduw. - J. Prinsen J.Lz. beoordeelt ongunstig de Studiën over het Individualisme in Nederland van F.H. Fischer: ‘De groote fout van Dr. F. is, dat hij niet is opgeklommen tot de geboorte van het individualisme in West-Europa, tot de Renaissance’.

Oktober. Aan het slot van een opstel over Leigh Hunt en zijn vrienden, herdenkt Albert Verwey op zijn wijze het jubileum van 1885. Hij verklaart waarom de tachtigers liever zagen naar de Engelse schrijvers dan naar hun Duitse verwanten. ‘De werkelijkheidsliefde was hier inheemsch en de ontwikkeling van dat geestelijk organisme, dat vaderlandsch genoemd wordt, zal voor een klein volk, nog veel meer dan voor een groot, altijd hoofdzaak zijn. Niet door onze stoffelijke uitbreiding, maar alleen door dat geestelijk organisme kunnen wij een macht blijken. Slagen wij erin, ons vaderlandsche te doen erkennen door Europa, dan oefenen wij invloed op de eenige manier die voor een klein volk mogelijk is. Wij moeten daartoe den tijd, het leven van de wereld in zijn wijdste beteekenis, niet loslaten, maar het hartstochtelijk meeleven. Wij moeten niet meenen dat éenig leven, dat éenige gedachte, gezegd is zoolang ze half zijn gezegd. Wij moeten, zoo ruim en tevens zoo streng mogelijk, tijdgenoot èn kunstenaar

[p. 319]

zijn.’ Verder brengt deze aflevering een brede bespreking van Van Looy's Wonderlijke avonturen van Zebedeus door Verwey. De ontwikkeling van Van Looy's gaven stemt de beoordelaar tot bewondering, maar ook tot weemoed.

De Nieuwe Gids. Sept.

F. Buitenrust Hettema publiceert een kongres-voordracht, Mr. J. van Lennep op Kongressen. De betekenis van Van Lennep's populariteit wordt, naar zijn mening, onderschat: ‘Niemand toch is populair of hij is hoger type van zijn volk.’ Dat geldt evenzeer van deze romanschrijver in de 19de als voor Cats in de 17de eeuw. - Aletrino beoordeelt een aantal boeken.

Oktober. Deze aflevering is uitgegroeid tot een lijvig Gedenkboek, ter viering van het zilveren jubilee. Een groot aantal medewerkers leverden korte bijdragen en lieten hun portretten reproduceren. Kloos vertelt als inleiding Hoe ‘De Nieuwe Gids’ tot stand kwam en wat hij heeft gedaan. Aletrino herdenkt dankbaar zijn eerste kennismaking met Kloos en de invloed die daarvan uitging. Julius de Boer behandelt De Geestelijke Bloei van Holland in het Licht der Idee, waarbij Kloos, Van Deyssel en Gorter's ontwikkeling kort gekarakteriseerd worden. - G. Busken Huet wijst op herinneringen aan de Orlando Furioso in Hooft's Granida, n.l. de strijd van Daifilo in de wapenrusting van Tisiphernes, en het karakter van Ostrobas. - J.B. Schepers wijst op het verband tusschen De Nieuwe Gids en de Nieuwe Taalbeweging, dat door de kunstenaars die tegen de vereenvoudigde spelling verzet aantekenden, over 't hoofd gezien werd.

Groot-Nederland. Sept.

W.G. van Nouhuys bespreekt twee drama's van P.H. van Moerkerken Jr.; J.L. Walch geeft boekbeoordelingen.

Elseviers Maandschrift. Sept.

H. Robbers bespreekt uitvoerig de roman Guillepon frères van Gerard van Eckeren, die z.i. bij het vorìge werk van deze schrijver ver achterstaat.

Okt. Het onderwerp van Robbers z'n boekbespreking is De Verlatene, een roman uit het joodsche leven door Carry van Bruggen de Haan.

De Tijdspiegel. Sept.

In een artikel Jacob van Lennep geeft F. Smit Kleine enige anekdotiese ‘heugenissen,’ waardoor de verering die deze schrijver en toneelminnaar genoot, wordt toegelicht.

Van onzen tijd. Nummer XI.

In een artikel Vlamingen voor Vlaanderen, wijst L.J.H. Feber op het grote belang van Guido Gezelle's persoonlikheid voor de tegenwoordige Vlaamse beweging.

[p. 320]

Zijn evenredig leven is door deugd en wijsheid vanzelf het model voor de beweging, die den volksgeest heeft op te voeden. Het oude flamingantisme zat met zijn propaganda midden in de romantiek. De aktie was melodramaties. ‘Ze begonnen een aanval op het fransch in plaats van een verheffing van 't vlaamsch.’ Gezelle heeft in zijn stille tijd ‘die evenmaat van meditatie en aktie’ verkregen, waardoor hij geestelik rijp werd. ‘Hij, die nooit van vergadering of gouwdag de leiding had, werd over alle volksmenners de leider.’ - ‘Hij zweeg zijn halve leven en vond het eenige vlaamsche wachtwoord: kultuur en tucht.’ Gezelle's ‘zelfkultuur’ klopt met de vernieuwde vlaamse geest. Rodenbach werkte in die richting. Daardoor worden ‘de idealen gezuiverd en de idealisten getemd.’ ‘De feesten worden het ornament, beschaving en wetenschap geven den stijl van het leven aan.’ Alleen zo zal Vlaanderen aan de Vlamingen teruggegeven worden.

Museum. Aug.-Sept.

J.W. Muller bespreekt uitvoerig de uitgave van het nieuwe Reynaert-handschrift door H. Degerink. Hij betreurt het dat de uitgever zich niet bepaalde tot een diplomatiese afdruk. Nu er gestreefd werd naar een kritiese uitgave, was het resultaat ‘een halfslachtig ding, noch zuiver diplomatisch, noch geheel critisch.’ Tegen die taak was Degerink als buitenlander en ‘buitenstaander in 't vak’ niet opgewassen. Aan het slot deelt de recensent mede dat hij zelf een nieuwe kritiese uitgave onderhanden heeft.

Volkskunde. Afl. 9-10.

De Bijdrage tot de folklore van het kantwerk, van H. Baccaert, is bedoeld als aanvulling van zijn vroeger artikel Gebruiken bij kantwerksters. - Emile van Heurck vertelt over De Folklore-tentoonstelling in het jubelpark te Brussel. A. de Cock vervolgt de rubrieken met plantennamen en spreekwijzen over de vrouwen, en drukt een volksliedje, De Waarheid, af. Verder enige boekbeoordelingen, vragen en aantekeningen.

Den Gulden Winkel. Sept.

Aty Brunt heeft Johan de Meester geinterviewd, en schrijft daarover een geillustreerd artikel. - F. Bezemer heeft onder de Oude Boeken Krul's Pampiere Wereld voor den dag gehaald, waaruit hij een en ander meedeelt. - Gerard van Eckeren bespreekt de roman De Verlatene van Carry van Bruggen. De Lexicografische Mededeelingen betreffen Is. Querido.

Opvoeding en Onderwijs No. 22 en 23.

H.W.E. Moller geeft een overzicht van Vondel's Lucifer, voorafgegaan door een uiteenzetting van de diepere betekenis.

C.d.V.

prepostterug  begin