terug  begin  verderprepost
[p. 273]

Over leenwoorden.

Een leenwoord is een woord, dat door een taal is overgenomen, anders gezegd ‘ontleend’ uit een andere taal: ziedaar een waarheid, waartegen weinig is in te brengen, een waarheid (zoals onze Nederlandse taal het zo plasties uitdrukt) als een koe. Een even grote waarheid is het, dat de uitdrukking ‘een taal neemt een woord over van een andere taal’ slechts een werkformule is voor: ‘een groep van mensen, die eenzelfde taal spreken resp. schrijven, neemt van een andere dergelijke groep mensen een woord over,’ - maar deze waarheid wordt niet door allen voldoende erkend: hoevelen toch zijn er, niet alleen onder de leken, maar ook onder de filologen, die, wanneer ze horen zeggen, dat bijv. het woord lawn-tennis of korter tennis in 't eind der 19de eeuw uit het Engels of het woord kasteel in de Middeleeuwen uit het Frans is ontleend, overtuigd zijn, dat ze die meedeling volkomen begrijpen, maar er zich nooit rekenschap van gegeven hebben, dat ‘het Frans’, ‘het Engels’ en ‘het Nederlands’ niet tot handelen, tot geven of ontvangen in staat zijn. Substitueren we nu voor de taalnamen de volksnamen en zeggen we, dat ‘de Nederlanders’ van ‘de Engelsen’ resp. ‘de Fransen’ de woorden lawn-tennis en kasteel hebben overgenomen, dan is er een aanleiding tot misverstand opgeheven, maar toch niet elke aanleiding. Vooral bij 't eerste van de genoemde voorbeelden valt ons dat gemakkelik op. Hebben heus ‘de Nederlanders’ het woord ontleend? Neen, een klein kringetje van Nederlanders, in de eerste plaats sportmensen, daarna heren en dames die tennissen uit modezucht of voor hun genoegen, ten slotte de vele Nederlanders, die het spel wel eens zien of er veel over horen spreken enz. Maar er zijn nog altijd massa's Nederlanders, die nooit van ‘tennis’ gehoord hebben of als ze dit al hebben, niet hebben begrepen, wat het woord betekende en dat het een in de Nederlandse taal gebruikelik woord was.

Dit eenvoudige voorbeeld toont ons, dat we bij het probleem der woordontlening steeds moeten letten op de vele groep-talen, die zovele schakeringen zijn van ‘het Nederlands’, ‘het Duits’ enz. Hoe weinig aandacht wordt in onze taalkundige geschriften vaak aan die

[p. 274]

groeptalen geschonken! Een gunstige uitzondering maakt o.a. Van Lennep's ‘Vermakelijke Spraakkunst’, in welker ‘Inleiding’ er expresselik op gewezen wordt, hoe wij naast elkaar ‘Beschaafd Nederduitsch’, ‘Voorzangers-Nederduitsch’, ‘Koffyhuis-Nederduitsch’ enz. moeten onderscheiden evengoed als ‘Ciceroniaansch Latijn’, ‘bastaard-Latijn’, ‘monniken-Latijn’, ‘potjes-Latijn’.

Als wij deze waarheid uit het oog verliezen, kunnen we nooit begrijpen, op wat wijze woorden ontleend worden en op hoe reusachtige schaal woordontlening plaats heeft. Immers met dit verschijnsel hebben wij niet alleen dan te doen, wanneer ‘het Nederlands’ of ‘het Duits’ of ‘het Kaffers’ e. dgl. meer een woord uit ‘het Engels’ e. dgl. overneemt, maar ook wanneer een groep Nederlands sprekende personen aan een andere dgl. groep of wanneer een dialekt of - wat veel meer voorkomt - een sociale groep van mensen aan de niet geheel nauwkeurig, maar toch met een zekere nauwkeurigheid te omlijnen taal, die ‘algemeen-beschaafd’ of ‘algemeen-Nederlands’ heet, woorden of uitdrukkingen overdoet.1) De voorbeelden zijn maar voor 't grijpen. Wanneer in de kring van de kappersbediende, die mij pleegt te scheren, sedert enige tijd het woord dineren voor eten in de plaats is gekomen, is dit een geval van woordontlening uit een andere groeptaal. Een ander voorbeeld: In verschillende dialekten, waar de intervokaliese d klankwettig verdwijnt, vormt het woord vader een schijnbare uitzondering; in het door Van Weel beschreven2) West-Voornse dialekt is ook de vokaal niet klankwettig (ā voor ǣ); naar ik meen opgemerkt te hebben, komt in 't tegenwoordige Amsterdams de vorm vader meer en de vorm vaer minder voor, dan in de taal van Bredero's Robbeknol: al die verschijnselen wijzen op ontlening van de ‘algemeen-beschaafde’ vorm vader door de volkstaal, waarschijnlik uit de kerk- en katechisatietaal. Laat ik terloops nog herinneren aan de gymnasiasten, die studentetermen gebruiken, de klerken, die de taal van hun superieuren nadoen; verder zal ieder zelf zoveel van dgl. groep-ontleningen kunnen bedenken als hij wil. Als we het vocabularium van onze ‘algemeen-beschaafde’ taal eens woord voor woord onderzochten, dan zouden we ons verbazen over het vergelijkenderwijs geringe aantal woorden en uitdrukkingen, dat regelrecht van geslacht op geslacht is overgegaan zonder dat ontlening 't zij uit een niet-Nederlandse taal 't zij uit een groep-taal waar-

[p. 275]

schijnlik is of vaststaat. Voorlopig noem ik enige voorbeelden van de laatste soort, over ontlening uit niet-Nederlandse talen komen we nog te spreken: de ‘Vermakelijke Spraakkunst’ noemt ouwe heer voor ‘vader’ een term van het ‘Koffyhuis-Nederduitsch’; nu is het een algemeen-Nederlands woord, in de ogen van een kleine minderheid van mensen nog enigszins suspekt. - Het mul. schōle ‘troep, schaar’, o.a. ‘school vissen’ is in de laatste betekenis in het algemeen-Nederlands blijven voortleven: een ontlening uit de visserij-taal. - Boom ‘stok om een schuit voort te bomen’ is hetzelfde woord als boom ‘arbor’. De grondbetekenis was ‘de groeiende’, in het Oerwestgermaans, waarschijnlik reeds in 't Oergermaans had het woord (*bawwəma-z) de betekenis ‘arbor, Baum’, in de Nederlandse schipperstaal ging men het, waarschijnlik in de latere Middeleeuwen, met een zeer speciale techniese betekenis1) gebruiken en met die betekenis kent het nog zowel het schippers- als het algemene Nederlands. Wanneer men lange artikels als boom, arm, hoorn in het Nederlands woordeboek doorleest, zal men een massa betekenissen aantreffen, die zulke woorden in verschillende groeptalen hebben aangenomen, en in vele van die betekenissen zijn ze van algemene bekendheid in de ‘beschaafde’ taal.

Wanneer we nu overgaan tot wat men in engere zin ‘woordontlening’ pleegt te noemen, namelik het overnemen van woorden door het Nederlands, Frans, Engels en andere van die ‘talen’ in de alledaagse opvatting van dat woord uit andere dergelijke ‘talen’, dan moeten we ons daarbij steeds voor ogen houden hetgeen in het kort hierboven besproken is: immers deze soort van woordontlening is alleen te begrijpen, als we er goed van doordrongen zijn, dat elk van die zogenaamde ‘talen’ gesproken wordt door veel heterogene groepen van mensen, die ieder hun eigen vocabularium er op na houden. Die verschillende vocabularia stemmen tot zekere hoogte overeen, maar niet geheel. Geen twee mensen hebben een volkomen gelijke woordeschat, maar toch zullen personen, die in één omgeving leven of gemeenschappelike bezigheden hebben, in vergelijking tot andere groepen van mensen een grote homogeniteit in het woordgebruik vertonen. Wanneer nu een woord uit een vreemde taal in ‘het Nederlands’2) ontleend wordt, dringt het eerst door in de taal van een klein krin-

[p. 276]

getje mensen en wordt dan verder door andere mensegroepen of door de ‘algemene taal’ overgenomen. Voorbeelden kan ieder vinden zoveel als hij wil: men behoeft daarvoor slechts een lijst van leenwoorden door te zien en zich bij elk afzonderlik woord af te vragen, door wat voor mensen het het eerst gebruikt zal wezen. Ik stel me nu met enige voorbeelden tevreden: lawn-tennis. Zie hierboven. - baadje. Was oorspronkelik alleen in gebruik bij bewoners en oudbewoners van onze Oost. 't Komt uit het Maleis.1) - boot. Is reeds in de Middeleeuwen uit het Engels ontleend.2) Het zal natuurlik 't eerst door zeevaarders resp. scheepsbouwmeesters of scheepsbouwkundigen gebruikt zijn. - kater ‘katterigheid’. Ik aarzel niet dit woord tot de ‘algemene taal’ te rekenen, ofschoon ik het in Van Dale4) (1898) niet vind en ofschoon voor enige jaren een leraar in het Nederlands aan een H.B.S., met wie ik mij onderhield, bleek in een ‘morele kater’ niets anders te kunnen zien dan een ‘zedelike mannetjespoes’. Het Duits kent in dezelfde betekenis Kater. Hier is het een oorspronkelik oostmiddelduitse vorm voor Katarrh, die ± 1850 in de Duitse studentetaal is gedrongen.3) Het Nederlandse woord komt blijkbaar uit 't Duits. Of 't 't eerst in de taal van de studenten dan wel in die der Duitsland bereizende handelsmensen in gebruik is gekomen, waag ik niet uit te maken. Het eerste komt mij het waarschijnlikste voor. - peer. Ongeveer 800 uit het Latijn overgenomen, wellicht door de bemiddeling van Benediktijner monniken; deze toch hebben voor de ontwikkeling van de tuinbouw in de Germaanse landen veel gedaan, - zoals men bij Seiler4) kan nalezen. Daarmee is niet gezegd, dat dit en dergelijke woorden een tijdlang door de Benediktijnen over het hele Duits-Nederlandse gebied gebruikt zijn en door de andere mensen eerst later; maar in de streek, waar de pereboom het eerst is ingevoerd, zal de naam de eerste tijd wel in een beperkte kring van kloosterlingen en mensen, die met hen veel in aanraking kwamen, gebruikt zijn. - Het woord bisschop was vóór de afscheiding van de Angelen en Saksen van de overige Westgermanen, dus vóór het midden der 5de eeuw verbreid over het hele Westgermaanse gebied.5) Deze vóór de invoering van het Chris-

[p. 277]

tendom ontleende Christelike term is beslist oorspronkelik door een kleine groep van mensen ontleend, die hem dan weer aan andere groepen overdeden. Natuurlik hebben we bij een dgl. woord ook geleidelike geografiese verbreiding aan te nemen, maar in elke nieuwe streek, waar het ingang vond, zal het wel niet onmiddellik bij alle bewoners zijn bekend geraakt.1)

In het biezonder dient gesproken te worden over de zgn. ‘geleerde ontleningen’. De naam behoeft, zou men zo zeggen, geen nadere kommentaar: ‘geleerde ontleningen’ zijn woorden, die door bemiddeling der geleerden of liever der intellektuëlen in een taal zijn ontleend. De naam wordt evenwel op verschillende kategorieën van leenwoorden toegepast, die niet geheel met elkaar gelijk te stellen zijn. Als er gesproken wordt over de woorden, die, voordat er nog van een Franse, Italiaanse, Spaanse taal sprake is, uit het Latijn of uit een op 't Vulgairlatijn teruggaand Romaans dialekt zijn overgenomen, onderscheidt men gewoonlik tussen geleerde ontleningen en volks-ontleningen. De eerste gaan op de Latijnse vormen terug, zoals die in intellektuële kringen werden geschreven en gesproken, de tweede

[p. 278]

op de vormen van een of ander Romaans dialekt. Zo veronderstelt bijv. wgerm. *biskupa-, -opa-, ndl. bisschop een Romaanse vorm met anlaut bi, terwijl oudiers epscop op het Latijnse episcopus teruggaat. In dit geval blijkt de oorsprong der ontleende woorden uit hun vorm, in andere gevallen staat deze beide opvattingen toe: oudhoogduits choh, ndl. kok kan een vroege ontlening uit lat. cocus (= coquus) zijn, maar ook van een romaanse vorm met korte ŏ komen; angelsaks. cóc gaat waarschijnlik op lat. cocus terug, dat in het Middeleeuwse Latijn met gerekte o gesproken werd; echter is ontlening uit een dialekt, waarin rekking (of eventueel een kwalitatieve verandering) had plaats gehad, wegens de vorm niet geheel onmogelik.1)

Bij de hier besproken groep van ontleningen hangt het al-of-niet-gebruiken van het epitheton ‘geleerd’ af van de taal, waaruit ze ontleend zijn, niet van de groep van personen, die ze ontleende. Een niet-geleerde ontlening uit een Romaans dialekt kan even goed als een direkte ontlening uit het Latijn het eerst in een intellektueel milieu in gebruik zijn geweest: zo kan een kring van geesteliken, die zowel voor de verbreiding van het Christendom als voor de verbetering van de ooftbouw veel gedaan heeft, best een kerkelike term uit het Latijn en de naam van een vrucht uit het dialekt van Romaans sprekende tuiniers hebben overgenomen: beide termen kunnen dan verder in de algemene taal gekomen zijn.

In andere gevallen gaat de boven gegeven definitie: ‘geleerde ontleningen zijn woorden, die door bemiddeling van intellektuëlen zijn ontleend’ beter op. Zo zijn de ndl. woorden zich en niks beide uit het Duits in het Nederlands gekomen; bij het eerste woord twijfelt niemand er aan, bij het tweede woord, dat 1. eerst na de Middeleeuwen doordringt ('t is niet te verwachten, dat een woord van deze betekenis een paar eeuwen in een taal bestaat en zich overal, zelfs in door weinig ontwikkelde mensen afgeschreven gebedeboekjes en devote traktaten zorgvuldig schuil houdt), 2. als echt Nederlandse vorm niet, als oorspronkelik Duitse vorm zeer goed begrijpelik is, is nauweliks een andere opvatting mogelik. Nu is echter de vorm zich in de meeste streken van ons land geen volkswoord - men zegt hem of z'n eigen -, in de Middeleeuwen komt het nog zelden voor,2) maar o.a. komt het voor bij de ‘geleerde’ en Duits kennende Geert Grote, in zijn

[p. 279]

uit het Latijn vertaalde Getijden: zich is een geleerde ontlening, wellicht meer dan dat: een opzettelike ontlening, ten einde in het Nederlands een equivalent te verkrijgen voor lat. se naast eum, Duits sich naast ihn. Niks echter is in de meeste streken van ons land een volkswoord, ook in de beschaafde taal is het zeer gewoon, hoewel men het niet pleegt te schrijven en het - mede hierdoor - in 't oog van sommige ‘deftige’ Nederlanders een vulgair tintje heeft: niks is een niet-geleerde ontlening, wellicht vooral door Duitse soldaten, die in ons land dienden, verbreid.

En wat voor geleerde ontleningen dringen nu in onze tijd door in de Nederlandse taal? Wij leven in een periode van vroeger ongekende specialisering der wetenschappen. Iedere wetenschap heeft haar eigen internationale terminologie en die verschillende terminologieën lopen zo belangrijk uiteen, dat een gestudeerd persoon gewoonlik van de vakwoorden, die in de dissertaties van zijn vrienden-niet-vakgenoten voorkomen, weinig of niets snapt. Het is niet waarschijnlik, dat de meeste van zulke woorden ooit in de algemene taal zullen doordringen, in zoverre het niet de namen zijn van voorwerpen of verrichtingen, waarmee het grote publiek op den duur bekend wordt. In zoverre laten zich deze geleerde ontleningen vergelijken met de vele Franse woorden, die in de rederijkersgedichten en in de brieven van de 16de en 17de eeuw voorkomen, maar nooit algemeen Nederlands zijn geworden.

Toch is het aantal geleerde ontleningen, dat wel in de algemene taal doordringt (niet, of veel later, in de plattelandsdialekten!) in het Nederlands van nu evenals in de taal van alle kultuurvolken [NB. Ook dit woord is een ontlening resp. vertaling uit het Duits] enorm groot en de ontlening gaat vlugger en gaat op groter schaal dan ooit te voren. Dat hangt samen met het internationale karakter van de tegenwoordige kultuur zelf. ‘Innerhalb der Kulturvölker’ - zegt Mauthner1) terecht - ‘.... ist trotz Nationalhass und Geldgier, trotz religiöser Gegensätze und ewiger Kriegsgefahr doch etwas wie eine geistige Einheit entstanden, die einer Universalität des Denkens oder der Sprache zum Verwechseln ähnlich sieht.... [Es gibt] für die Weltanschauung der abendländischen Kulturvölker und Amerikas eine Gemeinsamkeit der Seelensituation, die trotz der Verschiedenheit der Mundarten oder Sprachen zu einer Internationalität geführt hat. Namentlich die Seelensituation der Grosstädter aller Völker ist auf

[p. 280]

den Gebieten des Wissens gemeinsam.’ Niet alleen dat allerlei nieuwe uitvindingen zich in een ogenblik verbreiden over de hele kultuurwereld, hetzelfde geldt van geestelike stromingen en van wereldbeschouwingen. Natuurlik beantwoordt aan het internationale element van de hedendaagse kultuur een internationaal element in de talen der kultuurvolken. Hierbij is het snelle en op grote schaal plaats hebbende verkeer van invloed, maar meer nog de journalistiek. Vlugger dan in de latere Middeleeuwen, de tijd van de ‘Moderne devotie’, een groot aantal woorden en zegswijzen uit vreemde talen via de kringen van Ruusbroec, Geert Grote e.a. in de taal van grotere groepen van Nederlanders en ten dele ook in de algemeen-beschaafde taal - voorzover daarvan in die periode sprake kan zijn - doordrongen (zowel langs de weg van schriftelike als van mondelinge overlevering), veel vlugger neemt nu onze taal - en evenzo elke andere kultuurtaal - massa's nieuwe woorden en uitdrukkingen op, die later voor de geschiedvorsers een onschatbaar instrument zullen wezen voor het bestuderen van de ‘Sachen’, die al deze ‘Wörter’1) hebben te voorschijn geroepen: 't zijn vooral de kranten en periodieken, die voor de popularisering van alle nieuwe wetenschap en voor de vlugge verbreiding ook van de ‘woorden’, die op de ‘zaken’ betrekking hebben, zorg dragen.

Wanneer we hier van ‘leenwoorden’ spreken, is dit woord in een ruime betekenis op te vatten; hetzelfde geldt trouwens ook voor andere ‘geleerde ontleningen’: we rekenen er ook de zgn. ‘Lehnübersetzungen’ toe: invloed = mlat. influxus, hd. Einfluss, fr. influence, russ. wlianie en stem in de betekenis van eng. vote, = fr. voix, hd. Stimme, russ. golos zijn evengoed internationale leenwoorden als bijv. aviatiek, telefoon, elektries: slechts noemen we gewoonlik alleen de laatste kategorie ‘leenwoorden’, en de eerste ‘vertalingen’.2) De ene taal geeft vaak de voorkeur aan vertalingen, waar de andere het vreemde woord overneemt, maar in zulke gevallen hebben we gewoonlik met een opzettelik purisme te doen, zo bijv. wanneer Duitsers het woord Fernsprecher voor ‘telefoon’ en Nederlanders het woord aangezichtskaart of prentbriefkaart voor het uit Ansichtskarte verkorte en blijkbaar voor ons taalgevoel gemakkeliker dan de genoemde vertalingen verduwbare ansicht gebruiken.3)

[p. 281]

Woordontlening uit een vreemde taal, vooral als die op grote schaal plaats heeft, gaat gewoonlik door de bemiddeling van een aantal mensen, die in een of ander opzicht een groep vormen: een sociale groep of een groep van vakgenoten. Met een dergelijke woordontlening door middel van een groep-taal hebben we ook te doen, wanneer twee naties door hun politieke betrekkingen in nauw kontakt met elkaar komen en de ene dan ook op de taal van de andere invloed heeft. Dit is slechts een speciaal geval van de ontlening van woorden enz. tengevolge van kultuurinvloeden: de politieke betrekkingen - vooral heb ik hier 't oog op afhankelikheidsbetrekkingen - doen alleen de ontlening wat vlugger gaan. Wie zijn in dit geval de bemiddelaars, wie zijn het, die het eerst het vreemde tot hun eigendom maken? De twee-taligen. Trouwens ook in zeer veel andere gevallen zijn dit de tussenpersonen. Zo zijn de talrijke Latijnse kerk-termen in de Germaanse talen het eerst gebruikt door geesteliken en monniken, die èn Latijn èn Duits kenden. De Latinismen en Germanismen in de terminologie der ‘moderne devotie’ zijn bij ons door personen geïmporteerd, die Latijnse en Duitse geschriften lazen, eventueel ook die talen spraken. De vele Franse woorden der konversatie-taal, die soms ook in de onderste lagen der samenleving doordringen, werden oorspronkelik slechts gebruikt in kringen, waar men Frans sprak en verstond, de Engelse sporttermen zijn door Engels kennende sport-mensen en journalisten bij ons algemeen bekend geworden.1) Het Latijn, vooral het Latijn der ontwikkelde Romeinen heeft een belangrijke invloed

[p. 282]

van het Grieks ondergaan: ‘Die politische Uebermacht hatte Rom, die culturelle Ueberlegenheit Griechenland. Die vornehmen Römer lernten Griechisch, und durch diese Griechisch verstehenden Römer sind griechische Lehnwörter, namentlich solche, die der wissenschaftlichen Litteratur und der feineren Lebensführung entstammen, in die lateinische Sprache übergeführt worden’. Aldus Windisch.1) Deze wijst ook, waar hij over de Germaanse woorden in het Frans spreekt2), op de getuigenissen van oude schrijvers, waaruit blijkt, dat een niet onbelangrijk aantal van de Gallies-Romaanse bewoners van Frankrijk de taal van de Germaanse overheersers kende: uit de taal van deze tweetaligen stammen die leenwoorden. In dit laatste geval zijn de politieke betrekkingen in de eerste plaats de aanleiding tot de ontlening geweest: immers van een hogere kultuur der Germanen kan in de vroege Middeleeuwen geen sprake zijn. Trouwens terecht wijst Windisch er op,3) dat het een onjuiste opvatting zou wezen, ‘dass alle Lehnwörter nur culturhistorisch irgendwie bemerkenswerte Dinge beträfen’, en even verder citeert hij deze woorden van H. Schuchardt4): ‘Häufig Gehörtes wird leicht angenommen; ich erinnere z.B. an das im Deutschen eingebürgerte franz. allons. Mit dieser Häufigkeit verbindet sich vielfach ein innerer Vorzug des Fremdsprachlichen, der wiederum auch allein zu entscheiden vermag: Kürze, Wohlklang, Anklang der äusseren, Schärfe, Phantasie, Humor der inneren Form.’

Natuurlik zijn de kondities voor het overnemen van dgl. woorden, die niet met kultuur-ontleningen in verband staan, het gunstigst, als er een vrij groot aantal tweetalige mensen zijn. Wanneer dat eeuwen achter elkaar zoo doorgaat, dan kan de woordeschat zo'n reusachtige verandering ondergaan als bijv. die van het Armeens, een wat flexie aangaat typies-Indogermaanse, in meerdere punten ouderwets-Indogermaanse taal, maar met een kleine minderheid van van ouds overgeërfde Indogermaanse woorden,5) - in de eerste plaats tengevolge van de eeuwenlange onderworpenheid aan Iraanse overheersers. Een dergelijke substituering van vreemde elementen voor eigen taalmateriaal heeft in een andere Indogermaanse taal, namelik het Albanees plaats gehad: Gustav Meyer's etymologies woordeboek dezer taal

[p. 283]

bevat1) ongeveer 5140 ‘Schlagworte’, waarvan 1420 van Romaanse, 540 van Slaviese, 1180 van Turkse, 840 van Nieuwgriekse oorsprong, terwijl van 730 de oorsprong niet was na te gaan en slechts 400 als ‘indogermanisches Erbgut’ konden worden verklaard. We krijgen hier de indruk van een revolutie, maar dat is slechts schijn: we nemen slechts het resultaat waar van een eeuwenlange ontwikkeling, die samenhangt met een eeuwenlange twee- resp. meertaligheid van een groot aantal Albanezen.

Om ten slotte nog een voorbeeld te ontlenen aan het Nederlands: wij zullen bij het grote aantal woorden, dat in de Middeleeuwen uit het Pikardiese Frans2) in het Vlaams en Brabants en daarna verder overgenomen is, wel niet moeten denken aan een langzaam voortdringen van hoeve tot hoeve, van dorp tot dorp, van stad tot stad, maar veeleer aannemen, dat een vrij grote kring van Vlamingen en Brabanders ook met het Pikardiese Frans vertrouwd waren, tengevolge van politieke en verkeersbetrekkingen tussen beide taalgebieden.

 

Het onderwerp ‘leenwoorden’ is zo uitgebreid, dat men er lang over kan spreken, zonder in het verste verschiet een eindpunt te zien. Ik heb mijzelf beperking bevolen en daarom ook als bovenschrift ‘over leenwoorden’ en niet ‘leenwoorden’ gekozen. Een zeer volledige behandeling van een belangrijk deel onzer Nederlandse leenwoorden bezitten we sinds 1906 in Salverda de Grave's ‘De Franse Woorden in het Nederlands’.3) Ik veronderstel dit werk bij mijn lezers als bekend en daarom heb ik gepoogd, mijn onderwerp zo te behandelen, dat ik hun ook na de lektuur hiervan nog wat nieuws gaf. Natuurlik echter zijn er raakpunten, ja meer dan dat: ik herhaal wel eens wat men in Salverda de Grave's onderzoekingen reeds vroeger gevonden had. Zo spreekt deze ook over datgene wat in het middelpunt van onze beschouwingen stond: het bestaan van groep-talen en hun betekenis voor de woordontlening (pag. 110 vlgg.: Graad van ontlening); over de ‘Oorzaken van ontlening’ en de daarvan door sommigen onvoldoende onderscheiden ‘Aanleidingen tot ontlening’ handelt hij heel uitvoerig, blz. 117-126: opzettelik heb ik over de daar besproken zaken weinig of niets gezegd.

[p. 284]

Aan het voorafgaande voeg ik nog een enkele opmerking toe; wij verlaten daarbij het speciale gebied der leenwoorden: trouwens de leenwoorden-kwestie of liever de vele kwesties, die zich aan de leenwoorden vastknopen, zijn niet te scheiden van andere taalkwesties en in een ruimer verband komen we op de leenwoorden terug.

Eerst een enkel woord over ‘vreemde woorden’.

In Duitse geschriften van onze dagen wordt vaak onderscheiden tussen ‘Lehnwörter’ en ‘Fremdwörter’. Ik citeer de definitie die Hirt in zijn Etymologie-handleiding1) geeft: ‘Man unterscheidet heute im gelehrten Sprachgebrauch Lehn- und Fremdwörter, indem man unter Lehnwörtern die Worte versteht, die vollständig in unsern Sprachgebrauch aufgenommen und eingedeutscht sind, während man mit Fremdwörtern deutlich erkennbare Entlehnungen bezeichnet.’ Terecht voegt hij er bij, dat deze onderscheiding geen essentiële is en dat het vaak zeer onzeker is, tot welke klasse een woord te rekenen is. Vraag maar eens aan verschillende mensen, tot welke kategorie ze gymnasium, rector, fagot, meeting, bureau, fameus, akkuraat rekenen, en de antwoorden zullen nog al uiteenlopen. Wanneer iemand de vraag stelt, of een of ander woord, bijv. uitbuiten, een germanisme is, dan zal hij ontdekken, dat zo'n vraag een uiterst goed middel is, om de gedachtewisseling levendig te houden.2)

Wanneer we ook nu niet uit 't oog verliezen, dat iedere kring van mensen zijn eigen taal heeft, dan kunnen we in een ‘vreemd woord’ ook nog heel wat anders zien: een ‘vreemd woord’ kan tegelijk een van ouder tot ouder Nederlands woord zijn. Als ik op z'n ouderwets-Amsterdams geen andere vogels ken, dan duifies en finkies, dan zijn specht, zwaluw ‘vreemde woorden’ voor mij; ik weet dat het de namen van vogels zijn, maar geen enkele nauwkeurige voorstelling knoopt zich aan de klank van de woorden vast. Nog ‘vreemder’ zijn voor een stads-mens woorden als beug, breel, vleet; hij zal misschien weten, dat het termen der Nederlandse visserstaal zijn, maar verder strekt zich veler wetenschap niet uit. Als ik eens naga, welke woorden voor mij niets ‘vreemds’ hebben, dan moet ik van mijn vocabularium een groot aantal typies Nederlandse woorden schrappen, en ik zal anderzijds merken, dat talrijke woorden, die volgens de boven

[p. 285]

naar Hirt gegeven definitie ‘Fremdwörter’ zijn, voor mij absoluut geen ‘vreemde woorden’ zijn; de woorden etymologie, syntaxis, dekoratief, gestileerd vormen wezenlike elementen van zijn woordvoorraad, de woorden beug, vaars, lisdodde zijn klankgroepen, welker betekenis ik niet met enige nauwkeurigheid kan omschrijven.

De vocabularia der meer ontwikkelde mensen van onze tijd zijn zeer sterk afwijkend van elkaar: wanneer twee stadsmensen met elkaar bevriend zijn, gelijke werkkring en liefhebberijen en in verband daarmee een in vele punten overeenstemmende woordeschat hebben, kan het toch zeer goed zijn, dat de een een natuurvriend is en een goed opmerker van de diere- en plantewereld en dat de ander deze eigenschappen mist: dan zal de ene vriend toch een massa woorden op zijn repertoire hebben, die voor de ander ‘vreemde woorden’ zijn.

Hoe primitiever de levenskondities van een maatschappij zijn, des te gelijkvormiger is ook de levenswijze der individuen en de omvang van hun geestelike horizon: ook hun vokabulaar zal ‘einheitlicher’ zijn; wel zal de een, die beter spreekt dan de ander, in zijn verhalen en meedelingen meer woorden tot zijn dispositie hebben, maar in veel mindere mate dan in onze kultuur-wereld zal de ene buurman met woorden vertrouwd zijn, die voor de ander ‘vreemde woorden’ zijn. Wanneer we een woordelijst als de Gelders-Overijselse van Gallée of de Noord-West-Veluwse van Van Schothorst opslaan, zullen we daarin grotendeels woorden en uitdrukkingen vinden, die ‘men’ ‘algemeen’ in die streken gebruikt. - Zeer opvallend is die homogeniteit van de taal in Rusland. Hoe vaak hoort men daar van een uitdrukking zeggen, dat ‘het volk’ dat zo zegt! ‘Het volk’, dat is: iedere persoon van de boerestand over hele gouvernementen! In Toergenew's roman ‘Now'’ (‘Onontgonnen grond’) hoofdstuk 25 poogt de aristokraat Sip'agin ‘d'une voix rustique’ enige typiese volksuitdrukkingen ten beste te geven; soms vergist hij zich, want hij kent de volkstaal niet: ‘de volkstaal’ van de om zijn homogeniteit door de sociologiese auteur G. Oespenskij met een school vissen vergeleken boerebevolking.

Schijnbaar zijn we heel ver van ons onderwerp ‘woordontlening’ afgedwaald: inderdaad echter zijn we nu aan het terrein gekomen, dat de taalstudie der toekomst zal moeten doorvorsen, wil ze eenmaal het diepste wezen der ‘woordontlening’ leren doorgronden. Immers de moeilikste en gewichtigste vraag is niet: Hoe ontleent een natie woorden uit de taal van andere natieën? Of: Hoe neemt een onderling tot zekere hoogte homogene groep mensen woorden van een dergelijke groep over? Maar wel: Hoe gaat het in zijn werk, wanneer binnen

[p. 286]

een dergelijke groep een woord zich verbreidt? Willen we op die vraag een antwoord zoeken, dan levert onze eigen samenleving een slecht materiaal op met haar talrijke groep-talen, met haar niet te overziene verscheidenheid van maatschappelike raakpunten tussen de individuen, met haar hierdoor veroorzaakte sterke differentiëring der individu-talen, met haar voortdurende wisselwerking tussen groep-taal en volksdialekt en algemene taal; hier hebben we met zoveel omstandigheden rekening te houden, die we onmogelik kunnen elimineren; en dat zou toch nodig zijn, wilden we een voorstelling er van krijgen, hoe wat het woordgebruik aangaat de verhouding is van het individu tot de menigte.

Laat ik weder een voorbeeld ontlenen aan Toergenew's reeds genoemde roman, ditmaal aan het 27ste hoofdstuk. Hierin komt een gesprek voor tussen een boerevrouw en een jonge man en vrouw, die de hogere kringen waarin ze tot nog toe verkeerden verlaten hebben en willen leven onder het volk en voor het volk; van zulke mensen waren er veel in die dagen (± 1870-1880). Als de jonge vrouw tracht duidelik te maken, wat haar idealen zijn, antwoordt de boerin: ‘Zo, komaan! Wel, nu weet ik het. Jullie zijn van die mensen, die willen opròstitsa (‘zich vereenvoudigen’)’ en als de andere zich verbaast over dat in deze betekenis nog nooit door haar gehoorde woord, krijgt ze de nadere explikatie: ‘Ja -, zo'n woord hebben we tegenwoordig. Met 't eenvoudige volk, wil 't zeggen, gelijk-op leven. Opròstitsa.’ In korte tijd heeft het woord zich bij massa's mensen, bij het volk van hele streken verbreid. Hoe komt dat? Het antwoord ligt voor de hand: omdat men het nodig had en het een natuurlike Russiese formatie is. Zeer juist, maar door dat antwoord hebben we nog niet het rechte inzicht gekregen, hoe zo'n woord zich verbreid heeft; het moet door één individu het eerst gebruikt zijn, maar noch bij dit woord noch bij enig ander jong woord kunnen we nagaan, hoe het - geleidelik, maar vaak, zoals in 't hier besproken geval, gaat het zeer vlug - van individu op individu is overgegaan en een alledaags woord in de omgangstaal van velen geworden. Dat ontleningsproces van individu op individu is evenals elke taal-verandering een sociologies-psychologies proces, welks wezen wij nog niet doorgronden1)

[p. 287]

en dat toch de toekomst eens zal moeten doorgronden, wil zij van taalgeschiedenis een helder begrip hebben. Immers elke verandering in welke taal ook is een symptoom van de invloed, die het ene individu op het andere heeft en waaraan allengs hele gemeenschappen van mensen worden onderworpen. Elk nieuw woord, 't zij het uit een andere taal wordt ontleend, 't zij het volgens de in een taal heersende woordvormingswetten gemaakt wordt, 't zij het van onzekere formatie is (zoals ons fiets), verbreidt zich in de taal, waar het in gebruik komt, van persoon op persoon, evenzo iedere nieuwe syntaktiese eigenaardigheid; evenzo ook staat het met de wijzigingen in de aksentuatie en met de klankwetten. Ook al zijn we in staat een klankwet foneties te verklaren, ook al hebben wij begrepen, dat de ene eigenaardigheid van betoning een andere te voorschijn roept en hoe de klankwetten weer van betoning afhankelik zijn, dat alles doet ons nog niet het diepste wezen van de aksent- en klankwetten begrijpen. Daarvoor is een juist inzicht in de psychiese verhouding van de mens tot zijn medemens en tot de samenleving zijner medemensen nodig en dat juiste inzicht is, voorzover mij bekend is, nog niet verkregen.1) Wil men het verkrijgen, dan is de beste weg het bestuderen van meer primitieve, meer homogene maatschappijen dan de onze, waar we niet van zoveel ingewikkelde omstandigheden moeten abstraheren, om de mensen als elkaars gelijken naast elkaar te zien. Moge het aan de taalwetenschap der toekomst nog eens gegeven zijn, in deze richting werkende tot het gewenste resultaat te komen, d.w.z. tot een meer afdoende verklaring, dan nu mogelik is, van de taalhistoriese verschijnselen, waarvan dat der woordontlening ongetwijfeld een der allerbelangrijkste is!

N. van Wijk.

1)Vgl. vooral A. Meillet, Comment les mots changent de sens. L'Année Sociologique, IX (1905-1906), Paris, 1906, blz. 1-38, speciaal blz. 20 vlgg.
2)M.A. van Weel. Het dialect van West-Voorne, Leiden, 1904.
1)Of deze e.a. techniese betekenissen (ten dele reeds mnl.; zie Verdam, Mnl. Handwdb.) op een reeds algemeen-mnl. betekenis ‘stok, staak’ teruggaan, is verre van zeker.
2)Hetzelfde geldt natuurlik voor ontlening in ‘het Frans, het Duits, het Spaans’ enz.
1)Vgl. bijv. J. te Winkel, Pauls Grundriss I2, 920.
2)Vgl. bijv. H. Kern, Tijdschrift voor ndl. taal- en letterkunde, 17, 237.
4)F. Seiler, Die Entwicklung der dentschen Kultur im Spiegel des deutschen Lehnwortes, II2, Halle, 1907, blz. 35 vlgg. De tweede druk van deel I verscheen in 1905.
3)F. Kluge, Zeitschr. f. deutsche Wortf. 5, 262.
4)F. Seiler, Die Entwicklung der dentschen Kultur im Spiegel des deutschen Lehnwortes, II2, Halle, 1907, blz. 35 vlgg. De tweede druk van deel I verscheen in 1905.
5)Vgl. A. Pogatscher Zur Lantlebre der griechischen, lateinischen und romanischen Lehnworte im Altenglischen [Quellen und Forschungen zur Sprach- und Culturgeschichte der germanischen Völker, 64], Strassburg (London), 1888, passim.
1)Er zijn woorden, die uit een vreemde taal ontleend zijn en waarbij we vooral of uitsluitend met geografiese uitbreiding te doen hebben: dat komt duidelik uit bij woorden, die in volksdialekten zijn overgenomen. Zo komt in Nederlandse dialekten, in het Fries en als ik mij niet vergis ook op Nederduits gebied een woord krek, krekt voor (W. Dijkstra's Friesch Woordenboek vertaalt krekt met ‘nauwkeurig, nauwlettend, net, juist’), dat uit Frans correct ontleend is, misschien via de beschaafde ndl. konversatie-taal, misschien ook niet. In ieder geval heeft het zich onder de boerebevolking verbreid zonder dat wij hierbij sociale of andere groepen moeten onderscheiden, afgezien van het huisgezin en geografiese groepen: blijkbaar heeft dit woord iets in zijn klank gehad wat het voor de verbreiding geschikt maakte. Een zeer interessant geval is het adjektief gans, dat zich allengs van het Opperduitse taalgebied uit verbreid heeft (vgl. H. Möller, Zeitschrift für deutsches Altertum 36, 326-356) en behalve in het Middel- en Nederduits ook in het Nederlands, Skandinavies, Litaus en Oudpruisies gedrongen is. Wat was er in dit woord, dat het voor zo'n gebied-uitbreiding geschikt maakte? Ik stel me tevreden met een verwijzing naar Schuchardt's woorden op blz. 282 en verder verzoek ik, deze gevallen van geografiese uitbreiding, waarbij we dikwels geen rekening hebben te houden met sociale e. dgl. groeptalen, in de gedachte te houden met 't oog op de diepere problemen, die blz. 285 vlgg. ter sprake komen.
1)Vgl. E. Sievers, Zum angelsächsischen Vocalismus, Leipzig, 1900, blz. 12 vlg.
2)Zie Van Helten, Middelnederlandsche Spraakkunst, blz. 436 vlg., Verdam, Mnl. Wdb. s.v., Franck, Mittelniederl. Gramm. 2, blz. 177.
1)F. Mauthner, Die Sprache [Die Gesellschaft. Heransgeg. v. Martin Buber. Bd. IX], Frankfurt a.M., 1906, blz. 42 vlg.
1)Zie A. Kluyver in de lopende jaargang van dit tijdschrift, blz. 171-178.
2)Mauthner t.a.p. blz. 55 vlgg. handelt vrij uitvoerig over de ‘Lehnübersetzungen’: een lezenswaardig hoofdstuk.
3)Op m.i. zeer goede gronden veroordeelt Seiler in de inleiding tot zijn blz. 276 noot 4 genoemde boek een dgl. purisme, - zonder echter anderzijds een overdreven liefde voor wat men wel ‘verbastering der moedertaal’ noemt aan de dag te leggen. Zeer hinderlik is ook een dgl. purisme in wetenschappelike taal: een eeuwige ergernis zijn mij steeds de ontelbare vertaalde grammatiese termen in Poolse en Russiese taalkundige geschriften: heus die barbaarse vertalingen van adjectivum, verbum, infinitivus e. dgl. maken de taal veel onnatuurliker dan de ontleende Latijnse woorden. Trouwens, voor ons Nederlands geldt hetzelfde: niet alleen voor de vreemdelingen, die Nederlandse geschriften lezen, maar ook voor onze eigen schooljeugd zou het gewenst zijn, als we de vreemde termen gebruikten en niet die monstra aantonende wijs, naamwoord, deelwoord, voornaamwoord enz., die desnoods, als men zich van hun betekenis tracht rekenschap te geven, nog allerlei wanbegrippen in de wereld kunnen brengen. In dergelijke geest laat zich K. Brugmann, Germanisch-romanische Monatsschrift 1, 210 vlg. uit.
1)Over tweetaligheid als aanleiding tot woordontlening vgl. E. Windisch, Zur Theorie der Mischsprachen und Lehnwörter, Berichte über die Verhandlungen der königlich sächsischen Gesellschaft der Wissenschaften zu Leipzig. Philologisch-historische Klasse, 49. Band, 1897, blz. 101-126.
1)t.a.p. blz. 115.
2)t.a.p. blz. 109 vlg.
3)t.a.p. blz. 116.
4)Slawo-Deutsches und Slawo-Italienisches, blz. 37.
5)A. Meillet, Esquisse d'une grammaire comparée de l'arménien classique, Vienne, 1903, blz. 108: ‘Le nombre des groupes de mots arméniens qu'on peut avec quelque vraisemblance considérer comme étant d'origine indoeuropéenne ne va pas à quatre centaines.’
1)Blijkens blz. IX der ‘Vorrede’.
2)Vgl. J.J. Salverda de Grave, Tijdschrift voor ndl. taal- en letterkunde, 15, blz. 172-219, 16, blz. 81-104.
3)Verhandelingen der Kon. Akad. v. Wetensch. te Amsterdam. Afd. Letterkunde. Nieuwe Reeks. Dl. VII. Amsterdam, 1906.
1)H. Hirt. Etymologie der neuhochdeutschen Sprache [Handbuch des deutschen Unterrichts, herausgeg. v. Dr. A. Matthias, IV, 2], München, 1909, blz. 88.
2)Over germanismen vgl. K. Veenenbos in dit tijdschrift, 3, 190-201, 225-239.
1)Vgl. H. Schuchardt, Sprachgeschichtliche Werte. Στρωματεις. Grazer Festgabe zur 50. Versammlung deutscher Philologen und Schulmänner, Graz, 1909, blz. 155-172. Een uitermate lezenswaard artikel, al verklaart de schrijver ook, dat hij zelf over de kwesties, die er in behandeld worden, nog niet tot klaarheid is gekomen, hoewel ze hem lange jaren hebben beziggehouden.
1)Vgl. Schuchardt t.a.p.M.i. met volle recht beschouwt Van Ginneken, Principes de Linguistique psychologique, Paris-Leipzig-Amsterdam, 1907, blz. 465, de verklaring, die Paul van de klankwetten gaf, als een surrogaat van een bekentenis van onvermogen. Maar Paul begreep toch best, dat de moeilikheid hem zat in de verhouding van mens tot mens, van mens tot mensegroep. En wanneer Van Ginneken de ‘dernière et complète explication’ der klankwetten in het ‘jeu combiné de nos principes d'automatisme psychologique sur toutes les qualités des phonèmes du langage, disons sur nos cinq sortes d'accent’ zoekt, dan geloof ik, dat we voor ‘leur dernière et complète explication’ beter doen ‘leur explication partielle’ te substitueren dan komt mij Van Ginneken's these aannemelik voor: een volledige verklaring heeft echter met meer faktoren dan de psychologie van 't individu rekening te houden. - In de intussen verschenen 4de druk van de ‘Prinzipien der Sprachgeschichte’, Halle, 1909, blz. 61 vlgg. behandelt Paul het onderwerp even weinig afdoende als vroeger.
prepostterug  begin  verder