terug  begin  verderprepost
[p. 247]

Kroniek en kritiek.

De toekomst van de Afrikaanse Letterkunde.

In de Gids van Junie 1910 verklaart de heer Scharten dat in 't Afrikaans ‘geen rijpe, blijvende kunst’ ‘tot wasdom kan komen’. Niet omdat die taal ‘wat vreemd klinkt’, en nog veel minder ‘omdat thands in Zuid-Afrika geen machtig geestesleven, en de tot-kunstwording daarvan, zou mogelijk zijn! Indien ergens, dan bestaat dáár, in die van nieuws aan opbloeiende maatschappij, de kans op het groeien van groot-bezielde menschen en kunstenaars’. Waarom dan toch wel? ‘Omdat deze taal leelijk is’. Door 't gebruik van verschillende afkeurende woorden wordt dit vonnis herhaald, niet verklaard of verdedigd. We moeten uit die woorden opmaken wat de schrijver onder de lelikheid verstaat die volgens hem een der gunstigste voorwaarden voor 't ontstaan van litteratuur ijdel zal maken. Onwelluidendheid - 't vreemd klinken - kan het niet wezen; Scharten beseft blijkbaar dat dit van een taal in zijn geheel gezegd een subjektief begrip is. De uitdrukkingen ‘verminkte en verarmde tongval’, ‘doofstommen-taaltje’, ‘gebarsten viool’, schijnen er op te wijzen dat aan 't Afrikaans zijn afgesletenheid en eenvoud van grammatikale vormen wordt verweten. Nu is 't aardig dat onze kritikus als er ‘in Transvaal’ eens ‘een dichter van beteekenis’ opstond, hij hem ‘zou willen bezweren zijne schoonheid te geven in het schoone Engelsch’, - de taal die met het Afrikaans wedijvert in afgesletenheid en armoe van vormen. Ik zal niet ingaan op het zonderlinge verzoek door een kritikus, die zelf dichter is, aan een dichter van betekenis te doen om zijn schoonheid te geven in een andere taal dan zijn moedertaal. Alleen wil ik vragen wat er van de Engelse letterkunde geworden zou zijn als voor vele eeuwen aan de Engelsen iets dergelijks was verzocht. Zouden we dan een Fransschrijvende Shakespeare genieten? Of zou 't beter geweest zijn dat er in 't geheel geen Engelse letterkunde ontstaan was, dan een in een taal die in rijkdom van vormen verder afstaat van 't Angelsaksies dan 't Afrikaans van het Nederlands?

Even wordt de mogelikheid gesteld dat het Afrikaans gaat

[p. 248]

‘bloeien en uitgroeien tot een geheel nieuwe en schoone taal, gelijk uit verhanseld soldaten-Latijn het Fransch ontstond’. Maar dat is een illusie. ‘Wie gelooft er, in dezen practischen tijd, aan een argeloos ontstaan van nieuwe talen?’ Ik antwoord: iedereen die meent dat de menselike natuur niet veranderd is. En ik voeg er bij dat ‘het verhanseld soldaten-Latijn’ zo veel rijker aan vormen was dan het Frans dat een Merovingiese geestverwant van de heer Scharten het tegenwoordige Frans stellig een ‘verminkte en verarmde tongval’ zou vinden. Maar die taal ‘zou moeten inwoekeren tegen het dagelijks zich opdringende, gemakkelijk en prettig-te-spreken Engelsch’. Tot heden zien we die triomf van 't Engels nog niet in Zuid-Afrika; de taal der Boeren heeft er in de laatste tien jaar zelfs veld gewonnen. Maar wat hiervan zij, met mooi of lelik heeft die strijd tussen de twee talen niets te maken. Scharten heeft in zekere zin 't volste recht om het Afrikaans lelik te vinden, evenveel of even weinig recht als Heine had om 't ‘prettig-te-spreken Engelsch’ te houden voor een verzameling konsonanten die men een poosje kauwt en daarna een ander in 't gezicht spuwt, maar op grond van die persoonlike afkeer een voorspelling over de litteratuur ten beste te geven, getuigt van te veel zelfvertrouwen. De Afrikaners vinden hun taal de mooiste ter wereld en als er grote dichters onder hen opstaan, dan zullen ze door hun werken die taal ook in de ogen van anderen hoe langer hoe mooier maken, niet door 't invoeren van buigingsvormen of 't aanplakken van afgesleten uitgangen, maar door 't steeds rijker worden van hun woordenschat en van hun litteratuur, de weerspiegeling der gedachten van die ‘groot-bezielde menschen en kunstenaars’.

D.C.H.

Bedroevend Konservatisme.

Op het onderwijzersexamen te 's Gravenhage, de 1ste April 1910, werd de kandidaten opgelegd het ‘Verbeteren van een foutief opstel’ (spelling naar De Vries en Te Winkel). De vernuftige kakografie begon aldus:

Herinnerdt gij u de hiestorie van de lamme en de blinde? Den lamme zat op den schouder des blinde en de lamme wees den blinden de weg. Die deze voetreis aanvaart, belaste zich niet met te veel bagasie en vergewisse zich eerst of de omstreken vijlig zijn. De ongelukkige die van zijnen kindsheid af het juk der slavernei getorst had

[p. 249]

wist zijne gehaate meester te ontvluchten. Twee dreumissen met bombakkessen voor jauwden de ouderwets gekleden juffrouw uit.

De rest besparen we onze lezers.1)

Als dezelfde man, die deze ‘proeve’ voor aanstaande onderwijzers heeft opgesteld, nu maar niet, als hij in een van de hoofdacte-commissies benoemd wordt, hetzelfde werk, maar dan met wat meer moeielikheden opgeeft, als volgt:

Herrin Erdge, Jude hiss Thor Ivan....

Want dan zou de radjetoe al te onbegrijpelik worden.

Reeds nu werd de zin opgeofferd aan de letter. Wie het geweest kan zijn?... En is 't niet duidelik, dat de aard van dit werk de Commissie ontgaan moet zijn? Een opstel, staat er boven. Zou er iemand kunnen zijn, die deze term zonder aanmerking zou laten passeren? - Ook anderen2) vielen reeds over het ‘aanvaarden’, zoals 't hier gebruikt is, over ‘historie’, het ‘oorverdovend gedruis’, het ‘uitweiden’ over de ‘bevallige neiging’ van een ‘aartsschelm’. Maar wat maakt de betekenis uit, waar 't om de schrijfwijze te doen is!

Het gevaar ligt voor de hand: een verwarring, bij de aanstaande onderwijzers, van hun taalbegrip. Het taalgevoel heeft geen gelegenheid te ontwikkelen; integendeel, het verstompt onder de letterdienst.

Naar onderen toe, op de schoolbanken, wordt de vervalsing nog erger. En de resultaten van het willekeurig geestdovend en tijdrovend ‘grammaties’ onderricht, maakt het ware taalonderwijs tot een spot.

Waarom niet eenvoudig in de praktijk toegepast, wat het allereerste en tegelijk het allerbeste is:

Het taalonderwijs leert zo volledig en zo nauwkeurig mogelik verstaan, wat anderen hebben geschreven; en tevens leert het zo te schrijven, dat anderen zo volledig en zo nauwkeurig mogelik de schrijver kunnen verstaan.

Het andere is bijzaak.

Alleen de onnatuur kan zeggen: Laten we eerst het slakkenhuisje maken, opdat de slak er in groeien kan!

J.K.

Een afzonderlike spelling voor de ‘mindere man’?

De heer J. Eigenhuis was zo vriendelik, ons mede te delen wat

[p. 250]

hem bewogen had om het anti-Kollewijn-adres van de zeventig letterkundigen te ondertekenen. Naast bekende, vroeger weerlegde bezwaren is er een dat wij hier willen ontleden. Onze opponent schrijft:

‘De paedagogische kant der kwestie lijkt me gemakkelijk op te lossen:

a) Op scholen, waar geen voortgezet onderwijs gegeven wordt, is het verstandig altijd de te laten schrijven, daar deze soort scholen haar tijd beter besteden kunnen en de leerlingen toch nooit de verbuiging voldoende toepassen kunnen om niet de schromelijkste fouten er tegen te maken.

b) In het 6e en 7e leerjaar der scholen, die opleiden voor middelbaar onderwijs, is er geen bezwaar de verbuiging te onderwijzen, daar het inzicht toch later voor vreemde talen (Duitsch) noodig is en het de studie van een vreemde taal moet vergemakkelijken, als men aan bekende verschijnselen in de moedertaal kan herinneren.’

Deze ‘oplossing’ is niet nieuw. Den Hertog heeft al vóór 1893 in die geest gesproken.1) Het heeft mij altijd verbaasd dat een scherpzinnig en demokraties-denkend man als Den Hertog niet inzag hoe door dergelijke koncessies het bankroet van de kunstmatige geslachtsonderscheiding feitelik erkend werd. Er zou dus een proletariese spelling komen zonder ennetjes, en een fatsoenlike met ennetjes.

Moest dat uitlopen op een onverzoenlike klassenstrijd? Of zou dat eindigen in een verbroedering van hopeloze verwarring?

Niemand wil graag onfatsoenlik zijn of schijnen. De spelling van boek en krant zal ook voor de minder ontwikkelde norm blijven. Wie in de buigings-n een merk van beschaving ziet, moet de konsekwentie aandurven, en de spellingdressuur, ook op de volkschool, als beschavings-eis aanvaarden. Maar wie nu Den Hertog napraat, vergeet dat er in die twintig jaar heel wat veranderd is ten opzichte van dit vraagstuk. In de openbare mening zijn de vereenvoudigers niet meer een groepje sansculotten.

Bovendien is de heer Eigenhuis te optimisties. Niet alleen bij weinig ontwikkelden worden ‘schromelike’ fouten en inkonsekwenties ten opzichte van de verbuiging aangetroffen. Alle korrektoren en examinatoren - zelfs voor de hoofdakte van onderwijzers! - weten daarvan mee te praten. De onlangs verschenen brochure van G. Leffertstra Hoe spellen onze schrijvers? bevat overtuigend materiaal. Weet hij niet dat tal van onderwijzers en leraren overtuigd zijn dat

[p. 251]

ook op scholen die opleiden voor M.O., de tijd beter besteed kan worden dan met spelling- en naamvaldressuur?

De ingeroeste mening dat de oude naamvalsleer onmisbaar is voor het vreemde-talen-onderwijs is ontleed en weerlegd in Valkhoff's artikel De dienstbaarheid van de moedertaal.1) Toch blijkt die mening nog altijd opgeld te doen. Dat men bij het onderwijzen van een vreemde taal aanknopingspunten zoekt in ‘bekende verschijnselen in de moedertaal’ is pedagogies voortreffelik. Maar als men er nu ‘verschijnselen’ theoreties in gaat leggen, om ze er dan uit te halen, bedriegt men dan zich zelf niet? Een leraar in het Duits of in het Latijn die voor de onderscheiding van Nominatief en Accusatief, van Datief en Accusatief, meent te kunnen volstaan met een verwijzing naar de ‘bekende’ verschijnselen, en daarbij het grotendeels kunstmatige karakter van de Nederlandse naamvalsleer voorbij ziet, zal tot zijn schrik bemerken op wat voor losse gronden hij gebouwd heeft.

Is het niet een opmerkelik feit dat onze hoogleraren in de moderne talen en de overgrote meerderheid van de leraren2) òf warme voorstanders zijn van de vereenvoudigde spelling, of geen enkel bezwaar tegen de invoering hebben? Laten de onderwijzers bij het M.U.L.O. daar eens over nadenken.

Versmaden die leraren opzettelik een steun die sommige onderwijzers op de L.S. ons bezweren niet te kunnen missen? Of zouden ze graag leerlingen hebben die echte taalregels van kunstmatige weten te onderscheiden, zodat ze met een fris waarnemingsvermogen tegenover de nog onbekende levende taal komen te staan? Zou dit voordeel soms groter zijn dan dat van tijdbesparing, door handlangersdiensten van hun kollega in het Nederlands?

De ‘gemakkelike oplossing’ van Eigenhuis, die tot nodeloze moeielikheden zou leiden, is dus waardeloos 1o omdat het schrijven van die ennetjes, bij het algemenc taalgebruik, niets met beschaving of taalbeheersing te maken heeft; 2o omdat de wenselikheid van die ‘schrijftaal’ -verbuiging ter vergemakkeliking van het vreemde-talen-onderwijs door de meest bevoegden ontkend wordt.

C.d.V.

1)Zie de volledige tekst in de schoolbladen.
2)De hr. W.F. Tiemeyer in ‘Berichten en Mededeelingen’, V.E.O. No. 26, Junie 1910, en Jan Ligthart in School en Leven.

1)Zie de brochure Waarom onaannemelijk (blz. 23-24).
1)Zie de vorige jaargang van dit tijdschrift.
2)Blijkens hun ondertekening van het adres tegen de letterkundige bezwaren.
prepostterug  begin  verder