terug  begin  verderprepost
[p. 252]

Boekbeoordelingen.

Taal en Maatschappij. Openbare Les bij de opening van zijn lessen als privaat-docent in de Engelse Taal en Letterkunde aan de Rijksuniversiteit te Utrecht, de 4de Junie 1909 gehouden door Dr. E. Kruisinga. - Utrecht 1909.

Al te lang heb ik Dr. Kruisinga op de hem beloofde bespreking zijner ‘Openbare Les’ laten wachten. ‘Taal en Maatschappij’ heet ze. ‘Taal en Beschaving’ zou zeker juister zijn; maatschappij zegt toch te veel en te weinig. Maar ook het woord beschaving is te oprecht, te ongerept, te immaculaat zou ik willen zeggen, voor zoo'n dooreenmengeling van dekadentie en evolutie als onze moderne kultuur te aanschouwen geeft, want Dr. Kruisinga mag zeker waarschuwen tegen een minachting der beschaafde taal, maar toch is er niet alles rozenkleur en maneschijn! Kultuur is wat onzijdiger, en heeft een klein bijsmaakje. Taal en kultuur zou dus misschien nog de beste naam zijn.

Want Dr. Kruisinga wil onderzoeken, welke veranderingen een moderne Europeesche taal doormaakt, als zij van plaatselijk plattelandsdialekt tot gemeenschapstaal wordt tusschen de verstrooide elementen der klasse van beschaafden over een heel land; m.a.w. hij zoekt naar de verschillen tusschen onze min beschaafde Europeesche dialekten, en onze meer beschaafde algemeene omgangstalen en tracht dat onderscheid uit de min of meer beschaafde mentaliteit der sprekers te verklaren. Het materiaal levert hem vooral het Engelsch, maar ook het Nederlandsch.

En als verdere gezichteinder zweeft hem daarbij de gedachte voor: dat dit onderzoek de inleiding en de propaedeuse moet worden voor de vergelijkende studie tusschen de talen der onbeschaafde volken en de onze. Welnu, deze laatste gedachte is diepwaar en fonkelnieuw. De hemel gave dat elk boek over taal er zoo één bevatte!

De uitwerking dezer gedachte is evenwel niet zoo verdienstelijk als men na dien opzet zou verwachten.

[p. 253]

Wat over den woordenschat gezegd wordt is te algemeen, te kort en te duister om waarde te hebben. Hier had Kruisinga juist op den inhoud der begrippen in moeten gaan, om te toonen hoe de dialektwoorden meestal een veel minder komplexe beteekenis hebben, dan de termen der beschaafdentaal. Ik heb dit in de Juli-aflevering van ‘De Nieuwe Taalgids’ breeder uitgewerkt en hoop dat Dr. Kruisinga bij een komende gelegenheid deze leemte zal aanvullen met een overvloed van fijn geschakeerd materiaal. Juist op dit gebied toch belooft de studie der onbeschaafde talen zoo ontzaglijk veel voor de ontwikkelingsgeschiedenis van den menschelijken geest.

Bij de bespreking van den woordvorm behandelt Kruisinga eerst den invloed van de spelling op de beschaafde uitspraak. Goed, maar niets nieuws. En voor de talen der onbeschaafde volken slechts heel zijdelings van belang. Zie mijn Principes § 25 en § 17.

Van meer belang is de dekompositie van samenstellingen. Terwijl in de dialekten de samenstelling reeds als een ondeelbare eenheid gevoeld wordt, hellen er de kultuurmenschen zoo licht toe over, hun door nadenken gewonnen taalanalyse ook in het dagelijksch gebruik te volgen: een samengesteld woord of konstruktie wordt weer in zijne elementen uiteengelegd, reeds opgetreden assimilatie of klankversmelting wordt naar alouden stijl gekorrigeerd. De dialektische vormen omberen, omoet en coman worden weer ontberen, ootmoed en koopman. Dit verschijnsel is ook voor de Indogermaansche taalgeschiedenis van belang, zoo b.v. voor de oud-Romaansche periode, waar allerlei klassiek-Latijnsche samenstellingen gedekomponeerd worden. 't Is nu evenwel de vraag of deze oud-Romaansche dekompositie wel beschaving heeten mag. 't Is misschien niets dan schoolmeesterij, die wij totnutoe in dien tijd heelemaal niet verwacht hadden.

De kultuurmenschen geven ook niet zoo licht gehoor aan de neiging tot zoogenaamde valsche analogie, en van den anderen kant maken zij een frekwent voorkomend verschijnsel graag tot algemeene wet. Dit schijnt tegenspraak. Maar in werkelijkheid komt het hierop neer, dat in de dialekten de stof- en vormgroepen onbewuste acquisities maken; deze worden nu door de beschaafden ontdekt en als fouten vermeden; terwijl hun taalanalyse bij 't nadenken over de stof- en vormgroepen alles, wat hun onbegrijpelijk of ongemotiveerd lijkt, verwerpelijk acht, en dan bewust nieuwe kunstmatige groepen aanlegt, die door de school aan het nieuwe geslacht worden opgedrongen. En dat niet altijd tot voordeel van de taal als middel tot verstandhouding.

Overmaat van oppervlakkige, grammatische duidelijkheid is ten

[p. 254]

slotte ook nog een kenmerk der kultuur-taal. Als het psychologisch onderwerp uit het voorafgaande al duidelijk is, moet het om grammatisch onderwerp te kunnen zijn, toch eerst nog eens afzonderlijk genoemd worden. Ook de verwaterde kongruentie wordt angstvallig geobserveerd.

En hiermee zijn we zoo wat aan het einde van Kruisinga's feiten. Niets let mij evenwel hier nog een voorbeeldje en een paar verdere gevolgtrekkingen aan toe te voegen. Rother kon indertijd ongestraft schrijven: dô nam daz Constantînis wîb ir tochter, die was hêrlîch, unde bâtin Dieterîche. Het meervoudig onderwerp van bâtin stond den middeleeuwschen lezer levendig in de fantasie. De kultuur-taal doet soms ofdat we geen fantasie meer hadden. De dialekten kan men zonder levendige zaakvoorstellingen niet spreken of verstaan. (Principes § § 26-54).

Ook het gevoel is in de kultuur-taal sterk op den achtergrond gedrongen. Onze moderne kultuur leert toch dat we onze gevoelens niet alleen moeten beteugelen met den toom der reden, wat natuurlijk een vooruitgang is, maar überhaupt àl onze gevoelens moeten matigen tot een soort voorname, deftige ongevoeligheid. En dat is dekadentie. De gevoelsnuancen der woorden zijn dan ook in de beschaafdentaal niet half zoo levendig als in de dialekten. Hoe de logika in de verbindingswoordjes en de bijwoorden het gevoel verdrong, heb ik in mijn Principes § 152-269 lang en breed betoogd. Men denke slechts aan de dubbele negatie, enz. En soms is dit zeker ook weer vooruitgang in den besten zin des woords, maar volstrekt niet altijd.

Een verrijking daarentegen is vast, dat in de wereld der beschaafden elk individu meer zelfstandig is. Door de veel uiteenloopende bezigheden en interessen zijn er in de taal dan ook geen vaste waardeeringskategorieën meer mogelijk. Wat de eene waardeert, wordt door den ander veracht. Daarmee hangt waarschijnlijk het uitsterven van onze geslachtsonderscheidingen samen.

Het allervoornaamste verschil evenwel is zeker de grootere omvang der sekundaire eenheden of constructies bij de beschaafden, en wat daar tegenover staat: het welig tierende konkretisme der afzonderlijke zinstukjes bij de onbeschaafden, of nog anders: subordinatie tegen koordinatie. Wie daar belang in stelt zie het Museum van Juli 1910 en mijn Principes § 316 vlgd. Ook hiervoor materiaal bijeen te brengen, ligt, meen ik, geheel en al in Dr. Kruisinga's studierichting.

Alles te zamen dus een mooie ‘Openbare les’ die reeds behalve één allerverdienstelijkste gedachte nog een heele reeks goede détails bracht; maar wat veel meer is: een frissche kranige studiekracht die

[p. 255]

ons aan dieper en rijper taalinzicht nog overvloed belooft! Met het oog hierop evenwel moet ik opkomen tegen een citaat van Brugmann uit Kruisinga's laatste noot: ‘om taalinzicht te verkrijgen zou het niet noodig zijn veel talen te studeeren’. Met onderscheid! Veel Indogermaansche talen (de eenige die Brugmann kent, en) die psychologisch over 't algemeen zeer eenzelvig zijn; toegegeven. Maar onbeschaafde, ver uiteenloopende primitieve talen! Neen, wel degelijk: hoe meer hoe beter.

Want om ook hier Uhlenbeck's woorden nog eens te herhalen: ‘How many categories of which with us only the scarcely recognizable survivals may be found, still flourish in luxuriant fullness in the more youthful languages’.

Maastricht.

Jac. van Ginneken.

Overzichtelijke Bloemlezing uit Vondel. Uitgegeven en toegelicht door G.H. Weustink (drie deeltjes). (Pantheon, Thieme, Zutphen). Prijs ƒ 0,90.

Een beginsel, meer dan smaak alleen, heeft deze keus geleid. Geen z.g. volledige rij kleine stukken, berekend naar 't gemak van de lezer, maar een evenredig beeld van de dichter, ‘eene verkleinde reproductie van den heelen echten Vondel, waarin de hoofdlijnen, de typeerende zoowel als de aesthetische, duidelijk bleven.’ Vondels ontwikkeling wordt met de termen ‘Romaansch, Romeinsch, Roomsch’ bepaald in 't spoor van Du Bartas, Erasmus, Augustinus. Deze strekking is van C.R. De Klerk, die ook de denkbeelden voor de inleiding leverde, evenals hij andere geestverwanten in de Vondel beschouwing voorging, dezelfde die samen met Simons alle treurspelen zal bewerken voor de Wereldbibliotheek en al te lang geleden een boek over Vondel beloofde, dat de opzet van deze bloemlezing dragen moet.

Filologies heeft de verdienstelike uitgaaf geen pretenties. De tekst wordt niet verantwoord en is met de meeste noten aan Van Lennep ontleend.

Gerard Brom.

Oud-Holland en de Revolutie. Nieuwe Studiën en Schetsen door J. Postmus. Met Portretten en Illustratiën. Kampen. J.H. Kok. - 1910. Prijs ƒ2.90 ing. en ƒ3.40 geb.

Uit het Voorbericht.

‘In de opstellen die het eerste en verreweg grootste gedeelte van

[p. 256]

dit boekwerk innemen, heb ik getracht de ontmoeting te schetsen tusschen het Oud-Holland, in zijn verwording, en de Fransche Revolutie, zooals ons die hier bereikte.

Mij stond daarbij voor den geest het tot tweemaal toe in zijn Land van Rembrand (II1, bl. 91, II2 bl. 436) herhaald zeggen van Busken Huet, dat de Republiek der “Zeven Provinciën” op den langen duur wel “moest” ineenzakken. Zulk een theologische curiositeit kon niet tot in het oneindige blijven voortbestaan.

Het kwam mij voor, dat door enkel maar de feiten te laten spreken, het geheel onjuiste dezer smadelijke bewering kon worden aangetoond. - - -

- - voorts heb ik er mij met eenige naarstigheid op toegelegd om na te speuren, hetgeen Bilderdijk (bestreed), bespiedend alzoo de hoofdgedachten van hen die hij zijne tegenstanders achtte. Het ernstig bedoelde van dit onderzoek waarborgt, vlei ik mij, zekere onpartijdigheid. De staatkundige historie het ik opzettelijk zooveel mogelijk in de schaduw. Om de geschiedenis van den gang der Nederlandsche gedachte was het mij voornamelijk te doen.’

 

De lijvige inhoud (ruim 400 blz.) is verdeeld als volgt: I. Voor den storm (De Republiek in de 18e eeuw); II. Navonkeling (Wolff en Deken); III-IV. Kentering (De beweging van 1780; Rhijnvis Feith); V-VI. Van onze nationale ebbe (Het befaamd getijde van 1795; Nòg stilstaande wateren); VII-X. Unusille Vir [t.w. Bilderdijk] (Getolereerd? Ondergang; Ondergang niet. Een ramp; Bilderdijk als Calvinistisch Nederlander); XI. Leiden ontzet (3 October 1823); XII. Van een heilrijk Lot (Staring). Daarop volgt een IIe Deel met schetsen die buiten de strekking van Ie Deel liggen: n.l.I. Klassenstrijd (De ‘mindere man’ in onze geschiedenis), welk opstel een verweer is tegen Dr. Ravesteijn's proefschrift; II. De beleefde Visscherinnen (De dochters van Roemer Visscher) naar aanleiding van ‘Vondels Bekering’ door Dr. Gerard Brom; III. Een Vergeten Hoofdstuk (De Oranje-prinsen in onze Letterkunde), een naoogst voornamelik de Prins v. Oranje en 't Wilhelmus betreffende.

Deels dichter-studiën of uitgewerkte recensieën dus. En zo men 't niet uit het Voorbericht wist, men kan 't weten uit andere geschriften van de hr. Postmus, zijn opstellen zijn ‘Calvinistisch.’

Dit zegt iets. Namelik dit, dat de schrijver bij zijn onderzoek van de geesten, die hij zijn aandacht waardig keurt, als grondslag neemt de wereld- en geschiedbeschouwing van het onvervalste Calvinisme; dat hij als Gouden Tijd ziet glanzen de periode, waarin de op

[p. 257]

Calvinistiese grondslagen gebouwde Kerk, na zich in de geweldige Protestantse evolutieën een vaste stelling bevochten te hebben, zijn leer bewustvol afrondt en zijn positie beleidvol afpaalt in de dagen van Dordt; dat hij in de sterkte van die Vaderlandse Kerk van binnen en naar buiten, de waarborg ziet van de nationale volkskracht; dat hij in 't verslappen van de innerlike tucht, het doorbuigen van haar regels en 't vervagen van haar grenzen, zoals dit in de 18e eeuw geschiedde, de ontaarding van zijn volk erkent, dat, met zijn luttel weerstandsvermogen onmiddellik bezwijkt voor de krachtige drang en 't materieel geweld dat in 1795 hier de grenzen forceert. Met 't bestaan als volk is 't dan uit; de Nederlandse ‘volksgeest’ slaapt. Eén vertegenwoordiger is er slechts van die ‘oude geest’; éénzaam maar des te titanieser: Bilderdijk; eerst uitwijkeling, maar daarna de banier opnemend, en hem aan de avend van zijn leven overreikend aan Da Costa en Groen....

Aldus, voortschrijdend langs deze baan, wil de hr. Postmus de dingen om hem zien.

 

‘De Muzen zijn anti-revolutionair,’ zei Huet. Juist, maar daarom volgen ze niet altijd Dordt. De geschiedenis van onze litteratuur, of breder gezegd, de geschiedenis van ons nationaal leven in onze geschriften, is allereerst de geschiedenis van ons godsdienstig leven, ongetwijfeld. Maar, zonder te ontkennen, dat veel van wat er op godsdienstig terrein gedacht en getuigd is, onder de geformuleerde waarheden van een bepaalde kerkleer zou zijn te brengen, b.v. de zo dikwels voorkomende bekentenissen van schuldbesef na geleden rampen, is de lyriek uit zijn aard veeleer piëtisties dan dogmatieskerkelik, en vraagt, zo ze tot de hr. Postmus of een ander nadert, in hem als geschiedschrijver veeleer iemand, die schouwend in de diepten van 't religieus aangelegde mensenhart, zich de verwante broeder van heel de gemeenschap voelt, dan iemand, die tastend naar een dogmatiese karakteristiek, zich, vóór hij tot algemeen waardéren overgaat, in zijn fieguren van de kracht van hun zonde-bewustzijn en de diepte van hun genade-besef vergewist.

Vanzelf, het is een standpunt. En het handhaven van dit standpunt zal niet nalaten, aan zijn studieën een bepaald karakter te geven. Doch er zouden bedenkingen op te werpen zijn: bedenkingen, die hun grond ontlenen aan het recht van ons volk, iets anders dan juist een Calvinistiese natie te zijn, anders zelfs dan een enkel Protestantse; de vertakkingen zijn vele geweest, maar wijzen, elk voor zich, op een algemeen, verinnerlikt, Christendom terug.

[p. 258]

Zo zou men kunnen vragen, - de tijd leent er zich toe, - of Vondel al dan niet een Ultramontaan is geweest. De jongere Katholieke school zal zeggen: we doen reeds ons best, Vondel als zodanig te demonstreren. En toch is Vondel een dichter die beheerst wordt door het geestelik opgaan in een Katholiciteit, waarvan hij op aarde de Moederkerk als de sterkstsprekende uitdrukking herkent.

Is Cats een Calvinist, of niet? Er is geen twijfel aan, of hij zal even trouw de predikaties bij de Hervormden, als Vondel de Mis hebben bijgewoond. Doch er is alles gezegd, wanneer wij hem schetsen als iemand, die de uitspraken van de Heidense en van de Christelike Oudheid, en de verschijnselen in het hem omringende leven heeft omgeduid of dienstbaar gemaakt aan de prediking van de Christelike moraal.

Doch waartoe dienen die vragen? Is, wanneer men van die mannen hun gedachte-leven wil kennen, niet veeleer dit de hoofdzaak, dat de een zowel als de ander de dragers zijn van het kultuur-materiaal van hun tijd, en de inhoud van hun kennis, de richting van hun denken en voelen, bij allen gevoed door de zelfde bronnen, één overlevering van afgerond-beredeneerde valse-en-ware wetenschap is? Is Huyghens in dit opzicht een andere? Of Grotius? Of Vossius? En komen in hun verschillende openbaringen niet eer de zijden van hun persoonlikheid, de voorliefde voor enkele genre's, de volgzaamheid tot bewonderde meesters uit, dan het streven naar een dogmatiese begrenzing van hun Geloof? En zo, als bij Vondel het geval is, de Kerk of de Mis verheerlikt wordt, zoekt dan niet hun didactica een zo breed mogelik menselike en historiese bodem, al houdt zich de een, uit aanschouwelikheidszin, zich zo dicht mogelik aan de realieteit dezer wereld, en zoekt de andere, die de mensheid als een abstractum in 't oog houdt, de sfeer van een hogere orde op?

Voor de 18e eeuw, wringen zich de vragen, bovengenoemd, in nog enger keurs.

De 18e eeuw, - in de betekenis die wij er aan willen geven, en die ook door de hr. Postmus gedeeld wordt, - heeft afgedaan met het Renaissance-kultuur-apparaat. De 18e eeuw heeft de mens ontdekt, los van de historiese traditie. Nu verplaatst zich het uitgangspunt van de beschouwing der dingen. Vóór dezen had men het oogpunt te zoeken in de traditie, en moest van daar uit al het omringende, met de mens incluis, worden beschreven. Tans werd het gezichtspunt in de mens zelf verlegd, en kwam het veld van beschouwing heel anders voor 't verplaatste oog te liggen. Nu bleek alles scheef te staan. Men had vroeger altijd vals geoordeeld. 't Was jammer, maar

[p. 259]

't kon verholpen. Tweeërlei propaganda werd nu ingesteld. Eerst moest het inzicht van de mens, d.i. van al de mensen, Negers en Eskimo's inbegrepen, verhelderd worden. Ieder werd zelf-ziende. Dan moest de traditie opgeruimd, de wetenschap bevrijd worden. Of wel, men brak met de conventie van 't woord, en openbaarde aan zich zelf en aan anderen het hart. Met die propaganda kreeg men 't verbazend druk. Vooral in een kultuur-land als 't onze. Andere kwesties geraakten er door op de achtergrond: volkenrechterlike, economiese, diplomatiese, militaire.... ‘Verbeeld je, militaire!’ Inderdaad, zo dacht men. Want wat wij, 20e eeuwers, in de 18e eeuw brandmerken als apathie tegenover de gang van zaken; wat wij in die tijd misbilliken, haar gelatenheid onder haar polietieke achteruitstelling, haar onverschilligheid bij de vrijwillige beperking van haar trafiekswezen en haar handelsrelatiën, dat was een vrijwillige afstand van iets dat men gaarne prijs gaf voor het dienen van zo veel hoger belangen. Geen onvruchtbare lyricus wou men meer zijn, Goddank! maar een lerende, stichtende Genootschaps-redenaar, Godlof! - Geen verdeeldheid-zaaiende kerkgeschillen over genade en uitverkiezing wilde men langer, als weleer; geen beroering-wekkende Bijbelkrietiek, als de Duitsers stond te verscheuren; liever alle haarkloverijen vermeden, aan 't persoonlik inzicht wat toegegeven, en de rede en 't hart in zijn lang verstoken rechten hersteld. Men moest natuurlik voorzichtig zijn! Want voor wie dieper doordrong, bleek de Heidelbergse geloofsleer ook op een verouderde bodem te staan; met de vrijheid van de zelfontdekte mens vielen de Dortse formulieren weinig te rijmen; de volksverlichters onder de predikanten wisten schier geen raad, hoe ze 't in de Kerk moesten klaren; maar het rust zoekend Conservatisme, dat tegenover de door 't Rationalisme gevoede dissenters, alles veil had voor de éénheid van de Oud-Vaderlandse Kerk, getroostte zich gaarne offers. Weldra zetten de droeve tijdsomstandigheden op elk initiatief de domper. Zo ging het volk van de Bataafse Republiek en 't Koninkrijk Holland, wapenloos en krachteloos, steeds nog propagerende en redenerende, veel ‘Nut’ doende de ‘kinderkens’ onderrichtende, en de vertroosting zoekend bij 't gemoedelik pijpje en pimpelglas, over naar 't Landsvaderlìk bewind van Willem I, met zelfvoldaanheid neerziende op de dingen, die God zo onvoorziens aan 't ‘redelik’ Vaderland had gewrocht....

In deze 50 jaar nu, van ± 1775 tot 1825, heeft de hr. Postmus, - die al deze dingen even goed weet als gij of ik, - zijn Calvinistiese standaard geplant en er de anti-revolutionaire banier met de Oranjewimpel geheven. Hij wist het vooruit: Betsy Wolff, Bellamy, Borger,

[p. 260]

Feith, Kinker, van der Palm, Wiselius, Tollens, Staring, kijken er naar, maar lopen er om rond. Alleen Bilderdijk, en zo straks Da Costa, voegen zich onder de wapenleus. Twee krachtige naturen, weliswaar, die de banierdrager de ontstentenis van vrij wat middelmatigheden vergoeden. Maar hun opzettelik geprovoceerde eenzaamheid doet ons aan, en brengt ons nogmaals tot de vraag, of 't billik mag worden genoemd tegenover een tijd, die zich zelve andere vragen stelde, even ernstig en even eerlik als ooit, door nationale litteraire leven de lijn Calvijn - Kuijper zo strak te houden, de schaar van 't oordeel te richten, en links te laten vallen wat indruist tegen de geloofstraditieën van ons aller oud-vaderlik Geuzenvolk. Juist, dunkt ons, waar de bodem van de algemeene kultuurstand zo duidelik kenbaar is, moest in de eerste plaats, rechtvaardig, van uit die bodem worden gericht. Trouwens alle verschijnselen in het geestesleven blijken bij ernstige waarneming waard, herleid te worden op de motieven, die het verschijnsel geboren doen worden. Bilderdijk zelf kan er niet anders dan wel bij varen. De hr. Postmus evenwel houdt zich bij zijn eigen maatstaf. Doch wij schromen te oordelen. ‘Want aan drang en begeerte om, zij het weinigen, mocht het zijn, velen te dienen, ook met dezen arbeid, zou het niet ontbreken. Het Holland dat ik lief heb ten bate; God geve, Zijn Naam ter eere.’1)

 

Voor hen, die de hr. Postmus van de zaken onderscheiden kan, heeft ten slotte de behandeling van zijn onderwerp onder dit licht, niets tegen. Door de denkbeelden van de door hem onderzochte geesten te projecteren op de Geneefse wereldbeschouwing, geeft de schrijver op de verhouding der beginselen, en daardoor eveneens op het wezen en de openbaringsvormen er van, een juiste kijk. Daartoe was 't niet nodig, de auteurs in hun ganse omvang te geven; enig welgekozen en duidelik sprekend genrewerk kon hierin volstaan. We kunnen, onder des schrijvers, en onze eigen krietiek, er heel wat uit lezen. Bij velen treft ons de juiste karakteristiek. Bilderdijk, wordt als oerste anti-revolutionair, uit verschillende hoeken en aan verschillende kanten, alzijdig ‘belicht.’ 't Best konden we oordelen ten aanzien van fieguren, die eenmaal het voorwerp van eigen studie waren. Feith b.v. wordt in z'n ‘droefgeestigheid’ scherp tegen z'n achtergrond van ‘gelukkige zelfvoldaanheid’ gehouden; en wanneer wij met Van Heeckeren in Taal en Letteren (1902) zouden willen gissen, dat hier een ‘Christelik heimwee’ sprak naar een ‘hoger leven,’ laat

[p. 261]

de hr. Postmus uit Feith's gewijde poezie zo duidelik de onvervalste ‘Aufklärungs’-principes spreken, dat we ook zelf gaan wankelen, en het verlangen naar de ‘Dood’, de ‘Bron van Rust’ en de vlucht uit 't leven, ‘als een barre woestenij,’ bijna zouden willen aanvaarden als de tekenen van een ‘ziekelik zelf bedrog.’ Staring, wiens kultuurgedachten wij zelf eenmaal uit zijn gedichten trachten te bepalen (Starings Christendom, Taal en Letteren 1900) vonden wij eveneens in Postmus' karakteristiek terug, wanneer hij, naar aanleiding van diens Vriendin! ons daagde een heilrijk lot, (uit ‘Aan mijne Gade’ in zijn kalme evenwichtigheid gesteld wordt tegenover de onrust van 't gepijnigde hart van de gelovige, die in zijn schuldbesef naar verlossing hijgt. Tegenstellingen, voorbeelden, herinneringen en verwijzingen ontbreken niet, in geen van de studies. Alleen Betje Wolff vonden wij niet genoeg benaderd, niet in haar éénheid opgespoord. Bilderdijk krijgt, als begrijpelik is, het leeuwenaandeel, en wordt als de ‘man’ tegenover de hem omringende gestalten, van 1806 tot 1823 en verder, gezet. Feitelik is hij nog meer dan de ‘man’; hij is de ‘held’; en er is grond te vermoeden, dat de hr. Postmus zich nog eer voelt aangetrokken door de krachtige ‘eenzamen,’ die het tegen een hele eeuw opnemen, dan hij zich bezig houdt met de fieguren uit de bloeitijd van 't Calvinisme zelf. Nu ligt die voorliefde in 't karakter van het Calvinisme. In de strijd geboren, draagt het de kenmerken mee van zijn strijdbaarheid; van ‘uit de diepten’ is steeds 't levensbeginsel geweest; in de verdrukking heroïek, verslapt het de rust na de overwinning. Wèl herkent het zich zelf in de ‘worstelaar’. Doch ook in 't wezen van de hr. Postmus zelf, zit die voorliefde voor ‘de strijdende Godsheld.’ Wie zijn wijze van werken bijhoudt, merkt telkens op, hoe hij in tegenstellingen leeft; de dingen, zo niet tegenover elkaar, dan toch naast elkaar zet, vergelijkt, en ontbindt. Zijn arbeid is projectie-werk; lijn tegen lijn, vlak tegen vlak. Ook dat brengt flikkering mee. En dit, gevoegd bij een buitengewone bewegelikheid in zijn woorden, zinnen en wendingen, maakt, dat het leven er in blijft, het qui vive op de lippen ligt, en de degenspits, even zichtbaar geworden, spelend in zijn strijdbaarheid, onmiddellik verdwijnt.

Want - dezelfde bewegelikheid neigt zijn steilte tot hoffelikheid. Feith, of Bellamy, òf Staring, worden niet vèr-oordeeld. Ze blijven ten slotte nog, zij het ook dwalend, Christenvolk. De hr. Postmus zou nooit de kettermeester kunnen zijn, die de mens opoffert aan 't Geloof. Daarvoor is hij te veel Christen, en ook nog te veel historicus. Wie tussen de regels leest, merkt het op, al zal hij 't niet zeggen:

[p. 262]

‘In onze openbaringen, en daaronder ook van de diepst religieusaangelegden onder ons, zal in het echt-menselike veel worden gevonden, waarin het religieuse bewustzijn niet tot zijn uitdrukking komt, omdat wij, stilzwijgend, en met elkanders medeweten, reeds de basis bewust zijn, waarop ons geestelik wezen is opgebouwd. Laten we daarom de kiesheid betrachten.’ - De hr. Postmus streeft er naar, en weet ook onder hen, die Bilderdijk te na komen, al maakten ze 't grof, - bij hun analyse het goede van 't kwade te scheiden, en ze als mens en als auteur rechtvaardig het hunne te geven.

 

De leerrijke bundel laat zich aangenaam lezen. Er steekt naast inzicht, heel wat belezenheid in. Toch kwam hier en daar de vraag op, - waarschijnlik hebben de artiekelen oorspronkelik een verschillende bestemming gehad, - of nu en dan aan een ander publiek dan juist aan historie- en litteratuur-beoefenaars is gedacht. Niet onwaarschijnlik waren ze voor een breder publiek bestemd.

J.K.

Studiën over het Individualisme in Nederland in de Negentiende eeuw door Dr. F.H. Fischer, (Swets en Zeitlinger - Amsterdam - z.j.) Amsterdams proefschrift.

De schrijver van dit proefschrift heeft te veel hooi op zijn vork genomen, en zich daardoor vertild. De loffelike ijver om in de breedte te gaan werd niet in toom gehouden door wetenschappelike tucht en zelfkritiek. Hij heeft willen schilderen hoe het individualisme, voortgesproten uit het achttiende-eeuwse rationalisme, in de negentiende eeuw bloeide en afbrokkelde, om plaats te maken voor het ‘societisme’. De keuze zelf wijst op overschatting van eigen kracht. Dit is werk alleen voor iemand van rijpe ontwikkeling. Van filosofies standpunt zou men gemakkelik kunnen aantonen hoe de neiging tot generaliseren, tot schematiseren, leidt tot vaagheid en oppervlakkigheid. De geschiedkundige zal de afwezigheid van grote historiese lijnen wijten aan gebrekkige historiese feitenkennis. Telkens is de lezer geneigd vraagtekens te zetten bij boute beweringen en stoute stellingen.1) Maar het zou onbillik zijn, als wij verzwegen dat daar tegenover

[p. 263]

menige suggestieve gedachte staat. Kortom, het is studentikoos-onrijp, maar geen talentloos werk.

Het oekonomies-filosofiese deel van dit proefschrift laten we hier onbesproken. Voor ons is het van belang omdat de schrijver ‘zijn materiaal vooral zoekt in de litteratuur’ (blz. 2), die hij ‘echter anders beschouwt dan de litteraar-historicus.’ Later zegt hij dat de letterkunde hem ter toelichting dient. Dat is juister uitgedrukt; want de schrijver doet hier en daar een greep, meer door toeval dan door keuze bestuurd, zonder dat hij merkt op welke losse gronden zijn konklusies rusten. ‘Omdat wij de kultuur en niet de litteratuur schetsen, hebben we het recht te generaliseeren’ (blz. 123). Daardoor maakt hij zich schuldig aan dezelfde oppervlakkigheid, waarvan hij herhaaldelik de histories-materialisten een verwijt maakt.

De litteratuur wordt eerst na grondige studie een betrouwbare spiegel van het leven. In het hoofdstuk over Het sociaal-individualisme in Nederland (1830-1880) worden achtereenvolgens de ‘illustraties’ ontleend aan Van Limburg Brouwer (1845), Busken Huet (1868), Willem de Clercq (1822) en Cremer. In het Vervolg (blz. 55) keert hij zelfs terug tot Lublink de Jonge (1774). Dat is alleen mogelik wanneer vooraf de heersende geest omstreeks 1820, het liberalisme van 1848 en de verschillende stromingen tegen 1870 vereenzelvigd zijn in de formule ‘de liberale psyche.’ Nog zonderlinger is de volgorde in het magere zevende hoofdstukje De religieuse oppositie, dat niet veel meer is dan een aaneenrijging van los opgetekende citaten. Na Schimmel en Ter Haar komen enige ‘bewijsplaatsen’ uit het dagboek van Willem de Clercq (1825-1828)! Bij een behoorlike samenstelling zou natuurlik het Réveil vroeger en minder terloops ter sprake gekomen zijn. Temeer omdat de schrijver zelf zegt: ‘Voor ons is deze piëtistische richting vooral daarom van belang, omdat zij in dien tijd het eenige voorbeeld is van intellectueel individualisme’ (blz. 115).1)

Dat in Nederland de romantiek voor een groot deel onecht was, wordt hier niet voor het eerst aangetoond. Maar wordt dan in Potgieter's verheerliking van de 17de eeuw ten onrechte een nationaal-romanties gevoel gezien? Trouwens, tegenover geen schrijver wordt Fischer, ten gevolge van gebrekkige kennis, onbilliker dan tegenover Potgieter, die voornamelik als voorbeeld van oppervlakkige sentimen-

[p. 264]

taliteit dienst moet doen. Hangt zijn onderschatting van onze 19de-eeuwse litteratuur - volgens hem ‘niets dan geschrijf’ - daarmee samen?

Het pathos is voor de auteur, evengoed als de sentimentaliteit, een ‘eigenschap van het rationalisties individualisme’ (blz. 72). Helmers en Ter Haar leveren de illustraties. Maar vindt men dan bij Bilderdijk en Da Costa geen pathos? Of zijn die ook besmet met rationalisme?

Aan alle kanten zien we dus het hooi van de vork vallen. Toch blijft er wel wat over. Er zijn bladzijden in deze studie, die het doen betreuren dat de schrijver zich niet door zelfbeperking aan vruchtbaarder werk gezet heeft. Wat leren ons de negentiende-eeuwse romans, novellen en gedichten omtrent de maatschappij-beschouwing van de toongevende klassen, waaruit de schrijvers grotendeels voortkwamen, en omtrent de sociale verhoudingen en toestanden? De analysen van Potgieter's en vooral van Cremer's werk (blz. 80 vlg.) en het te pretentieus betitelde hoofdstukje De compositie van den roman (blz. 119 vlg.), bewijzen dat de schr. op dit gebied iets goeds had kunnen leveren. Maar even onhandig als het genoemde hoofdstuk ingeschoven is na het misplaatste vorige capitteltje, even zonderling wordt het ingeleid: ‘Hoewel wij geen litteratuurgeschiedenis schrijven, willen wij het bovenstaand onderwerp toch even in behandeling nemen, daar het de levensopvatting van de menschen uit het midden der negentiende eeuw nader kan belichten.’ Een opzettelike en grondige behandeling zou èn de sociaal-litteraire neiging van de schrijver èn de weetlust van zijn lezers meer bevredigd hebben dan deze vage ‘studiën’, die ondanks de aan 't slot geformuleerde ‘conclusiën’ niet veel meer zijn dan losse gedachten, opmerkingen en citaten, met een luchtige band van redenering aan elkaar geknoopt.

C.d.V.

Klikspaans Studentenschetsen. Bijdrage tot de kennis van Kneppelhout als mensch en als schrijver, door Dr. A.J. Luyt. (Leiden - A.W. Sijthoff's Uitgevers-Maatschappij - z.j.)

Het is verwonderlik dat de nog altijd frisse studie van Busken Huet over Kneppelhout (Lit. Fant. XXII) niet eer een proefschrift heeft uitgelokt. In het brede boek van Ten Brink kreeg deze auteur maar enkele bladzijden. Eerst Dyserinck's nasporingen, die zich om

[p. 265]

de persoon van Klikspaan heen bewogen,1) herinnerden aan de wenselikheid van een monografie. Nu komt een degelik bewerkt proefschrift deze leemte aanvullen. De Inleiding licht ons in omtrent het studentenleven in de Nederlandse letterkunde vóór Klikspaan. Daarbij worden, naast geschriften die Kneppelhout gekend en genoemd heeft, andere opgesomd, die in los verband tot het onderwerp staan, maar die van kultuur-histories belang zijn. Het eerste hoofdstuk schetst De Student Kneppelhout, zijn opvoeding te Noorthey, zijn intrede in de studentenwereld en zijn vriendenkring. Daarna horen we hoe de jonge student, bekoord door de Franse romantiek, droomt van lauweren in de wereldlitteratuur te behalen, maar hoe het fiasko van zijn Franse geschriften tot bittere ontgocheling leidt (II Kneppelhout's Zwarte Tijd). De volgende hoofdstukken (III Klikspaans Studenten; IV Klikspaans Tendenz en de Werkelijkheid) behandelen de cyclus Studenten-Typen, Studenten-leven, De Studenten en hun Bijloop in biezonderheden. Een slothoofdstuk handelt over Klikspaan als Schrijver. In een aanhangsel (Besluit) worden de latere uitgaven met de eerste vergeleken en komen andere Studenten-schetsen van deze schrijver ter sprake.

In de karakteristiek die deze studie geeft van Klikspaan als schrijver, treffen ons vooral twee gezichtspunten. De artistieke kopieerder van het studentenleven is bovenal idealisties moralist. ‘Hij is slechts realistisch geworden ter wille van zijn tendenz.’ En al blijft ‘uit een algemeen letterkundig oogpunt Klikspaan's realisme belangrijker dan zijn didaktiek’ (blz. 135), toch staat Studentenleven niet meer, gelijk bij Huet en Ten Brink, geheel in de schaduw van de Studententypen. De schr. ziet in de cyclus een ‘innerlijke eenheid.’ In de tweede plaats blijft Klikspaan ‘vóór alles romanticus.’ Dat zag ook Huet in, toen hij de Studententypen vergeleek met Les Jeunes-France van Théophile Gautier. ‘Door beiden wordt afrekening gehouden met een achter hen liggende pruiketijd.’2) Klikspaans afkeer van de ‘maatschappij’, die hij uit zijn studenten-oase bekijkt, is de romantiese haat tegen de ‘bourgeoisie’. Maar hij droomde van een jong-Holland, doortrokken van Flanor's geest. Hij idealiseerde de toekomstige Hogeschool als ‘een brandpunt van geleerdheid, door het vaderland ontstoken en onderhouden, een koesterende zon welke het graan op den akker doet rijpen en verlichting over de velden verspreidt.’ Vandaar Potgieter's sympathie, die niet alleen in Kneppelhout de moed prees om ‘zoo waar te zijn in eenen tijd die zoo kiesch

[p. 266]

heet’,1) maar die ook van de akademie een keur en kern van een krachtige burgerij verwachtte. Hij juichte Klikspaan's geseling van de studentenwereld en van de maatschappij daarachter toe, omdat de slagen neerkwamen op de rug van Jan Salie. Terecht zegt Luyt: ‘de ouders, als vertegenwoordigers der kille, bekrompen maatschappij, zijn voor Klikspaan een der banden, die den student aan het Jan Salie-Holland binden’ (blz. 75).

Ook de stijl van de Studententypen, dartel en weelderig-overladen, de brutale durf in het taal-realisme, zijn romanties gekleurd. Daarover bevat deze dissertatie menige mooie opmerking, als vrucht van nauwlettend onderzoek. Aardig is b.v. de parallel met Van Lennep en met Beets. Juist zijn de grenzen van Klikspaans talent getrokken (blz. 128). Dat het onderzoek naar zijn beeldspraak zo weinig positieve uitkomsten gaf, wordt begrijpelik door de opmerking dat het hem ‘vaak meer om een geestigheid te doen is dan om een werkelijk gezien beeld weer te geven.’ Ook de invloed van lektuur mag daarbij niet onderschat worden. In hetzelfde vijfde hoofdstuk, het rijkste van dit proefschrift, wordt aan de Typen een plaats gewezen in de toenmalige modestroming van de ‘physiologieën’. De terloops genoemde Physiologie de l'Etudiant, van Huart (blz. 110), doet ons verlangen naar een parallel met Kneppelhout's typen, maar we mogen er de schrijver geen verwijt van maken dat hij zijn stof enger begrensde, en dus ook de invloed van Franse romantici, waar Huet op wees, niet verder in biezonderheden naging.

Minder scherp dan de schrijver, is de mens getekend. Het eerste hoofdstuk is het magerste geworden. Een verwijzing naar de levensbeschrijving door W.P. Wolters bevredigt ons niet. Wij zouden willen weten of Huet niet overdreef toen hij beweerde dat de geest van Noorthey het leven en het werk van Kneppelhout zozeer beheerst heeft. De vraag komt op wat de vrienden geweest zijn in het leven van de student die de vriendschap zo verheerlikte (blz. 92, 102). Hoorde niet een groot deel van hoofdstuk IV, dat de Leidse ‘werkelikheid’ rondom 1835 wil geven, eigenlik in het eerste hoofdstuk thuis? Kneppelhout staat er nu te veel alleen, en zijn beeld blijft nevelachtig. In het derde en vierde hoofdstuk, waarvan de scheiding weinig gemotiveerd is, voelen we de nawerking daarvan. Het is verklaarbaar dat de auteur van dit proefschrift, die zelf zo dicht bij het studentenleven stond, zich het meest interesseerde voor de vraag: hoe zag de studentenmaatschappij er uit in Klikspaans dagen? Maar belangrijker is de

[p. 267]

vraag: hoe weerspiegelde zich dat alles in de geest van de romantiese idealist? Daarvoor moeten we die geest kennen. Staat zijn af keer van de ‘diplomaten’ niet in verband met de demokratiese neigingen van het jonge liberalisme1), die zonderling kontrasteerden met zijn aristokratiese sympathieën? Was het in zijn stemming niet noodzakelik dat hij van de professor een karikatuur maakte?

Laten we intussen niet vergeten dat de schrijver zelf, door zijn proefschrift een ‘bijdrage’ te noemen, erkent dat de biografie van Kneppelhout nog geschreven moet worden.

Deze met zorg en liefde bewerkte monografie zal ongetwijfeld menig belangstellend en dankbaar lezer vinden.

C.d.V.

Hadewijch. Strophische Gedichten door J. van Mierlo Jr., S.J. Leuvense tekstuitgaven No. 4. (Leuven - Keurboekerij - 1910). Prijs fr. 8.40.

Drie jaar na de verschijning van Joh. Snellen's kritiese Hadewijchuitgave2) ligt een nieuwe, met buitengewone zorg bewerkte tekstuitgave voor ons. Van Mierlo legde evenals voor het Proza, handschrift C ten grondslag3) en gaf na elk gedicht de volledige varianten. Bovendien ‘scheen het nuttig er een zeer beknopten commentaar met een woordenlijst aan toe te voegen. De commentaar geeft voor elk gedicht in 't kort den inhoud. Er werd naar gestreefd de verschillende gedachten en gevoelens te ordenen en tot een plan samen te vatten.’4) Herhaaldelik wijkt de uitgever af van de interpretatie van Dr. Snellen of van het Mnl. Woordenboek, al heeft hij die niet ‘rechtstreeks weerlegd’. Wij zijn dus nu in het bezit van een definitieve standaarduitgave, met de toelichting van een geleerde die zich jaren lang in Hadewijch verdiept heeft. Voor het debiet moge het minder wenselik zijn dat de twee uitgaven elkaar belemmeren, de beoefenaars van onze M.E. letteren zullen het niet betreuren, dat de vergelijking van de beide kommentaren hun tot een zelfstandig oordeel in staat stelt. Want al is ‘de duisterheid van Hadewijch's poëzie wel overdreven geworden’, de meeste lezers worden door deze poëzie in een vreemde gevoelswereld geleid, waar ze dankbaar grijpen naar de hand van een betrouwbare gids.

C.d.V.

1)Voorbericht.

1)b.v. ‘De romanschrijver ondergaat de emoties zijner helden niet of nauwelijks’ (blz. 62). Denk aan Goethe of Dickens. - ‘Deze individualistische tijd was weinig gunstig voor individuele ontwikkeling’ (blz. 128 Waarom die tijd dan individualisties genoemd?
1)Waarom ziet de schr. dan ook geen individualisme in het 17de-eeuwse piëtisme? Omdat hij vooropstelt dat de zeventiende-eeuwers ‘onbewuste societisten’ waren.

1)Zie De Nieuwe Taalgids III, 158.
2)Busken Huet, op de laatste blz. van het genoemde artikel.
1)Kopijeerlust des dagelijkschen levens, blz. 385.
1)Denk aan zijn latere brochure Landgenooten, van 1848.

2)Vgl. De Nieuwe Taalgids II, 157.
3)Vgl. De Nieuwe Taalgids II, 219.
4)Ter inleiding, blz. 220.
prepostterug  begin  verder