terug  begin  verderprepost
[p. 299]

Franck's Mittelniederländische Grammatik herdrukt.1)

De beoefenaars der Nederlandsche, met name der Middelnederlandsche philologie hebben in den laatsten tijd niet te klagen over gebrek aan lectuur. Terwijl verscheiden tekstuitgaven nieuwe kennissen, of oude bekenden in beter staat of gewaad, binnenleiden (Ferguut, Velthem's Spieghel Historiael, de Dramatische Poëzie, prozawerken enz.), terwijl het Middelnederlandsch en het Nederlandsch Woordenboek, hunne wegen vervolgende, het gebied, waar wij ons met den ouden Oudemans moeten generen, al meer doen inkrimpen, en terwijl wij in de blijde verwachting leven van een nieuw Etymologisch Woordenboek, vrucht van eigen bodem, zijn nu kort na elkaar nieuwe uitgaven verschenen van Stoett's ‘Middelnederlandsche Spraakkunst (Syntaxis)’ en van Franck's ‘Mittelniederländische Grammatik’. Twee heuglijke gebeurtenissen.

Franck's werk heeft sedert den eersten druk (1883) aan wetenschap en onderwijs, in Noord- en Zuid-Nederland en daarbuiten, zeer belangrijke diensten bewezen: reeds meer dan één geslacht gedenkt met erkentelijkheid wat het aan dit boek te danken heeft. De meeste beteekenis heeft het echter zeker wel voor diegenen gehad die, als de ondergeteekende, tijdens de eerste verschijning nog student waren. Inderdaad, hoe grondig wij te Leiden van onzen geliefden leermeester De Vries Middelnederlandsch, vooral wat woordverklaring en tekstcritiek betreft, geleerd hadden, hoe degelijk wij door Cosijn in het Oudgermaansch, bepaaldelijk in het Gotisch en het Angelsaksisch, door onzen ‘mahâguru’ Kern in het Sanskrit en de vergelijkende taalkunde onderwezen waren, tusschen de Mnl. philologie (in den ouderen, engeren zin des woords) en de historisch-vergelijkende Germaansche en Indogermaansche taalwetenschap bleef voor ons een kloof gapen, die alleen door een historische grammatica van het Neder-

[p. 300]

landsch, in de eerste plaats door een Middelnederlandsche klankleer, overbrugd kon worden. Zulk een boek, op de hoogte van den tijd, ontbrak. En de opsporing van hetgeen er dan nog van dien aard was werd aan onzen speurzin overgelaten; althans noch Verwijs' ‘Korte Midden-Nederlandsche Spraakkunst’ (achter in het 4de deel van de eerste uitgave zijner ‘Bloemlezing’, 1867)1), noch Martin's uiterst beknopte ‘Grundzüge der mnl. Laut- u. Formenlehre’ (in zijn Reinaert-editie, 1874) werd ons ter bestudeering aanbevolen. Middel-nederlandsche grammatica, en daarmede eigenlijk de geheele historisch-grammatische studie onzer taal, bleef een terra incognita. Zeker, enkelen wisten het, hun eigen weg zoekende, soms na eenig vallen en struikelen, ver te brengen; doch vele anderen verlangden hier hulp en steun. Voor mij althans - en ik ben stellig niet de eenige geweest2) - was de kennismaking met Franck's tijdschriftartikelen en met zijn Grammatik - eerst in 1882 als privatissimum te Bonn gehoord en opgeteekend, daarna in den aanvang van 1884 in boekvorm gelezen - niet veel minder dan een openbaring, die antwoord gaf op allerlei gerezen vragen, de toepassing vertoonde der methoden van grammatisch onderzoek, waaraan wij bij Cosijn met betrekking tot Gotisch en Angelsaksisch gewend waren geraakt, op het Middelnederlandsch dat wij bij De Vries hadden geleerd. Er kwam orde en verband in de ons bekende vormen, wij leerden de ontwikkeling onzer taal ook historisch-grammatisch verstaan.

 

In de 26 jaren, sedert den 1sten druk verloopen, heeft men in Noord- en Zuid-Nederland niet stil gezeten. Verscheiden Middelnederlandsche dicht- en vooral prozawerken zijn voor 't eerst of opnieuw uitgegeven. En daarnaast ontbreken de grammatische studiën - van de letterkundige hier nu eens afgezien - althans niet geheel. Bovenaan natuurlijk Van Helten's Middelnederlandsche Spraakkunst, vier jaar na Franck's boek in 't licht gegeven; dan Stoett's Middelnederlandsche Syntaxis (en Etymologie); verder J.H. Kern's grammatische bewerking van het Limburgsch en enkele kleinere opstellen van anderen. Waarnaast bovendien eenerzijds Van Helten's Oudfriesche en Oudnederfrankische en Gallée's Oudsaksische grammatische en lexicolo-

[p. 301]

gische geschriften, anderzijds de talrijke studiën over hedendaagsche Noord- en Zuidnederlandsche dialecten, in academische proefschriften, in tijdschriften e.e., genoemd moeten worden.

Wat echter helaas bij dit alles, ondanks Franck's gedurigen aandrang, nog steeds te veel gemist werd en wordt is de beoefening der middeleeuwsche dialecten, in hunne betrekking tot de toenmalige en de hedendaagsche schrijftaal, de studie van de handschriften, de klanken (vooral de rijmen), vormen en ook woorden der Dietsche en Duutsche auteurs en oorkonden, ten einde de taal, den stijl (en den versbouw) der verschillende gewesten en tijdperken en der voornaamste schrijvers eindelijk eens wat nader en zekerder te onderkennen en het gemeen schappelijke, algemeene van het bijzondere, gewestelijke of persoonlijke te onderscheiden. Hoeveel auteurs of werken of genres zijn op deze wijze aan een grammatisch, lexicologisch, stilistisch en metrisch onderzoek onderworpen? Een gansche reeks, in plaats van de zeer enkele bestaande monographieën, zouden - het dient met schaamte erkend - vereischt zijn, aleer wij den blik met eenige voldoening over dit gebied konden laten gaan. Het is waar dat onze Zuidnederlandsche taalgenooten, in wier gewesten het grootste en voornaamste gedeelte onzer middeleeuwsche letterkunde is opgesteld, in wier hedendaagsche volkstaal nog zooveel van dat oude Dietsch voortleeft, in dezen wel de eerstgeroepenen zijn (en zich trouwens in de laatste jaren niet onbetuigd laten1), al houden zij zich vooral bezig met de streng phonetische studie der moderne dialecten). Maar ook voor Noordnederlanders is, op eigen en op naburigen bodem, waarlijk genoeg te doen.

Hoe het zij, hetgeen er in dien tusschentijd gedaan is heeft Franck voor zijn nieuwen druk natuurlijk gebruikt en verwerkt. Het eerst en het meest Van Helten's Mnl. Spraakkunst; daarnevens vooral de Limburgsche Sermoenen, Sinte Lutgart - welk werk en welks auteur door Franck zelf grondig bestudeerd en in letterkundig opzicht gewaardeerd zijn2) - en de Spiegel der Sonden. Maar niet minder zeker dankt hij aan eigen voortgezette studie, waarvan de uitkomsten ten deele reeds gemeen gemaakt waren in zijne uitgave van Maerlant's Alexander (1882) en diens Strophische Gedichten (1898, samen met Verdam), in verschillende artikelen in ons Tijdschrift e.e., terwijl zijn Etymologisch Woordenboek (1892) hem inmiddels ook met andere

[p. 302]

gebieden en jongere tijdperken onzer taal in nadere aanraking had gebracht. Evenwel scheen het eenige jaren lang haast, alsof Franck aan de Nederlandsche taalstudie den rug had toegekeerd: wat van zijne hand verscheen had veelal betrekking op het Oudgermaansch in 't algemeen, het Oudsaksisch of het Middelnederduitsch. En toen hij eenige jaren geleden de hoofdredactie aanvaardde van een groot Rijnsch idioticon1), bekroop ons soms de vrees dat de vele beslommeringen, aan zulk een zwaarwichtige onderneming verbonden, hem geheel in beslag zouden nemen en voor Nederland verloren doen gaan. Intusschen blijkt nu zijne ten vorigen jare verschenen Altfränkische Grammatik, waarin hij (zelf te Bendorf bij Coblenz geboren) voornamelijk het Middelfrankisch (Ripuarisch- en Moezelfrankisch) behandeld heeft, niet alleen de vrucht der voorstudiën voor dat dialecticon te zijn geweest, maar tevens een voortreffelijke voorlooper van dezen herdruk zijner Middelnederlandsche grammatica, waarin nu telkens verschijnselen uit die zoo nauw verwante Middelfrankische tongvallen ter vergelijking aangehaald worden.

Zoodat wij ons thans weder verheugen in 't bezit van een Dietsche spraakleer, naar den eisch dezes tijds.

Inderdaad, het is en blijft een mooi, echt wetenschappelijk boek, waaruit ook het tegenwoordig geslacht van studenten (in den ruimsten, ook niet-academischen zin des woords) niet alleen de klanken en vormen van het Middelnederlandsch kan leeren, maar ook de methodische verklaring der feiten en betrekkingen uit het oudere tijdperk hunner moedertaal (immers de beste grondslag van alle historische taalstudie), in geregeld en innig verband met de uitkomsten der Oudgermaansche, Indogermaansche en algemeene taalwetenschap. Zij zullen er het Nederlandsch historisch leeren beschouwen als een Westnederfrankische taal, met ettelijke Sassische en Friesche (Anglo-Friesche, ‘Ingwaeoonsche’) bestanddeelen vermengd, en vanouds (immers sedert de aanraking der Salische Franken met de geromaniseerde Kelten), vooral in Vlaanderen, onder Franschen invloed staande. En wat paedagogisch van nog grooter gewicht is, zij zullen er leeren klanken en letters, gesproken en geschreven taal niet met elkaar te verwarren, maar behoorlijk te onderscheiden, onder of achter de letters de eigenlijke klanken te zien of te gissen, waarom het bij alle taalstudie (niet alleen, maar toch) allereerst te doen is. Zij zullen er ook - een gansch ander vraagstuk - een juist inzicht krijgen

[p. 303]

in het wezen van de altijd min of meer traditioneele en conventioneele, literaire schrijftaal (of eigenlijk: gewestelijke of individueele schrijftalen), zooals die zich, reeds in de middeleeuwen, hebben ontwikkeld. Maar zij zullen er eveneens leeren beseffen welk een macht reeds in de middeleeuwen de literaire traditie in spellen en in stellen had, en zóó gewaarschuwd worden tegen averechtsche voorstellingen, alsof toen in zaken van schrift, spelling, rijm, taal en stijl ieder scribent zijn eigen aard volgde, alsof wij in middeleeuwsch dicht en ondicht de onvervalschte natuurlijke taal des dagelijkschen levens konden aantreffen: een vrijheid, die eerst door de Renaissance aan banden en boeien gelegd zou zijn!1) Zij zullen oog krijgen voor de beteekenis van het accent, b.v. in het hoofdstuk over de syncope, apocope en inclinatie.2) De leerling zal in de Vervoeging nog telkens de overblijfselen van het Indogermaansche stelsel terugvinden. Daarentegen zal hij in de Verbuiging der znw. en bnw. een puinhoop zien, waarvan nog slechts enkele brokken duidelijk toonen in welk vak zij eens vastgezeten hebben, maar de meeste steenen, losgeraakt, geheel door elkaar liggen, veelal verbonden met stukken van gansch andere

[p. 304]

herkomst: een baaierd, waaruit een later geslacht van schrijvers en spraakkunstenaars voor onze schrijftaal, kunstig of kunstmatig, weder een nieuw eenvoudiger gebouw heeft opgetrokken. Bij de verbuiging der vnw. zal hem o.a. de gedurige wederkeerige invloed der beklemde en onbeklemde vormen treffen. Kortom hij zal, mits hij eenigen wetenschappelijken zin heeft, dit boek meer en meer leeren waardeeren en daardoor opklimmen tot belangstelling in, ja tot bewondering voor het samenstel en de historische ontwikkeling zijner eigene, en daarmede aller taal.

Die vormende kracht ontleent het boek zeker niet in de laatste plaats aan zijne inrichting, zijne bijeenstelling der zich bij verschillende klanken voordoende gelijksoortige verschijnselen: umlaut, monophthongeeringen, vocaalveranderingen door consonantische invloeden van medeklinkers, metathesis enz. Deze groepeering vestigt van meet af de aandacht op de krachten, die in eene taal alom werkzaam zijn, geeft inzicht in het onderling verband of althans de evenwijdigheid tusschen verschillende verschijnselen.1)

Deze indeeling en de geheele opzet zijn in den 2den druk onveranderd bewaard: zij zijn beproefd en deugdelijk bevonden. Het geheele boek is inderdaad een wel doordacht en doorwrocht geheel, welks deelen goed in elkaar sluiten, ook door de talrijke (in dezen druk nog telkens vermeerderde) verwijzingen.

Zeker heeft een andere verdeeling der klankleer, naar de verschillende (Middel- of Nieuw)Nederlandsche klanken, zooals die in Van Helten's Middelnederlandsche Spraakkunst en in Vercoullie's Schets eener historische grammatica der Nederlandsche taal gevolgd is, voor den leerling en den gebruiker onmiskenbare practische voordeelen. Doch nu de Anhang I bij de klankleer uit den 1sten druk van Franck's boek is om- en uitgewerkt tot een uitvoerig Register, is dit bezwaar zeker grootendeels ondervangen en kan ieder wat hij zoekt (en tevens de verwante verschijnselen er bij) spoedig en gemak-

[p. 305]

kelijk vinden. De didactische waarde wordt bovendien verhoogd door de heldere, bondige (voor Nederlandsche studenten soms wel wat al te beknopte) uiteenzetting en betoogtrant, den overzichtigen druk, de practische aanwijzing van inhoud en paragraaf boven de bladzijden enz.

Daarentegen heeft Van Helten's werk - gelijk aan alle gebruikers der beide boeken welbekend is - behalve het zooeven genoemde betrekkelijke, nog andere stellige voordeelen. Vooreerst maken de bijgevoegde verwijzingen naar een heerleger van bewijsplaatsen - hoe onaantrekkelijk, ja hoe verbijsterend die soms bladzijden lange paragrafen of zelfs zinnen, bestaande uit reeksen van vormen met verkorte titels en cijfers, er voor den student aanvankelijk ook mogen uitzien - voor den wetenschappelijken werker contrôle en voortgezet onderzoek mogelijk, terwijl zij bovendien aanstonds (althans wanneer men geleerd heeft de talrijke afkortingen te ontcijferen) inlichten over het gewest en het tijdperk, waarin de besproken klanken, vormen en woorden voorkomen. En ten tweede heeft Van Helten veel meer rekening gehouden met het jongere Middelnederlandsch vooral der 15de eeuw, met de Hollandsche geschriften in ondicht en dicht, die den schakel vormen tusschen het oudere, in hoofdzaak Vlaamsch-Brabantsche, gewone of ‘classieke’ Middelnederlandsch en het Brabantsch-Hollandsche Nieuwnederlandsch der 16de en 17de eeuw.

Inderdaad, dit gemis van citaten - slechts zeer zelden, hoewel in dezen tweeden druk iets meer dan in den eersten, verwijst Franck naar bewijsplaatsen van gewestelijke of anderszins ongewone vormen - en deze beperking tot het oudere Vlaamsch-Brabantsche Dietsch der 13de en 14de eeuw zijn wel de twee voorname schaduwzijden in Franck's boek, die hij trouwens in zijn voorbericht ook geenszins verheelt, maar verontschuldigt of verklaart deels uit plaatsgebrek, deels uit de onvoldoende bijzondere voorstudiën op het gebied der Mnl. dialectologie.

Wat nu het tweede punt betreft, natuurlijk heeft deze welbewuste beperking tot de min of meer classieke1), toongevende Vlaamsch-Brabantsche ‘schrijftaal’ der 13de en 14de eeuw (zie voorbericht en § 3) dit onloochenbare voordeel, dat zoodoende een betrekkelijke eenheid en evenredigheid verkregen en bewaard is in het taalbeeld, dat zich aldus ook gemakkelijker vast in 't geheugen prent dan wanneer hier een bonte verscheidenheid van vormen gegeven ware. Echter is het de vraag of deze toch min of meer willekeurige beperking niet

[p. 306]

een eenigszins onjuist beeld, immers een eenzijdige voorstelling geeft van de toch altijd maar betrekkelijke eenheid en uitbreiding (of kring van invloed) dier ‘schrijftaal’. In allen gevalle is het beeld van de middeleeuwsche taal dezer landen nu niet volledig. Niet alsof nooit van Mnl. dialecten of zelfs van het Friesch (b.v. 107) sprake ware; integendeel, in den tweeden druk zijn ook deze verwijzingen, mede door overneming uit Van Helten (met vermelding van diens naam), zeer toegenomen. Maar dit geschiedt toch slechts terloops, veelal ter vergelijking dier ‘dialectische’ vormen met het Mnl. Met het Limburgsch en het Oost-Brabantsch wordt niet geregeld rekening gehouden: Veldeke, dien F. toch zeker ook wel tot de Mnl. letterkunde rekent, wordt, naar ik meen, nooit, de Limburgsche Sermoenen zelden genoemd, meer de taal van het Leven van Sinte Lutgart. Hetzelfde geldt, in mindere mate, van het latere Vlaamsch-Brabantsch, hetzij dit inderdaad eenigen Hollandschen invloed ondergaan heeft, of slechts in talrijke Hollandsche handschriften zich aldus gekleurd aan ons voordoet, en vooral van het eigenlijke Hollandsch der 14de en 15de eeuw, dat wel af en toe genoemd wordt, maar toch steeds op den achtergrond blijft staan.1)

Zoogoed als geheel ter zijde gelaten is de taal der noordoostelijke Friesch-Sassische gewesten. Nu is het waar dat 1o. eigenlijk gezegde literatuur uit die gewesten uiterst schaarsch is (ofschoon dan toch de geschriften der moderne devoten en voorts kronieken en oorkonden

[p. 307]

vrij wat stof konden leveren), 2o. men kan twijfelen of die taal niet eer en beter tot het gebied van het Middelneder duitsch dient gerekend (en de naam ‘Oost middelneder landsch’ dus beperkt tot de zuid oostelijke, Oost neder frankische streekspraken.1) Maar, te recht of ten onrechte, die taal wordt nu eenmaal, met het oog vooral op de latere staatkundige en daardoor ook taalkundige ontwikkeling en samensmelting, gewoonlijk veelal tot ons Nederlandsch taalgebied gerekend (staat ook grootendeels eer bij Verdam dan bij Schiller-Lübben geboekt), en Nederlandsche geschied- en taalkundigen komen er telkens mede in aanraking. Daarom mogen vooral wij Noord nederlanders het betreuren dat Franck, die zich met het Middelnederduitsch geregeld bezighoudt - en die het zelf meermalen gegispt heeft dat Duitsche germanisten2) voor de hedendaagsche, staatkundige Nederlandsche grens (die in de middeleeuwen voor spreektaal noch schrijftaal dier gewesten bestond!) halt houden en de Nederlandsche dialecten en schrijftaal en wetenschap verwaarloozen - in zijn boek deze streken zoogoed als geheel en al buiten beschouwing laat. Het gevolg is nu in allen gevalle een gemis aan overeenstemming tusschen zijn Mnl. grammatica en het Mnl. Woordenboek, waarin b.v. pronominale vormen als oen(e) en sik, bij Franck nergens te vinden3), wel degelijk vermeld staan: deze beide werken bestrijken nu niet geheel hetzelfde gebied.

Ik weet wel dat tegen deze uitbreiding van het te bearbeiden gebied, behalve het bovengenoemde practische bezwaar van het plaatsgebrek, ook nog andere, meer principeele bestaan. Toch zouden althans de hoofdtrekken der zuid- en der noordoostelijke dialecten, in noten of met kleinere letter gedrukt, misschien het boek niet al te zeer bezwaard, en de eenheid van het beeld der oudere ‘Dietsche’

[p. 308]

schrijftaal1) niet merkelijk geschaad hebben, integendeel zelfs het karakter dezer laatste, door de tegenstelling, juist te meer hebben doen uitkomen.2) Liefst zou men dan in een aanhangsel, met kleine letter (in den trant van Anh. I der klankleer van den 1sten druk), uit de verspreide § § bijeengebracht willen zien alle eigenaardigheden der verschillende gewestspraken, op dezelfde wijze als Franck het zelf voor 't Limburgsch in Taal en Letteren VIII, 503-515 zoo overzichtig gedaan heeft. Een dergelijk overzicht (dat men nu uit Franck en Van Helten bijeen moet garen) der eigenaardigheden van het Limburgsch, Brabantsch, (West-)Vlaamsch3), Hollandsch en van de (voorshands niet nader te scheiden) noordoostelijke gewestspraken of schrijftalen zou, ondanks de talrijke vraag- en twijfelstukken die er stellig nog in zouden voorkomen, zulk een nuttige grondslag, ter uitbreiding en toetsing, opleveren voor het door Franck zelf altijd gevraagde détail-onderzoek van klanken en vormen.

Naast die telkens weer aanbevolen studie der hedendaagsche en middeleeuwsche dialecten uit grammatisch oogpunt blijft trouwens ook noodig een vergelijkend lexicalisch onderzoek. Er valt nog zeer veel te doen voor de ‘woordgeographie’, ter onderscheiding van den woordenschat der verschillende gewesten, vooral der zuidwestelijke tegenover de noordoostelijke, in hun geheel genomen. Telkens zal dan zeker blijken hoe de laatste, evenals op andere gebieden hunner geschiedenis, ook in dit opzicht toen nog nauwer verwant waren met de overige Friesch-Nedersassische (en Nederrijnsche)4), terwijl de zuidwestelijke, het Vlaamsch natuurlijk 't meest, onder Franschen invloed

[p. 309]

stonden, het Westvlaamsch bovendien nog op vele punten samenhing met de oude Anglofriesche buren over de zee.

In zeker verband met de zeer zelfstandige, overheerschende plaats, in dit boek aan de Vl.-Brab. ‘schrijftaal’ toegekend, staat het onophoudelijk, ronduit gezegd, mij bevreemdend gebruik van termen als ‘deutsch-fränk. (mittelfr. und niederfr.) Mundarten’, ‘Mittelfränk. und deutsch-N.fränk.’, ‘deutsch-Fränk.’, ‘benachbarte deutsche Dialekten’, ‘das Deutsche’, ‘deutsche Lehnform’, ‘deutscher Einfluss’, en daarnaast: ‘(östliche) Grenzmundarten, -dialecte’, ‘Grenzgebiete’, ‘die Grenze’: alles in al dan niet uitdrukkelijk genoemde tegenstelling met Nederland(sch). Dit gebruik kan m.i. niet anders dan de schier onuitroeibare averechtsche voorstellingen bestendigen en bevestigen van het desonkundig publiek (waartoe ook aankomende studenten behooren), alsof er in de eigenlijke middeleeuwen, reeds vóór den Bourgondischen tijd, in het tijdperk dus, waarover Franck's boek vooral handelt, inderdaad iets als een oostelijke ‘grens’ en een staatkundige of ook maar een taalkundige eenheid, genaamd ‘Nederland’, wel onderscheiden van ‘Duitschland’, geweest ware. En toch vinden wij, van het staatkundige hier nu afgezien, dunkt mij, niet veel meer of anders dan zekere West- en Oostnederfrankische en Nedersassisch-Friesche tongvallen, alleen in het Zuiden scherp begrensd door de Romaansche dialecten, in het Oosten geleidelijk overgaande in de overige, ten allernauwst verwante Oostnederfrankische, Middelfrankische en Nedersassische streekspraken, waaruit en waarboven zich in het Zuidwesten een schrijf- of literatuurtaal ontwikkelt, die buiten Vlaanderen en Brabant, ten oosten en ten noorden, wel eenigen invloed krijgt, maar toch nog niet genoeg om b.v. Limburgsche schrijvers zóó aan zich te assimileeren dat zij niet meer een overgang of tusschenstadium zouden zijn tusschen de Westmnl. en de Nederrijnsche schrijftaal; terwijl in het noordoosten daarentegen een soort van kanselarijtaal opkomt, die misschien nog ruim zooveel naar het oosten als naar het zuidwesten georiënteerd is, en verderop in ‘Duitschland’ ook niet ééne en dezelfde, maar verschillende literatuur- en kanselarijtalen naast elkaar, en dichter bij of verder van die Mnl. schrijftaal staan: alles toch kwalijk voldoende om het stellig gebruik van bovengenoemde termen te wettigen. Van een ‘grens’ naar het Oosten, naar de ‘Duitsche’ zijde kan immers eerst sprake zijn, wanneer zich in een staatkundig en maatschappelijk gebied één schrijftaal ontwikkeld heeft, die daar overal geldt en scherp gescheiden is van de ééne schrijftaal in een naburig (‘volksaardig’ en ‘volkstalig’ nog steeds nauwverwant, maar politiek gescheiden) land of gebied.

[p. 310]

Bovendien schijnen termen als ‘Duitsche invloed’ ook daarom gevaarlijk, omdat zij zoo vaag zijn en niet leeren onderscheiden tusschen den literairen, uiteraard plaatselijk, tijdelijk en maatschappelijk beperkten, noch diepgaanden, noch wijdstrekkenden invloed eener letterkundige schrijftaal, als b.v. die van de hoofsche Mhd. op de Hollandsche literatuurtaal der 14de en 15de eeuw (waaraan in § 3 m.i. nog steeds te veel gewicht wordt toegekend)1), en den rechtstreekschen oralen invloed van zuidoostelijke zoogenaamde ‘grens’-tongvallen, die op de volkstaal der naburige ‘Nederlanden’ zonder twijfel gewerkt hebben. Is het niet gevaarlijk vóór de 16de eeuw meer algemeene verschijnselen, niet beperkt tot den engen kring der schrijftaal van zekere auteurs, aan ‘Duitschen’ invloed toe te schrijven, als b.v. hier 217 (mnl. das mede < mhd. daz), 229 (selver mede < mhd. -er) geschiedt? Wanneer een man als Franck, die dit vraagstuk zonder twijfel ter dege overwogen en bepeinsd heeft, zich herhaaldelijk zoo uitdrukt, moet men wel aannemen dat hij hiervan een andere opvatting heeft, dat hij inderdaad de Mnl. schrijftaal in die mate als een afgesloten geheel beschouwt. Maar dan is het te betreuren dat hij die opvatting niet, in de inleiding van dit boek of elders, eens opzettelijk nader heeft uiteengezet. In allen gevalle echter durf ik betwijfelen of hij zich rekenschap heeft gegeven van de hier te lande op dit gebied nog steeds bestaande politiek-historische wanbegrippen, waaraan hij hierdoor, denkelijk meer dan hij zelf bedoelt, voet geeft.

Een andere eigenaardigheid van het boek is dat er zoo zelden, voor ons Nederlanders althans veel te zelden, gebruik is gemaakt van de gegevens der hedendaagsche, Nieuwnoordnederlandsche algemeene spreektaal of der Zuid- en Noordnederlandsche tongvallen, ter verklaring van verschijnselen der middeleeuwsche taal. Niet alweer alsof dit nooit geschiedt (zie b.v. 43 e.e.). Maar een Nederlandsch lezer denkt telkens aan analogieën uit onze tegenwoordige taal2), of hij zou uitvoeriger behandeling wenschen met het oog op de latere uitbreiding (of verdwijning) van het besproken verschijnsel.3)

[p. 311]

Toch is een en ander wel te begrijpen. De schrijver zal, van zijn standpunt te recht, zeggen dat hij 1o. geen historische grammatica van het (Nieuw)Nederlandsch heeft willen geven, maar zich tot het Middelnederlandsch bepaald heeft; 2o. als Duitscher in het Duitsch en in de eerste plaats voor Duitschers heeft geschreven.

Met het laatste hangt ook nog deze eigenschap samen, dat Franck weliswaar gewoonlijk van het Oudgermaansch uitgaat1), maar ook wel eens de verschijnselen beziet van het standpunt van, althans met het oog op het (Nieuw)Hoogduitsch (zie b.v. 25, 28, 29, 32); soms wordt dan ook iets dat ons, Nederlanders, zeer natuurlijk voorkomt, opzettelijk gestaafd en verklaard (en daardoor ons eigen besef daarvan verhelderd), doch wat een Duitscher vanzelfsprekend, ons daarentegen vreemd dunkt niet of nauwelijks vermeld. Daargelaten nu dat deze wijze van voorstelling, zeker tegen des schrijvers uitgesproken bedoeling2), aan Duitsche lezers den indruk zou kunnen geven (zelfs onder Duitsche philologen treft men soms nog wonderlijke denkbeelden hieromtrent aan!), alsof het Nederlandsch ook thans toch eigenlijk, zoo al niet een ‘dialect van 't Hoogduitsch’, dan toch geen zelfstandige nationale schrijf- en literatuurtaal, alsof het Hoogduitsch toch de eigenlijke norm ware, heeft de bovengenoemde geringe aandacht, aan het jongere, Hollandsche Mnl. en Nnl. geschonken, voor ons Nederlanders vooral dit nadeel, dat (zooals reeds hierboven is aangeduid) de ontwikkeling van het Vl.-Brab. Mnl. tot de (Brab.-) Holl. schrijftaal en de Holl.-Nnl. spreektaal der 16de, 17de en latere eeuwen hier niet aanschouwelijk gemaakt of althans voorbereid wordt. Ik weet wel dat ook dit een zeer omvangrijk en ingewikkeld vraagstuk is, dat zeker niet door één man in één boek opgelost, en dat ook eigenlijk niet tot de taak van dezen schrijver gerekend kan worden. Maar dat het boek van Van Helten hiertoe allicht meer bijdraagt dan dat van Franck dient dan toch erkend; ook dat dit niet alleen het gevolg zal zijn van Franck's welbewust verschillend standpunt en bedoeling.3)

[p. 312]

Ik zou nu nog kunnen aanwijzen op welke punten deze tweede druk gewijzigd en verbeterd is. Zooals reeds gezegd is, zijn ingrijpende veranderingen onnoodig gebleken en is de inrichting en verdeeling ongewijzigd gebleven; slechts enkele verschikkingen zijn aangebracht. Maar hoe tal van paragrafen bijgewerkt en uitgebreid zijn, hoe ook dit boek inderdaad een ‘neubearbeitete Auflage’ mag heeten, blijkt reeds uit de vergelijking van den omvang van den eigenlijken tekst in beide drukken (159 > 196 blz.). De vele ‘vrienden van het boek’ (gelijk men in het Duitsch zoo gemoedelijk zegt) zullen zich verheugen dezen vertrouwden, beproefden raadsman, met nog rijper ervaring maar in wezen en gedaante onveranderd, terug te zien. Wie veel met het boek heeft omgegaan zal menigmaal vragen en toevoegsels, in margine van den 1sten druk aangeteekend, in den nieuwen beantwoord en aanwezig vinden. Telkens ook is scherper onderscheiden; zoo zijn b.v. de voorwaarden voor analogieformatie vaak nader getoetst.1)

Het zou niet wel mogelijk en ook nutteloos zijn hier al wat veranderd, verduidelijkt, uitgebreid of ook geheel nieuw is op te sommen. Als voorbeeld wil ik slechts op enkele paragrafen wijzen, die, vergeleken met den 1sten druk, er geheel anders uitzien: de diphthongeeringen en monophthongeeringen (5, 25-31, verg. 53 en 54: ie en oe worden nu als reeds (weer) enkelvoudige klanken, î als misschien reeds op den weg der diphthongeering2) beschouwd); de beteekenis der spellingen g en gh, sc en sch (9: thans te recht als zuiver orthographisch in herkomst en beteekenis opgevat); vocaalveranderingen ten gevolge van het accent, syncope, apocope, vooral de inclinatie (17-22, verg. 89: omgewerkt naar F.'s onlangsche Academie-verhandeling); umlaut (32-35); vocaalveranderingen vóór w (62)3); de betrekking tusschen o en u, tusschen û (ü) en ie (71-73); praet. als leefde, vraechde (88 Anm.: F. is nu door Kern jr. overtuigd); uitval van intervocalische d (115, 5; toch zou ook hier een Nederlander, met het oog op het Nnl., allicht nog meer wenschen); paragogische t (116, 4); de perfectiveering met ghe- (121); de a-declinatie (173-174);

[p. 313]

-scap (186); de verbuiging der eigennamen (194-195)1); de verbuiging der bnw. (196); de enclitische vormen van het pers. vnw. (210: afzonderlijk opgegeven, doch niet meer als oorspronkelijke vormen zonder h- opgevat); enz. enz.

Natuurlijk zijn er ook tal van paragrafen en punten, waar het onderzoek intusschen niet verder is gekomen, oude vraagteekens zijn blijven staan of nieuwe noodig gebleken zijn. Ook zou de een licht dit, de ander dat uitvoeriger behandeld willen zien. Maar ik zou zeer ongaarne, gansch tegen mijn bedoeling, door nog meer wenschen te uiten, den indruk maken niet zéér dankbaar te zijn voor al hetgeen Franck ons in dezen nieuwen druk wederom geschonken heeft. Daarvoor hebben wij, Nederlandsche philologen, te vele en te groote verplichtingen aan hem!

Ten slotte zijn de leesproeven achter de grammatica niet alleen van 57 tot 67 blz. uitgedijd, maar ook eenigszins anders samengesteld.2) Het proza heeft een grooter aandeel gekregen; overigens is, evenals in den eersten druk, meer op de taal- dan op de letterkundige waarde gelet, vermoedelijk ook met het oog op ‘Seminarübungen’. Voor Nederlandsch, althans Noordnederlandsch gebruik zou men ook hier gaarne de taal der noordoostelijke gewesten vertegenwoordigd gezien hebben; maar achter dit boek, zóó ingericht als het nu is, zou dit natuurlijk kwalijk passen.

Het glossarium, in den eersten druk uitgebreid tot een algemeen beknopt handwoordenboekje, is hier, nu Verdam's door Franck terecht geroemde ‘gesegnete Arbeitskraft’ ons zijn Woordenboek reeds tot halverwege S- geschonken heeft, weer beperkt tot de woorden, voorkomende in de hier gegeven stukken (64 > 21 blz.).

Het getal drukfouten is zeer gering, de letter duidelijk, het papier deugdelijk, de linnen band stevig. Moge het boek in zijn nieuwe gedaante evenveel nut stichten als tot dusverre.

Noordwijk aan Zee, Augustus 1910.

J.W. Muller.

1)Johannes Franck, Mittelniederländische Grammatik mit Lesestücken und Glossar. Zweite, neubearbeitete Auflage. Leipzig, Chr. Herm. Tauchnitz, 1910. (XII, 295 blz., geb. M. 10. -).
1)Aan welken verdienstelijken voorganger F. zelf meer lof en waardeering schonk dan hem hier te lande ten deel is gevallen: zie Mnl. Gramm. (1ste druk), Vorwort.
2)Zie b.v. hetgeen Verdam mededeelt in het Levensbericht van Eelco Verwijs (Levensber. v.d. Mij. d. Ned. Lett. 1879/80) 35-36.
1)Ik denk hierbij aan de studiën van Lecoutere, Geurts e.a.
2)Zie zijn verhandeling: Eine literarische Persönlichkeit des XIII. Jahrhunderts in den Niederlanden, in de Neue Jahrb. f.d. klass. Altert., Gesch. u. deutsche Lit. 1904 I (Bd. XIII, 6).
1)Zie zijn opstel: Das Wörterbuch der rheinischen Mundarten, in de Westdeutsche Zeitschr. f. Gesch. u. Kunst 1908, I.
1)Men zie b.v. wat Franck schrijft over de beteekenis van eene al of niet zuiver historisch-grammatische dan wel phonetische spelling als rr in de comparatieven, in 't algemeen van de dubbelschrijving der medeklinkers, die later alleen een ‘graphisch teeken’ is (§ 103-104); over regelmatige grammatische spellingen als ghehadt en hadt (113 Anm. 1; 114, 4); elders over het ‘grammatisch besef’; over ‘hyperschriftsprachliche’ vormen (eigenlijk ‘graphies inverses’) als kastijden enz. en vooral vlieden, zooals F. deze vormen nu, met Van Wijk, te recht verklaart (116, 1 Anm. 1); over een mogelijk opzettelijk behoud van een adverbialen vorm ver-re, waaruit dan verde (116, 1 Anm. 2); over de verklaring van jongere vormen (nom.-acc.) gelijk conste, gloede, als ‘im gegensatz zu ihr’ (t.w. der Apocope) ‘in pedantischer Sprache bevorzugte Formen mit -e’ (185: eveneens ‘graphies inverses’ dus); over de waarschijnlijke uitbreiding in de schrijftaal, buiten hun eigenlijk gebied, van de pronominale vormen soe (212, en das (217): alles voorbeelden der min of meer bewuste inwerking van schrijvers of sprekers op de taal (natuurlijk eerst de schrijftaal, pas daarna en daardoor soms, en in de middeleeuwen zeker nog in veel beperkter mate dan thans, ook op de min of meer beschaafde spreektaal), welke inwerking in den laatsten tijd niet zelden nagenoeg geheel en al verwaarloosd of zelfs geloochend pleegt te worden.
2)Soms zou men met het accent nog meer rekening gehouden wenschen te zien. De a van alénde b.v. is m.i. niet de oude a van germ. ali- (33), maar veeleer de jongere, protonische, die vooral in vreemde woorden zoo vaak ontstaat (verg. 19 Anm.). Ook bij de ingelaschte (meest pro- of posttonische) n's en s's in 116, 6 en 7 schijnt het accent wel een rol te spelen.
1)Niet geheel zonder gevaar (al wordt ook dit stellig vaak overdreven) voor de juiste voorstelling der zaken in het ontvankelijk brein der leerlingen zijn misschien zulke uit een oudere periode overgebleven beeldsprakige uitdrukkingen als: ‘die Sprache’ (hier het Hoogduitsch) ‘hat auch den ursprünglich rein mechanischen Vorgang mit einer gewissen Ueberlegung als grammatisches Bildungsmittel verwandt’ (32), ‘dass die Sprache in diesen verwickelten Verhältnissen auf genanere Flexion verzichtete und die schon verschiedene Kasus vertretende Form auf -e verallgemeinerte’ (199), of elders: ‘die Sprache liebt es -’; evenzoo: ‘der Ausgleich drang erst durch, als er den umgekehrten Weg einschlug’ (138, waar de 1ste druk, iplv. er nog: man heeft).
1)Franck spreekt zelfs meer dan eens van ‘gut Mnl.’ (b.v. Vorwort): een ietwat bedenkelijke term.
1)Enkele voorbeelden. De apocope eener slot-e na een onbeklemde lettergreep heeft, behalve na klinkers en in ettelijke (met name genoemde) partikels, geen plaats, ‘in der jüngeren Periode aber wird sie allgemein’ (21, 7): het classieke Mnl. omstandig uiteengezet, de jongere taal der 14de en 15de eeuw, bij wijze van aanhangsel, even genoemd. - Emmer, nemmer zijn de gewone Mnl. vormen (67), d.w.z. de Vlaamsch-Brabantsche, (n)ummer wordt elders (55) genoemd, als jonger-Mnl. - De Hollandsche spelling o iplv. oe vóór labialen en gutturalen (ropen, soken enz.), die kennelijk een anderen klank aanduidt, is veel gewoner en meer verbreid dan men uit het alleen noemen der Rotterdamsche keur (30) zou opmaken. - Bij de wisseling tusschen a en e voor r + mkl. (46, 65) is toch stellig rekening te houden met de omstandigheid, dat in het latere Hollandsch der 16de en 17de eeuw ar beslist overheerscht (hart, hartog, darde, barsten enz.; zie trouwens hierover Van Wijk in Tijdschrift XXVI, 33 vlgg. enz.). - De spelling (en klank) ei iplv. (74) is in het jongere Westvlaamsch der 16de eeuw (b.v. bij Cornelis Everaert) vrij wel regel. - De belangrijke afwijking van het Limburgsch van het Westneder-frankische type in vormen als macde (magd́e) iplv. maecte wordt alleen bij de assimilatie der medeklinkers in de flexie (113 Anm. 2), niet bij 't zwakke praeteritum (154) vermeld.
1)Ik zwijg van de eigenaardige kanselarijtaal dier streken, die allerlei Nedersassische, Nederrijnsche en ook Hoogduitsche invloeden vertoont.
2)Niet het minst de medewerkers aan het Korrespondenzblatt van den Verein für niederdeutsche Sprachforschung, waarin men telkens en telkens weer opstellen onder de oogen krijgt, die bij raadpleging van het Mnl. of van het (naar 't schijnt daar geheel onbekende) Ned. Wdb. belangrijk verbeterd of bekort of ook geheel achterwege gelaten hadden kunnen worden.
3)Evenmin als b.v. de zuid oostelijke vormen hon, hun, henne (ook poss.) enz. Zoo ook is dwele niet alleen in Limburg bekend geweest (33), maar mede in Utrecht, alwaar ook de umlaut van â (greve) vroeger thuis gehoord schijnt te hebben (39). De in 41 Anm. 1 en 2 besproken verlengingen van klinkers vóór dubbele medeklinkers als cht, st doen denken aan thans te Utrecht gehoorde vormen als grãch(t), vãst, plãnk enz., met circumflecteerenden toon.
1)Vaak genoeg (b.v. 31, 33, 123, 143, 217) uitdrukkelijk als zoodanig tegenover de ‘dialecten’ gesteld.
2)Zoo had men bij de monophthongeeringen (25-27) allicht gaarne omstandiger uiteengezet of scherper uitgedrukt willen zien, dat in de zuidoostelijke, Brabantsch-Limburgsche tongvallen de oude ai en au in bepaalde gevallen in de middeleeuwen (en nog steeds) ei en ou luiden, in tegenstelling met west-mnl. (wvl.) ee en oo, en dat in het Brabantsch bovendien vóór een oude heterosyllabische j zeer zelden monophthongeering plaats heeft, welk verschijnsel toch zeker wel in eenig verband staat met de in diezelfde zuid- (en noord)oostelijke tongvallen vanouds bestaande klankwijziging (umlaut) van lange klinkers, waarvan in 39 sprake is.
3)Ook de Anglo-Friesche (Ingwaeoonsche) eigenaardigheden zou men gaarne bijeengebracht zien: zie 2, 56, 118 (waarom is hier niet even op meng i-, y- en het geheel wegvallen, eveneens in de noordengelsche dialecten, van het praefix gewezen?), 127 (?), 209 enz.
4)Bevreemdend is, in dit gewag, ‘scheinen’ in § 3 (blz. 3, r. 10).
1)Ook Van Helten trouwens noemt (blz. 436) een vorm als sich ‘Hollandsch’, waar het toch voor de middeleeuwen stellig juister, voorzichtiger ware van ‘Hollandsche schrijftaal’ te gewagen.
2)B.v. bij 172 Anm. 1 aan een assimilatie als ons een heele mooie stem, bij 200 Anm. 2 aan vormen als een goud horloge, bij 198, 206 aan mijn oud(e) huis, bij 207 Anm. 1 aan een vorm als dikwijlser.
3)Als in 176 de mann. meervoudsvormen op -s, in 179 het onz. mv. op -eren en -ers, in 52 Anm. 2 vormen als schuieren met -uier- < -uur-, in 35a overoude vormen als brigge (ook te Dordrecht) en breg(ge), pet enz. in latere tongvallen, in 64 dach voor doch (verg. zaansch nag voor nog), in 99 de Brabantsche klankwettelijke vorm ven(ne) (ook als geslachtsnaam) naast het Holl.-Friesch(?) ve̅ne > veen, in 189 het nwvl. genaân, in 82 naast wecken-wrecken ook vormen als Writsaert (< Guichard), wriemelen, schrokken, schrossen, schran sen, die de bewering van 82 Anm. wel wat boud doen schijnen enz.
1)Al maakt de schrijver veel minder gebruik van de Onfr., Os. en Ofri. (gestaafde en onderstelde) vormen dan men zou verwachten en soms wenschen.
2)Zie 7 en trouwens ook hierboven, blz. 309-310.
3)Zie zijn Vorwort.
1)Al schijnt het voorbeeld der ie-praet. van houden, heffen, beseffen, scheppen alleen, ter verklaring van stierf enz. (138), en de verklaring van (des) te < de (217) uit ‘Anlehnung’ aan te (nimis) mij nauwelijks afdoende.
2)Hier zou. men gaarne iets meer over het beloop dier diphthongeering van î, ü̂ en û en over de parallelie dezer processen vernomen hebben (zie nu F.'s opstel in Tijdschr. XXIX).
3)Waarom staan de verspreide opgaven over den bewaarden u (oe)-klank, door u voorgesteld, niet bij elkaar: zie 5 (2), 62, 72 (5), 209 e.e.?
1)Over het (licht misverstaan) ME. gebruik van slechts één voornaam met bijgevoegden vaders- en grootvadersnaam spreekt noch Franck noch Stoett; zou een historicus dit niet bij een van beiden vermeld en verklaard willen vinden?
2)Toegevoegd is o.a. een tweede brok uit den Reinaert. Voor beide stukken heeft F. het nieuwe hs. reeds hier en daar in de varr. gebruikt, doch zonder een eigenlijk critischen tekst te geven. Ten onrechte wordt in 't eerste stuk op vs. 118 als lezing van f niet sculen, maar luscen opgegeven: dit laatste is een conjectuur van Van Helten. Waarom F. hier niet de spelling van hs. a volgt, dat geregeld ee (ê) van e () onderscheidt weet ik niet.
prepostterug  begin  verder