terug  begin  verderprepost
[p. 225]

Wanbegrippen omtrent taal en spelling bij letterkundigen.

Ik leg mij toe op 't schrijven van levend hollandsch. Maar ik heb schoolgegaan.
Multatuli: Idee 41.

Er zijn in de veldtocht van de zeventig letterkundigen tegen de Vereenvoudige Spelling1) allerlei sterk humoristiese elementen. Voormannen van De Nieuwe Gids, die in de taal van de letterkunde een traditionele schrijfwijze doorbraken met het levende woord, komen protesteren tegen taalkundigen en onderwijsmannen, die in het volksonderwijs ‘uit denzelfden aandrang en volgens dezelfde beginselen’ - gelijk Albert Verwey terecht opmerkte2) - met een dode schrijftraditie willen breken.

Romanschrijvers en novellisten als Coenen en De Meester, Heyermans en Querido, die in hun realisties werk de bewijzen leverden dat een bijna flektieloze taal voor verhalende en beschrijvende kunst in uitdrukkingsvermogen volstrekt niet achterstaat bij de meer ‘verbogen’ taal van een vroegere periode, komen betogen dat ze ‘behoefte hebben aan zoo veel mogelijk verscheidenheid van taalvormen’.

Adama van Scheltema, die ‘de tachtigers en hun dekadenten’ bont en blauw geslagen heeft, omdat hun taalindividualisme de kunst buiten de volksgemeenschap voerde, komt de gesmade dekadenten de hand drukken, omdat ze de noodzakelikheid uitspreken dat die volkstaal zich zal richten naar hun ‘vollere, rijker geschakeerde taal’.

Het schoolhoofd Eigenhuis en de leraren Bastiaanse en Van

[p. 226]

Moerkerken zetten hun naam onder de bewering dat invoering van de Vereenvoudigde Spelling niets minder zou zijn dan een ‘volksramp’.

Tijdschriftredakteuren komen de Minister waarschuwen voor een taalbederf, dat ze sinds jaren door hun eigen tijdschriften hielpen verbreiden.

Mogen we aannemen de meesten niet nauwkeurig gelezen of begrepen hebben wat ze ondertekenden? Onberedeneerde ergernis is een slechte raadgever. De klinkende namen verdoofden de holle klank van de argumentering. Wij denken er dus niet aan om de ondertekenaars stuk voor stuk verantwoordelik te stellen voor de zonderlinge beweringen van de ontwerpers, die een zo krachtig protest van bevoegde zijde uitlokten. Hun volslagen onbekendheid met de beginselen waaruit het streven naar vereenvoudiging voortkomt en de wijze waarop de ‘Vereniging tot Vereenvoudiging van onze Schrijftaal’ dit in praktijk brengt, is elders overtuigend aangetoond.1) Zij hebben het ondankbare werk verricht, een karikatuur te bevechten en te doorsteken. Dat kan de levende tegenstander glimlachend aanzien. Sommige schijnen het genoeglik te vinden, ook nu ze beter ingelicht zijn en vergeefs uitgenodigd om hun beweringen te bewijzen, met die karikatuur te blijven sollen.2) Dat kan uitwerking hebben op het grote publiek, maar het ondermijnt de waarde van hun protest.

 

Een verdediging van de Vereenvoudigde Spelling tegenover deze ondoordachte aanval zou voor onze lezers overbodig zijn. Een ontleding van het wanbegrip dat er achter schuilt, werkt daarentegen nuttig en verhelderend. Voor taalonderwijzers is deze strijd even leerzaam als het Kamerdebat over de spellingkwestie.3)

[p. 227]

Afkeer van ongewoon gespelde taal komt niet voort uit domheid of bekrompenheid. De taalkundige weet dat bij onze woordvoorstelling de klankherinnering verbonden is aan een gezichtsherinnering. De verstoring van deze associatie is hinderlik. Vandaar dat oude schrijvers vlotter gelezen worden, als hun werk in hedendaagse spelling is overgebracht. Maar wie zijn tegenzin ontleedt, moet tot het inzicht komen dat wijziging van het woordbeeld - dat in wezen toch slechts aanduiding is - volstrekt niet behoeft samen te gaan met taalverandering. Daaromtrent beslist alleen het oor. Weerzin tegen spellingverandering is niet te weerleggen, maar de motivering door het verwijt van taalverandering of verbastering komt voort uit wanbegrip.

De psychologen leren ons dat visuele type onder de letterkundigen sterk vertegenwoordigd is. Maar bij de besten bestaat toch altijd een tegenwerkende macht, in 't biezonder bij de dichters. Het keuren van ritme, klank en rijm geschiedt toch met het oor. Ook de grootste prozaschrijvers hebben altijd gehóórd, wat ze schreven. En juist de letterkundige beweging van '80 heeft de oren weer open gemaakt. De tachtigers schreven ‘levende’ taal, evenals Multatuli, maar.... ook zij hadden school gegaan. Ze hadden op school taal van de letter uit leren beschouwen. Dat is, dunkt me, een voorname factor bij de botsing van ouderwetse taaltheorie en intuitief-juist taalgebruik.

Met theoretiese taalbeschouwing houdt de letterkundige zich begrijpelikerwijze zelden bezig; evenmin als de schilder met de chemiese samenstelling van zijn verf. Als we dus buiten het Adres zoeken naar argumenten voor hun vonnis, dan is de oogst schraal. Het uitvoerigst is Adama van Scheltema in zijn Grondslagen eener nieuwe poëzie. Verder zullen we ons moeten behelpen met enkele korte uitlatingen, openbaar of partikulier. Misschien brengen de volgende maanden meer.

 

Adama van Scheltema's dilettantiese taalbeschouwingen zitten vol verwarring: mooie en juiste opmerkingen wisselen af met zonderling wanbegrip. Natuurlik weet hij als dichter wat ritme is. Voor theoretiese beschouwing vond hij in de mooie studie van G. Verriest (Over de grondslagen van het rytmische woord) een uitstekende gids. En toch vinden we die term elders zò gebruikt, dat er moeielik een heldere voorstelling mee verbonden kan zijn. Wat is ‘onuitspreekbaar ritme’ (blz. 132)? Ritme staat toch niet op papier! Hoe kan ritme in proza door de ‘interpunctie’ worden ‘gevormd’ (blz. 135)? Interpunktie is immers aanduiding van ritme! Nog vreemder is deze uitlating: ‘Denken wij ons Vondel echter in zijn eigen tijd naar nieuwe spelling gedrukt, dan zou zijn ritme (!) zeker weinig aandoening hebben

[p. 228]

gewekt’ (blz. 163). En hoe kan het ritme geschaad worden door ‘het minder onderscheiden tusschen hem en haar, hij en zij’? (blz. 163). De verhouding tussen taal en teken is deze criticus, die in Van Looy een ‘ritmenlooze visuel’ ziet, lang niet altijd helder. Vanwaar anders deze ‘visuele’ eis: het vers moet ook voor het oog rijmen, dus liefst niet: gaat er op water, is op isch (blz. 144). En de dichter Adama van Scheltema rijmt later onbeschroomd ruischt er op luister, en zoudt er op louter!

Terecht merkt hij op dat Vondel gerust in onze spelling herdrukt kan worden. Maar hij laat er op volgen dat de taal door een fonetiese spelling ‘veel armer zou worden’! (blz. 163).

Minder begrijpelik is een dergelijk wanbegrip bij Dr. P.H. van Moerkerken Jr., die in de schrijfwijze z'n en 'n ‘taalbederf’ ziet.1) Wat is de zaak? Ons alfabet mist een teken voor de klinker ə. We moeten ons dus behelpen met teken, die ook al andere dienst doen: met e, i of ij, door de vereenvoudigde spelling teruggebracht tot e en i. Nu zijn er ook schrijvers die in sommige woorden (mən, ən, dər, ər, ət) de ə-klank aanduiden met hetzelfde kommaatje, waarmee ook wel een grafsteen gezet wordt voor een verdwenen klank (of letter!).2) Nu kan men die gewoonte niet volgen, en aan de lezer overlaten hoe de letters mijn, een geinterpreteerd moeten worden, maar de twee vormen bestaan. En de letterkundige zal toch de taal niet willen

[p. 229]

verarmen door er een in de ban te doen. Hoe kan dan een poging tot nauwkeuriger aanduiding taalbederf zijn!

Een andere kwestie is of de dichter zən en ən vaak zal gebruiken. Een vers moet volloopen met klank, geen plekje mag leeg zijn of het doet denken aan zoo'n oud gobelin met hier en daar kaal-versleten plekken. ‘Daarom is 'n of z'n in een gedicht leelijk’, zegt de heer H. van Loon, een bondgenoot van Dr. van Moerkerken.1) Maar is dan de klankkombinatie zən of ən lelik in een vers? Mag het woord wezen er b.v. niet in voorkomen? Moet in elk gedicht een met een ē-klank gelezen worden? Mag gaat er niet op water rijmen, omdat er geen ər is?

De ergste wanbegrippen omtrent de verhouding van taal en spelling stippen we hier alleen aan. Het toppunt bereikte onlangs Adama van Scheltema in deze uitlating2): ‘Onze wisselende oo en o, ee en e zijn een rijkdom van ons Hollandsch, zij maken de taal malscher, voller en meer verscheiden. Door ze voor een deel weg te nemen, vermagert gij onze taal, ge ontroomt haar, blaast haar den blos van de kaken, en doet haar naderen tot het Engelsche taalbeeld met zijn overmacht van lijzige medeklinkers als verpersoonlijking van zijn lang en mager knokkig volk.’ Hieruit zou men opmaken dat deze schrijver de spelling mens, ontdaan van twee zulke lijzige medeklinkers zou toejuichen. Maar neen: dit is ‘een noodelooze verschrompeling, waarmee gij een sierlijke arabesk zonder reden uit onze taal (!) wegkrast.’ Tot overmaat van inkonsekwentie stelt hij aan het slot van dit artikel voor, onze taal voor de helft te ontromen en te vermageren. Geen wonder dat wij beschuldigd worden van ‘ostentatief en misleidend onderscheid maken tusschen taal en spelling’, want deze theoreticus vereenzelvigt ze volkomen. Van Loon vindt dat de taal wordt ‘iets tot op de draad-versletens of als een geplukte kip.3) Van Moerkerken neemt alleen de e- en o-spelling aan, (in theorie), omdat daardoor de afkomst-adel der woorden niet verbasterd wordt’: door de s-spelling geschiedt dat dus blijkbaar wel. Volgens Bernard Canter4) brengt de spellingbekering van Emants zijn hele kunst in gevaar. Zulke uitlatingen hebben alleen waarde als curiosa. Toen ik dergelijke krasse staaltjes uit de Franse spellingsstrijd aanhaalde5) meende ik

[p. 230]

dat de nuchterder Hollandse aard zich tot zulke buitensporigheden niet verleiden liet. De uitkomst heeft mijn verwachting overtroffen.

 

Wanneer de letterkundige het wezen van spelling doorzag, dan moest hij gesteld zijn op een zo nauwkeurig mogelike aanduiding van zijn taal. Intuitief is hij daartoe geneigd. Bij de dichter is het tot op zekere hoogte een noodzakelikheid. Schreef hij den, ik, een, mogelik enz., waar hij d', 'k, 'n, mooglik1) bedoelde, dan kon de lezer een lettergreep te veel nemen, en het versritme bederven. Hij gaat soms opzettelik tegen de heersende schrijfwijze in. Nauwkeurig schrijft hij mijn of mijne, naar mate hij een één- of tweelettergrepig woord bedoelt.2) Terwijl de Hollander zijn infinitieven en meervouden op e geregeld spelt met en, zal de dichter soms tot nauwkeuriger aanduiding geneigd zijn. Adama van Scheltema schrijft bijv.:

 
‘Dun wil ik grijpe' al de sterre' en de stede' en de golven.’
 
‘En dan wil ik leven en kussen en zingen en zingen.’

Zulke nauwkeurigheid - de esthetiese beoordeling laat ik ter zijde - is navolgenswaard. Ik ben er intussen niet zeker van, of deze ‘taalverminking’ in de ogen van alle medeprotesterenden genade zou vinden.3) Menigeen ziet in deze vormen - geheel ten onrechte - iets vulgairs. De dagelikse waarneming kan hier het tegendeel leren. Toch is de weglating van de n bij verschillende naturalisten, b.v. Heyermans, een middel om platte volkstaal aan te duiden.

Bij het weergeven van gesprekken, in roman en drama, ziet men de neiging tot nauwkeurige weergave, maar.... ook deze schrijvers hebben school gegaan. Al trachten De Meester, Robbers, Brusse, Dekking, Eigenhuis, Van Eckeren enz. de taal van gezeten of kleine burgerij, van lagere volkskringen soms foneties-nauwkeurig weer te

[p. 231]

geven, er komt toch schools-nauwkeurig den te staan, waar niet anders dan de klank de bedoeld kan zijn. Bij anderen b.v. Coenen (in Zondagsrust), Van Hulzen, Heyermans is de natuur sterker dan de leer, en komt de spelling de min of meer konsekwent, voor den dag. Bij de meesten leidt dit tot een slordig door-elkaar gebruiken van den en de, dat nòch artistiek, nòch prakties te rechtvaardigen is. Gemakzucht is hierbij het enige motief.

Lijnrecht daartegenover staat spelling-gedistingueerdheid bij sommige kunstenaars. Het bekendste voorbeeld daarvan is de oude Alberdingk Thijm. ‘Hij meende dat het lezen van een opstel of novelle b.v. een ander en in zekeren zin vollediger pleizier kon zijn het hooren voorlezen. Het voorkomen der woorden, zooals zij daar gespeld staan, gaf hem een oogengenot, dat gedeeltelijk voortkwam uit de op prijs stellende overweging van de kunstige zorgzaamheid, die aan het samenstellen van het geschrift was besteed.’1) De biograaf, die hierin zich zelf terugvindt, brengt dit in verband met ‘zijn zin voor symboliek, zijn weinige vatbaarheid voor schoonheidsgenot door direkte impressie.’ Maar hij voegt er zeer terecht aan toe: ‘Er is evenwel een gevaar aan deze zorgvuldige nauwkeurigheid ten opzichte van het uiterlijk van het schrift verbonden, het gevaar van de kleêren voor den man te houden.’... ‘Een niet nauwlettend lezer kan door eene speciale spelling zoo geïmpressioneerd worden, dat hij een onjuisten indruk krijgt van de voornaamheid eens auteurs, die zich in zoo ongemeen gewaad vertoont, evenals zelfs diplomaten soms een kostbaar gekleeden koffiehuisbediende voor een prins van den bloede aanzien.’2) Bovendien, de distinktie zit alleen in de zeldzaamheid. De spelling ‘iemant’ of ‘mooye’ is op zich zelf niet sierlik. De vergelijking met artistiek-verzorgde kopie, met een prachtige typografiese uitvoering gaat niet eens op. Het is de gedistingueerdheid van een nieuwe Parijse mode, voor de voorname dame waardeloos, wanneer die één standstrapje lager is afgedaald.

Nòch de gemakzucht, nòch de gedistingueerdheid van een letterkundige spelling kunnen en mogen norm zijn voor het volksonderwijs. Nauwkeurigheid en eenvoud zijn de beste aanbeveling voor elke algemene spelling.

 

Wanbegrip schuilt ook achter de doctrinaire scheiding van spreektaal en schrijftaal. Daaraan is eveneens een schoollucht. De letter-

[p. 232]

kundige praktijk gaat er lijnrecht tegen in. Het Adres vereenzelvigt de ‘spreektaal’ met het ‘Beschaafd Nederlands’, ‘een zeer beperkte, arme taal, grootendeels op de stoffelijke behoeften van het dagelijksch leven gericht, die bijna enkel voertuig is voor laag-bij-den-grondsche nuttigheid.’ De ‘schrijftaal’ wordt dan vereenzelvigd met de rijke litteratuurtaal, geschikt ‘tot uiting hunner uiteraard meer of min niet-alledaagsche gedachten en gevoelens.’

Is die onderscheiding houdbaar?1) Doen beschaafde Nederlanders alleen hun mond open om laag-bij-de-grondse gedachten of gevoelens te uiten, en grijpen ze anders naar de pen? Kennen kunstenaars geen andere konversatie? Wordt er niet gesproken in vergaderzalen en kerken? Is de taal van Universiteit en Parlement geen Algemeen Beschaafd? Taal is uiting van geestesleven. Met de geestelike ontwikkeling van het individu, met de sociale ontwikkeling van een gemeenschap ontwikkelt zich de taal. De steller van het Adres wilde een bewijs geven dat hij op de hoogte van zijn tijd was: de taal is voor hem ‘als een steeds veranderend organisme.’ Maar dit beeld is niets meer voor hem dan een gemeenplaatsige herinnering aan de schooljaren. Vanwaar anders de waan dat een groep taalkundigen de taal kunnen bedreigen met ‘ingrijpende veranderingen’? Bovendien is het beeld onjuist, omdat het de gedachte suggereert dat de taal iets buiten de mens is.2)

Is de ‘rijker geschakeerde taal’ van de tegenwoordige letterkunde een ‘schrijftaal’? Ook deze bewering is niet tegen ontleding bestand.

[p. 233]

Bij de nog overheersende realistiese richting in de toneel- en romankunst moeten we eerst alle letterkundige werken uitzonderen waarin de gesproken taal zo nauwkeurig mogelik weergegeven wordt. Het gesproken woord van alle maatschappelike kringen is vertegenwoordigd. Wie zich overtuigen wil dat het Algemeen Beschaafd, in al zijn nuances, allerminst is een arme kleurloze taal, behoeft maar de werken op te slaan van onze romanschrijvers en novellisten. De verscheidenheid van gesproken taal die men daar vindt, is even rijk en kleurig als het leven zelf. Vindt men in de beschrijvende kunst één ‘schrijftaal’? Leg Arij Prins maar eens naast Van Looy, of Querdo naast Van Schendel. In het letterkundig betoog? Vergelijk Van Deyssel met Van Hall. In de journalistiek? Is er veel gelijkenis tussen het proza van Brusse en Ch. Boissevain?

De verscheidenheid van taal in poëzie is niet minder groot. Boutens lijkt weinig op Adama van Scheltema, Penning evenmin op Kloos, Roland Holst niet op Verwey. Dit ligt in de aard van de zaak: elke dichter van betekenis heeft zijn eigen zegging. Het ontstaan van een ‘schrijftaal’ is hier een symptoon van verstening. Adama van Scheltema zegt:1) ‘Wij [dichters] verlangen niet liever dan een zuivere schrijftaal, die niet alleen ons vertrouwd is, maar ook het volk, waarvan wij om den dood niet willen vervreemden.’ In deze uitspraak is het wezen van dichtertaal miskend. Die ‘zuivere schrijftaal’ is, blijkens het verband een taal waarvan èn de spelling èn de grammatika (ook het woordgebruik?) gereglementeerd is op achttiendeeeuwe wijze, door een kommissie van taalkundigen en letterkundigen. Aan die regels heeft de kunstenaar en de leek zich te onderwerpen.

Op dit utopisties stokpaardje heeft Adama van Scheltema meer rondgereden. In zijn Grondslagen (blz. 163) veroordeelt hij Gezelle's willekeur, die naast elkaar sperren en sparren gebruikt en Van Looy's taalverknoeiing, die gebrocht en gebracht in het rijm nodig heeft. Terwijl dus hier ‘het streven naar zoo veel mogelijk verscheidenheid van taalvormen’ rondweg wordt veroordeeld, stoort de dichter Adama van Scheltema zich weer volstrekt niet aan de theoreticus: denk b.v. aan de meervouden en infinitieven op e en op en, de willekeurige geslachtsregeling, je naast gij, zeit naast zegt, gerocht naast geraakt enz. enz.

Geen dichter bindt zich aan een kommissoriaal vastgestelde, ‘zuivere schrijftaal’ voor algemeen gebruik. Als Adama van Scheltema zich losmaakt uit de strikken van zijn pseudo-socialistiese theorie, weet

[p. 234]

hij ook wel beter. Hoe kan hij anders Gezelle bewonderen! Wat hij als dekadente willekeur beschouwt, is bij de grootste dichters van alle tijden terug te vinden. Men kan met hem de buitensporigheden van de Tachtigers afkeuren, zonder hun juist inzicht prijs te geven. ‘Taalkundigen kennen, uit het verleden en het heden, te goed wording en wezen van letterkundige taal, om niet het recht van de kunstenaar op individueel taalgebruik ten volle te erkennen.’1) Het ‘werkmateriaal’ van de taalkunstenaar vloeit hem toe uit allerlei bronnen: de bewonderde litteratuur van vorige geslachten evengoed als het leven om hem heen. Waar het hem om schoonheid van klank en ritme te doen is, vraagt hij zich niet angstvallig af of een woord, een vorm algemeen gangbaar is. Hij verrijkt zich met archaïsmen en provincialismen. Zijn vrijheid wordt alleen ingeperkt door de eis van verstaanbaarheid. Maar ten slotte bestaat zijn grootste rijkdom in juistheid van expressie. Hier stuiten we weer op een wanbegrip. De rijkdom van een taal - meent Adama van Scheltema2) - kan men nagaan door de ‘woordenschat’ te tellen, òf in een algemeen woordeboek, òf in de werken van één dichter. Alsof de taal uit losse woorden bestond, elk met één afgepaste betekenis-waarde! Waarschijnlik is een vocabularium uit ‘De Schepping’ van Ten Kate samengesteld, rijker dan een uit de Verzen van Kloos. Betekent dit, dat Kloos in macht over de taal, in fijnheid van uitdrukking bij Ten Kate achterstaat? Evengoed zou men bij Beethoven en Schumann de verschillende noten, verbindingen of melodieën kunnen gaan tellen, om uit te maken wie ‘rijker’ was. Er zijn wel gevolgtrekkingen te maken uit de omvang van de woordvoorraad, maar nooit is taal ‘werkmateriaal’ in die zin als marmer het is voor de beeldhouwer. Taal bestaat niet op zich zelf, buiten de mens. Taal is uiting, en als zodanig even rijk of arm als het geestesleven waarvan het de uiting is. Shakespeare gebruikt meer woorden dan Milton. Daaruit volgt niet dat Shakespeare het geluk had in een tijd te leven dat het Engels rijker was, maar hoogstens dat Shakespeare's kunst een groter sfeer van leven en gedachte omvat. Wie zou een dichter, ter verrijking van zijn taal, dageliks aan de lektuur van een woordeboek willen zetten? Onwillekeurig redeneert men: als Shakespeare geboren was in een Hottentottenkraal, zou zijn kunst onmogelik geweest zijn, doordat het Hottentots hem de taalmiddelen niet verschafte. Zo draait men de verhouding om. Taal is afspiegeling van een kultuur. Niet

[p. 235]

omdat de taal te kort schiet, maar omdat de kultuur onontwikkeld is, kan uit een primitief volk geen wereldkunstenaar opstaan.

 

Algemeen verspreid is ook het leken-misverstand, dat veelheid van grammatikale vormen een maatstaf is voor taalrijkdom. Taalkundigen weten beter. Met het verdwijnen van de vormen verdwijnt niet het vermogen om de funktie uit te drukken. Alleen het middel verandert. Anders zou immers het moderne Duits gebrekkiger zijn dan het Goties, het Engels achterstaan bij het Angel-Saksies, het Frans bij het vulgair-Latijn.

Het schrikbeeld dat de protesterende letterkundigen voorzweefde, was een ‘arm, onbuigzaam’ Nederlands. Adama van Scheltema zegt: Uw ingrijpende voorstellen beteekenen, eenmaal verwerkelijkt, dat binnen een menschenleeftijd de geslachts-uitgangen niet meer worden geschreven, niet meer bestaan.1)

Wij zullen straks nagaan, waarom deze bewering voor de letterkundige taal stellig onjuist is. Een feit is het intusschen dat, onafhankelik van ons streven, de taal van onze letterkunde in de laatste kwart-eeuw veel buigingsvormen heeft laten varen. Ook daarop komen we terug. Gesteld nu dat over een of twee eeuwen de taal van onze dichtkunst en prozakunst, wat flektie betreft, op het standpunt komt van het tegenwoordige Engels, hoe kunnen bewonderaars van Shakespeare en Shelley, van Carlyle en Ruskin dan beweren dat een rijk geschakeerde litteratuurtaal dan onmogelik zou zijn? De oorzaak van dit wanbegrip is gemakkelik na te gaan. Men stelt zich voor dat in een bestaand stuk proza, in een bestaand gedicht alle buigings-n's worden geschrapt, en telkens der en des vervangen door van de. Het duidelikst blijkt dit uit Adama van Scheltema's woorden: ‘door het verdwijnen dier geslachtsuitgangen worden tallooze versregels verminkt en ontzield.’ Natuurlik. Maar dat verlangt ook niemand. De vraag is, of in de toekomst ook zonder die buigings-n en die genitiefvormen taalkunst mogelik zal zijn.

Werd aan een dichter of een schrijver, die zijn hele leven veel gebruik van genitiefvormen op r en s gemaakt heeft, de eis gesteld die vormen plotseling te vermijden, dan zou hij dat stellig als een gemis voelen. Maar ook die eis zou onzinnig zijn. De praktijk van

[p. 236]

dichters en schrijvers die de Vereenvoudigde Spelling toepassen, bewijst dat ook zij niet met de traditie breken, als zij daarmee hun taal geweld aan zouden doen. Die praktijk bewijst ook dat de angst voor een toekomstige opeenhoping van voorzetsels ongegrond is. Gemakkelik genoeg is een verbinding te bedenken als: ‘van de vormen van de inrichting van de maatschappij.’ Maar even gemakkelik kunnen we daarnaast zetten: van het gebruik van het geslacht van het lidwoord; van het afbreken van het dak van het huis. Een goed schrijver weet de eerste zoowel als de laatste eentonigheid te vermijden. Zou anders hetzelfde bezwaar niet gelden voor het Franse de la, het Engelse of the, of a? Wie op dit punt stijlbederf zou willen aantonen, vindt overvloedig gelegenheid om materiaal te verzamelen uit de geschriften van vereenvoudigers.1)

Voor de toekomst van onze letterkundige taal behoeven de kunstenaars zich dus niet bezorgd te maken. Voor een plotselinge breuk met het verleden evenmin. Een gebod of verbod van een bepaald taalgebruik is in de regels van de Vereenvoudigde Spelling niet uitgedrukt, noch listiglik verborgen.2) Ook zonder invoering van die spelling kan en zal het Algemeen Beschaafd onderwijs-norm worden. Zonderling is het, dat verscheiden auteurs, die zich in hun eigen schrijven bijna geheel naar het beschaafd taalgebruik richten, daarin een ‘bedreiging’ zien. In mijn Beweging-artikel toonde ik aan, dat er in de taal van de realistiese kunst na 1880 een zeer sterke opschuiving naar het Algemeen Beschaafd plaats gehad heeft. Als dus onze romanschrijvers en novellisten zich bezorgd maken over een kloof die zal gapen tusschen hun taal en de algemene, dan zullen ze, bij scherper onderscheiding van spelling en taal, moeten inzien dat dit slechts een spellingkloof is, die ze zonder gemoedsbezwaar kunnen overstappen.

Nog zonderlinger is het, schrijvers als Boutens en Ary Prins, die juist om hun individuele taal in zeer beperkte kring gewaardeerd worden, te horen klagen dat de invoering van de V.S. het grote publiek van hen zal vervreemden, omdat het de ‘rijker geschakeerde taal’ niet meer verstaat. Die ‘rijkere schakering’ kan in dit verband

[p. 237]

immers niet anders betekenen dan de buigingsvormen, in 't biezonder weer de genitieven en enkele accusatieven. Nu is de buiging bij Boutens, vergeleken b.v. bij Potgieter, zeer schaars, terwijl Ary Prins ongeveer geen buigingsvormen gebruikt.1)

 

Hiermee komen we tot een ander wanbegrip, alweer grotendeels het produkt van een oud taalonderwijs. Op de schoolbanken - zo redeneren de meeste auteurs - leerden wij de schrijftaal gebruiken. De Grammatika is daarvan het wetboek. Bevoegde vakmannen stelden die samen uit de werken van de beste auteurs, en verwerkten wetenschappelik de gegevens. Ondertussen zijn wij opgegroeid tot toongevende schrijvers. Is nu een herziening van de Grammatika nodig, dan dienen wij daarin gekend te worden. De kunstenaar is de taalaristokraat, de eigenlike wetgever op taalgebied.2) Aan een vereenvoudigde spraakkunst, door schoolmeesterlike gemakzucht ontworpen, verkiezen wij geen gezag toe te kennen.

Daartegenover stelt de nieuwere taalwetenschap en het nieuwere onderwijs: de Grammatika is niet een boek met voorschriften, die geldig blijven totdat ze herzien worden, maar de regels, opgemaakt uit het mondeling en schriftelik taalgebruik, wisselend met dat gebruik, en niet door willekeurig ingrijpen te veranderen. Evenmin als al het gesproken en geschreven Nederlands één homogene taal is, evenmin is er één Nederlandse grammatika. Een spraakkunst van het tegenwoordige beschaafd-gesproken Nederlands werd samengesteld door Buitenrust Hettema, Kollewijn en Talen. Nu menen sommige letterkundigen dat deze heren alleen het taalgebruik dat daar beschreven is voor behoorlik houden, en alle andere regels voor ‘verouderd’. Ze menen dat wij in ‘archaïsmen’ een soort schimpwoord zien. Niets is minder juist. Letterkundige taal, en in 't biezonder de poëzie, is uiteraard min of meer archaïsties. Een grammatika van dichtertaal heeft even veel recht van bestaan, is niet minder goed Nederlands dan die van het Algemeen Beschaafd: De grammatika van het Nederlands zou ook het rijk geschakeerd dialekties Nederlands moeten omvatten. Wanneer wij op pedagogies standpunt in het Algemeen Beschaafd onze norm zoeken voor het mondeling en schriftelik taalgebruik van onze leerlingen,

[p. 238]

dan betekent dit geen uitsluiting van andersoortig Nederlands. Hoe zouden we litteratuur kunnen behandelen en leren waarderen, zonder de taal van de kunst, ook grammaties, te doen verstaan?

Doordat voor veel letterkundigen de grammatika een stel regels is, die ze vroeger uit een boek leerden en nu beheersen, zien ze de waarheid over 't hoofd dat de grammatika van hun taal niet meer dezelfde is als die van hun schooljaren. Vandaar een eigenaardig zelfbedrog. We zagen al dat Ary Prins verklaart een ‘onbuigzame’ taal te verfoeien, terwijl de zijne zo goed als zonder verbuiging is. Herman Robbers verklaarde mij: ‘Ter afwisseling en tevens ter versterking onzer expressie, kunnen wij “des” en “der” niet missen.’ Na die uitspraak herlas ik IJs in de gracht (40 blz.) en vond daarin geen enkele maal ‘des’, vijfmaal een enkelvoudig der en zesmaal een meervoudig der. Het bez. vnw. bleef geheel onverbogen, het aanwijzend vnw. op één geval na. Onderzoeken we op deze wijze de grammatika van onze beste prozaïsten en dichters, dan zou het resultaat, naast Terwey gelegd, menigeen verrassen. In die richting is nog heel wat materiaal te verzamelen. Dit onderzoek zou aantonen dat de grammatika van de ‘schrijftaal’ niet als iets afzonderliks te beschrijven is. Er is letterkundige taal waarin de spraakkunst van het Algemeen Beschaafd geheel, of bijna geheel terug te vinden is. Er is ook taal die èn van dat Beschaafd, èn van vroeger dichterlik taalgebruik afwijkt. De taal van Boutens onderscheidt zich o.a. door een voorkeur, waarschijnlik onder invloed van Engelse poëzie, voor genitieven als: nachts val, uw ziels kristal, vreugdes morgen, zons hand, blijheids doel, enz., terwijl hij voor een klinker graag de mannelike accusatief de (d') gebruikt, bv in d'effen schijn, in d'eiken schrijn, op d'achtergrond, aan d'overkant, enz.

De geslachtsonderscheiding, uit de tegenwoordige poëzie te konstateren, zou niet in overeenstemming zijn met de Woordenlijst van De Vries en Te Winkel.1)

Een dergelijk grammatikaal onderzoek van letterkundige taal zou

[p. 239]

ook voor onze letterkundigen uiterst leerzaam zijn. Ze konden er uit leren, 1o. dat ‘verscheidenheid van taalvormen’ prijsgegeven kan worden, zonder de ‘uiting van het geestesleven’ te verarmen; 2o. dat het opduikend plan om de grammatika bij onderlinge overeenkomst te vereenvoudigen èn wetenschappelik èn artistiek onmogelik is.

Deze beide punten vereisen nog enige toelichting. Bij de tegenwoordige prozaïsten is het betr. vnw. welke met zijn buigingsvormen zeldzaam geworden. Had men dat een halve eeuw geleden voorspeld, dan zouden toenmalige letterkundigen dit woord welke ‘ter afwisseling’ onmisbaar verklaard hebben. Nog een halve eeuw vroeger achtte men het voornaamwoord dezelve ter aanduiding van zaken, onontbeerlik. In Vosmaer's Amazone wisselen bij hetzelfde gesprek gij, ge, u en je af.1) Onze romanschrijvers zijn op dat punt ‘eentoniger’.

In de tegenwoordige poëzie zijn de onverbogen vormen van het bez. vnw. regel geworden. Sommige dichters, o.a. Albert Verwey, gebruiken de tweelettergrepige vormen mijne, mijner, mijnen zelden; andere wat meer, terwille van klank of ritme.2) Moet men hier van vrijwillige verarming spreken? Ongetwijfeld zou een vroeger dichtergeslacht dat zo beschouwd hebben. Nog in een ander opzicht is het laatste voorbeeld leerzaam. Mijn is regel geworden, ook waar de ‘schrijftaalverbuiging’ mijne zou vereisen, maar de dichtertaal blijft over de vormen mijner, mijner, mijnen beschikken, als archaïsties kunstmiddel. Als wij nu voorspellen dat het met het lidwoord juist zo zal gaan, waarom vindt men dan het laatste zo schrikwekkend, terwijl het eerste nauweliks opgemerkt, en nooit door de kunstenaars als een gevaar gesignaleerd is?

Ten slotte het tweede punt. Spellingvereenvoudiging kan bij overeenkomst geregeld worden: de keuze tussen deze of die weg is een kwestie van praktiese aard. Vereenvoudiging van de grammatika daarentegen kan nooit een kunstmatig karakter dragen. De grammatika wordt eenvoudiger, maar kan nooit eenvoudiger gemaakt worden. Wij willen geen geslachtsonderscheid ‘afschaffen’, omdat dit voor het onderwijs gemakkeliker is, zodat we desnoods ook met een afschaffing van de helft tevreden zouden zijn. Wij willen niet in sommige gevallen de voor den schrijven, omdat het ons beter voorkomt, maar

[p. 240]

omdat het zo is. Een kunstmatige bemiddeling zou even onwetenschappelik als onmogelik zijn. Dezelfde letterkundige die een middenweg voorstelt, Adama van Scheltema, verklaart bij voorbaat dat hij zich in zijn poëzie niet aan zo'n afspraakje houden zal. Hij schrijft in het ene vers ‘op de grond’, in het andere ‘op den vochten grond’, en verklaart plechtig dat hij onmogelik anders doen kon, dat hij het neerschreef ‘na rijpe, maar al te dikwijls pijnlijke overweging.’ Wat helpen de meest ‘logiese’ geslachtsregels, als de kunstenaar met zijn oor beslist of de buigings-n in zijn vers al of niet past!

Wanneer de grammatika van het Algemeen Beschaafd op de volkschool als norm voor het algemene schrijven erkend wordt, dan vrezen sommige letterkundigen daardoor ‘buiten de gemeenschap huns volks’ gesteld te worden. Maar laten ze eens uit hun kunstfeer afdalen, en ons vertellen wat ze dan van ons taalonderwijs verlangen. Moeten alle kinderen op alle volkscholen de geslachtsregels leren toepassen, omdat ze anders de moderne litteratuur niet verstaan? Neen; want de letterkundigen zelf zijn daaraan niet gehecht, nòch in theorie, nòch in praktijk. Moet er dan een nieuw ‘schrijftaalgebruik’ vastgesteld worden uit de werken van hedendaagse auteurs, en moet die spraakkunst op alle scholen, ook de laagste, onderwezen worden? De onmogelikheid daarvan toonden we reeds aan. De kunstenaars die ons nu ten onrechte van ‘gesystematiseer’ beschuldigen, zouden dan de eersten zijn om te protesteren tegen de onvermijdelike willekeur van dergelijke voorschriften. De leerling zal op de schoolbanken letterkundige taal leren kennen en waarderen. Schuilt er een dichter onder, dan zal hij zijn toekomstige dichtertaal niet moeten danken aan zijn leraar, maar dan zullen het leven en de litteratuur zijn leermeesters zijn. Voor hem geen betere taalschool dan die van natuur en waarheid.

Overleg omtrent een nieuwe geslachtsregeling tussen taalkundigen onderling, of tussen taalkundigen veroordeelt zich zelf. De geschiedenis alleen zal beslissen. De letterkundigen hebben te handelen naar hun artistieke overtuiging. Als ze intussen vooroordelen op zij zetten, en helderder inzicht krijgen in het wezen van spelling en grammatika, zullen ze inzien dat hun angst voor de Vereenvoudigde een nachtmerrie geweest is. Wij taalkundigen hebben de taalevolutie af te wachten en te bestuderen, terwijl wij als pedagogen veilig op de ingeslagen weg kunnen voortgaan, liefst gesteund door de vereenvoudigde spelling, maar desnoods mèt de ballast van de oude. Op ons rust de verplichting om een geslacht op te voeden, zonder wanbegrippen omtrent wezen en wording van algemene en letterkundige taal.

C.G.N. de Vooys.

1)Onder leiding van Dr. P.C. Boutens, Frans Coenen, Frans Mijnssen en Arij Prins richtten zeventig letterkundigen een adres aan de Minister, waarin zij de algemene invoering van de V.S. ‘een ramp voor hun volk’ noemden, een bedreiging van ‘den vormrijkdom onzer taal met onvermijdelijke verarming.’ De volledige tekst kan men vinden in Vereenvoudiging, waar ook het protest van de taalkundigen volledig afgedrukt is.
2)Een woord in zake spelling-wijziging in De Beweging (April 1910), blz. 58.
1)Bij voorbaat in mijn artikel De letterkundigen tegenover de Vereenvoudigde Spelling (De Beweging, April 1910). Na het adres door P. Valkhoff: Taalverarming? (Vragen des Tijds, Junie 1910), Marc. Emants: Een nationaal belang en het adres van de zeventig letterkundigen (Groot Nederland, Julie 1910) en door Dr. J.B. Schepers in zijn open brief: Verkeerde Raadgevers (Haarlem - H.N. Mul - 1910).
2)Coenen zei onlangs van een nog niet gedrukt toneelstuk (door Brandt van Doorne) dat het ‘Kollewijnsch’ geschreven was. Bastiaanse had het in de N.R. Cour. weer over ‘Kollewijnsche taal’. De schrijver van een Letterkundige Kroniek in de N.R.C. (30 April) (J. de Meester?) meent dat het ‘Kollewijnianisme’ ‘de dagelijksche gebruikstaal als voertuig ook voor het gedachteleven aanvaardt’, en noemt het ‘een nieuw gesysthematiseer, dat de taal.... niet rijker maakt.’
3)Dit artikel is dus bedoeld als een tegenhanger van Wanbegrippen over taal en spelling in het Parlement in De Nieuwe Taalgids III, 143.
1)In een artikeltje De spelling der Nederlandsche Taal in het weekblad De Amsterdammer (8 Mei 1910). Had de heer Van Moerkerken niet beter gedaan het predikaat ‘Dr.’ bij de ondertekening weg te laten? Een letterkundige kan men zulk misverstand vergeven; een doctor in de Nederlandsche letteren niet. Hij diende beter op de hoogte te zijn, en tenminste de regels van de Vereenvoudigde Spelling gelezen te hebben. (Behalve de schrijfwijze z'n stelt hij de spelling -likker, tuis op rekening van de Vereenvoudigde). Dat geldt ook voor zijn insinuaties aan het adres van Taal en Letteren. Onder de voormannen van dat tijdschrift zijn er die èn in hun wetenschappelikopvoedkundig, èn in hun letterkundig werk door Dr. Van Moerkerken nog niet overtroffen werden.
2)Het verdwijnen van een letter b.v. in de schrijfwijze 'et voor ət, die Van Deyssel al gebruikte, maar die ongebruikelik bleef. Dr. Moller schrijft et (zonder komma) naast 't. Van den Bosch schrijft in zijn Lees- en Taalboek konsekwent het = ət, en 't = t. Sommige dichters schrijven voor een klinker de', met aanduiding van een verdwenen letter, waar ze eigenlik bedoelen d', met aanduiding van de door samensmelting verdwenen ə. Want den (d + è + n) kan met een volgende klinker niet samensmelten als d. Bestond er geen taalvorm de naast den, dan was die samensmelting nooit geschied.
1)Ook een academies-gevormd neerlandicus, in een artikeltje De Nieuwe Spelling (De Hofstad 28 Mei 1910).
2)De Amsterdammer, 24 Julie 1910.
3)In het aangehaalde artikel.
4)In een Open brief aan Marc. Emants (De Nieuwe Courant).
5)In mijn Beweging-artikel, April 1910.
1)Adama van Scheltema beweert dat ‘wij dichters’ de uitgang lijk ‘noch toonloos zien, noch toonloos willen doen hooren.’ Men leze dus voortaan zijn verzen: En ieder zei: ‘wat vreeslijk! Dat's zeker ongeneeslijk!’ met twee ij's. Of hij het recht heeft uit naam van alle andere dichters te spreken, laten we in het midden.
2)De schrijfwijze ‘mijne oogen’ in een vers van Van Moerkerken berust weer op schoolgewoonte.
3)Ook Boeken, en met hem vele anderen, gebruiken in poëzie de meervouden en infinitieven op e (e'). Bij Boeken vond ik op enkele bladzijden bovendien gespeld: knuist'ge, scheut'ge, geluk'ger, g'loof, ong'luk, strij'n (= strijden), myth'logie, had 'k geloof. (Vgl dezelfde opeenstapeling van medeklinkers in twee opeenvolgende verzen bij Van Moerkerken: ‘En als 'k mijne’ - Zag 'k daar.
1)J.A. Alberdingk Thym, door A.J., blz. 296.
2)a.w. blz. 297.
1)Een typies staaltje van verward denken en onderscheiden vindt men bij Gerard van Eckeren (Den Gulden Winckel, Julie 1910). Volgens hem is ‘de levende taal, de taal bij uitnemendheid de taal der groote dichters.’ Van een bepaald standpunt is daar iets voor te zeggen. Maar dan volgt: ‘De spreektaal is de cliché-taal, de taal die, ja, eigenlijk zoo dood is als een pier.’ Volgens de schrijver schijnt zijn tot de ‘schrijftaal’, en z'n tot de ‘spreektaal’ te behoren. Hij zegt: ‘Z'n’ is een vulgariseeren naar de spreektaal toe. Weet hij niet dat èn in de algemene taal èn in de litteratuur-taal de betoonde en de onbetoonde bez. vnw. voorkomen?
2)Zie het citaat van Dr. Moller in De Nieuwe Taalgids IV, 170. Nog onlangs schreef Albert Dauzat (La vie du langage, blz. 92): ‘Il ne faudrait pas évidemment prendre au pied de la lettre une comparaison ingénieuse. La linguistique n'est pas la biologie. Ce n'est que par une abstraction hardie que nous conférons une existence au mot, en dehors des individus qui le prononcent.’ Onjuister nog is het vergelijken van de spelling met de huid van dat organisme, gelijk Dr. Kuiper deed (zie de weerlegging in D.N. Taalgids III), en onlangs de heer H. van Loon (in De Hofstad).
1)In de Amsterdammer, 24 Julie 1910).
1)Aldus in het Adres van de taalkundigen.
2)Grondslagen, blz. 149. En met hen menig ander!
1)Ook hier is de A.v.S. weer de belichaamde onkonsekwentie. In zijn Grondslagen (blz. 151) lezen we: Het Hollandsch heeft met het Duitsch nog eenigszins de geslachts- en verbuigingsuitgangen gemeen, ofschoon ze gelukkig (als ritme-belemmerend) verdwijnen.
1)Dit bewijs eiste ik vergeefs van Dr. Gunning (zie De School, Junie 1910) toen hij beweerde, altijd en overal stijlontaarding gekonstateerd te hebben, wanneer een auteur ‘bekeerd’ werd tot het ‘Kollewijnianisme.’
2)Dit laatste veronderstelt o.a. Gerard van Eckeren (Den Gulden Winckel, 15 Julie 1910). Onze verwijzing naar onze eigen Handleiding is ‘de gewone truc der vereenvoudigers,’ om het beginsel te verbergen.
1)Opzettelik onderzocht ik nog eens een ander stuk dan het vroeger genoemde fragment (Vgl. mijn Beweging-artikel, blz. 50), nl. Harold, waar ik op dertien bladzijden drie genitief-vormen vond, tweemaal des, en eenmaal wiens.
2)In deze geest spraken Bernard Canter, Adama van Scheltema en Van Moerkerken.
1)Zie mijn Beweging-artikel, blz. 52, noot 1. De daar genoemde dichters zijn niet de enige, die onopzettelik of opzettelik van de Woordenlijst afwijken. Scharten en Adama van Scheltema doen het bewust (Vgl. Valkhoff: Taalverarming? blz. 5). Boutens schrijft b.v. der nacht. Jan Prins zegt van een brug: haar, maar in hetzelfde gedicht van de zon zijn. J.F. yan Hees schrijft: ik min de morgen (Groot Ned. Julie 1910). Een dichter als Gezelle volgt natuurlik het Vlaamse woordgeslacht, zodat hij terecht zegt: ‘den winter en de dood bevecht.’ Adama van Scheltema (N.B.!) verwijt hem, op grond daarvan (Grondslagen blz. 163) ‘dat hij er maar willekeurig op los schrijft.’
1)B.v.: gij wildet heengaan - u weet niet alles - weet gij niet - ken ie - zijt ge - heb je - Gij zijt jaloersch en heerschzuchtig. - Ge weet dat ik je van harte gaarne mag; maar je bent heftig (blz. 218).
2)Het gebruik van die vormen kan ook armoede verraden, wanneer het aanhangsel dient om een voet of vers vol te krijgen.
prepostterug  begin  verder