terug  begin  verderprepost

Uit de tijdschriften.
(Mei-Junie.)

De Gids. Mei.

Grotendeels een Multatuli-nummer. C.Th. van Deventer drukt de brieven van Multatuli aan den Koning (1860) af, en bespreekt het ambtelik leven van Douwes Dekker naar aanleiding van twee bronnenpublicaties: Multatuli en congé, door J. van Vollenhove (Havelaar-voorspel) en de Officiële bescheiden, uitgegeven door P.M.L. de Bruyn Prince (Uit Multatuli's dienstjaren). Vooral het eerste opstel is merkwaardig, omdat van de verloftijd zo weinig bekend was. En juist toen kwam tengevolge van de ‘onvrede met zijn bestaan’ zijn geest tot rijpheid. - J. Prinsen J.Lz. bespreekt Multatuli's houding tegenover de litteratuur, tijdens het ontstaan van den Havelaar. Uit de beschouwingen over W. Scott en over de Franse romantiek van 1830 in de Havelaar is te verklaren dat dit boek ‘een volkomen gaaf kunstwerk’ kon worden. Het latere scheve oordeel over literaire kunst, toen ‘een tere snaar gesprongen was, en het evenwicht verbroken’, maakt de disharmonie in zijn letterkundige uiting begrijpelik. - W. Meijer behandelt Multatuli als vrijdenker. Een wijsgeer is hij nooit geweest, maar zijn grootste verdienste is, dat hij ‘aanspoorde tot vrij denken’. - Enige Onuitgegeven brieven van Multatuli aan Busken Huet, afgedrukt door G. Busken Huet, vullen een leemte aan in de uitgegeven korrespondentie. - F.M. Wibaut schetst in Een woord van laten dank Multatuli's grote invloed, op grond van eigen ervaring. - In het Overzicht der Nederlandsche Letteren be-

[p. 221]

spreekt C. Scharten o.a. verzen van Hélène Lapidoth-Swarth (Bleeke luchten), die hij boven het werk van de eerste periode stelt, en verzen van jongere dichters, o.a. Jules Schürmann.

Junie. G.J.P. de la Valette geeft in een artikel Dek (Van en over hem) zijn herinneringen aan Multatuli, en fragmenten uit een briefwisseling tussen 1880 en 1882. Het is een interessante bijdrage tot de kennis van Multatuli's laatste levensperiode. - G. Busken Huet publiceert het laatste deel van de Onuitgegeven brieven van Multatuli, voornamelik lopende over zijn onderhandelingen met het konservatieve ministerie van 1868. - C. Scharten toont zich in het Overzicht der Nederlandsche Letteren buitengewoon ingenomen met Adama van Scheltema, die in zijn laatste bundel ‘de schoonste mogelijkheden zijner lyriek schijnt te hebben bereikt’. In de jongste verzen van S. Bonn en Jacqueline van der Waals vindt hij veel goeds. De jonge Vlamingen stellen te leur: ‘zelfs René de Clercq in zijn nieuwen bundel Toortsen begint ons te begeven’. Aan de opbloei van een Nederlandse litteratuur in Zuid-Afrika gelooft hij niet, ‘omdat deze taal leelijk is’, ‘een verminkte en verarmde tongval’, ‘een gebarsten viool’, waarop men nooit schoon zal kunnen zingen.

De Nieuwe Gids. Mei.

Uit Potgieters Jongelingsjaren, een nadere verklaring van 's dichters innerlijk leven’ is de titel van een studie, door K.H. de Raaf, waarin overtuigend wordt aangetoond dat de teleurgestelde liefde, een telkens herhaald motief in Potgieter's jongelingsverzen, niet op dichterverbeelding - gelijk Verwey meende - maar op werkelikheid berust. Het gedicht Wilhelms Reize, in deze studie voor 't eerst volledig afgedrukt, komt daardoor in een nieuw licht. - W. Kloos bespreekt in de Literaire Kroniek: Het Ivoren Aapje van H. Teirlinck. - A. Aletrino beoordeelt een aantal Vlamingen. Alleen Piet van Assche, Gust. van Roosbroeck en Frans Verschoren worden geprezen; met de anderen drijft hij de spot.

Junie. In een vervolg van het bovengenoemde artikel geeft De Raaf een reeks van interessante dokumenten uit het Potgieter-archief, over Potgieter's verblijf in Gothenburg. Wij leren daaruit de personen kennen met wie hij omging, en die hij o.a. in Het Noorden herdacht, maar ook worden sprekende trekken toegevoegd ‘aan de karakterschets van onzen beminden dichter.’ - In de Literaire Kroniek vindt Kloos aanleiding om over Rhijnvis Feith te spreken - ‘een begin van eerherstel’ - door een werk van Jan Feith, dat in enkele regels geprezen wordt. De geestelike verwantschap die Kloos tussen deze familieleden ontdekt heeft, is niet al te duidelik.

[p. 222]

De Beweging. Junie.

Albert Verwey spreekt in de rubriek Boeken, Menschen en Stroomingen, naar aanleiding van een Zweeds boekje, over Potgieter en Hilda Wijk. Daardoor valt een nieuw licht op de kring waarin Potgieter verkeerde en op zijn later letterkundig werk, vooral Het Noorden. (Vgl. De Raaf in De Nieuwe Gids).

Groot-Nederland. Mei.

J. Walch beoordeelt afbrekend de 18deeeuwse studies van W. Kloos, Een daad van eenvoudige rechtvaardigheid.

 

Junie. R.A. Kollewijn bespreekt Kalff's Geschiedenis der Ned. Lett. V, waarin hij, in verband met het vierde deel, het gemis aan strenge chronologie betreurt, maar dat hij overigens prijst. Minder gunstig oordeelt hij over Te Winkel's Ontwikkelingsgang der Ned. Lett. III, waarin hij forse lijnen en perspektief mist, al is het verdienstelik door grote geleerdheid. Ook tegen de stijl van het laatste werk heeft hij ernstige bezwaren. - Edm. van Offel behandelt in een Vlaamsche Kroniek o.a. werk van Herman Teirlink en Maurits Sabbe.

Elseviers Maandschrift. Mei.

Bij enige mooie Multatulie-illustraties geeft S. Kalff een onbeduidend-anekdoties artikel Multatuliherleving. - H. Robbers bespreekt de bundels Najaar van Stijn Streuvels.

Junie. Robbers bespreekt o.a. het laatste werk van Cyriel Buysse, waarmee hij minder ingenomen is, en Joh. de Meester's Lichte Lijnen, waarvan hij de techniese knapheid prijst.

Den Gulden Winckel. Mei-Junie.

J.D.C. van Dokkum redigeert een nieuwe rubriek: Lexicografische Mededeelingen, beknopte biografieën van bekende hedendaagse letterkundigen, met miniatuur-portretjes.

Vragen des tijds. Mei.

B.H. Pekelharing bespreekt Nogmaals het Woordenboek der Nederlandsche taal, om de belangstelling van het ontwikkelde publiek in deze belangrijke onderneming te verlevendigen.

Junie. Een geestig artikel van P. Valkhoff: Taalverarming? neemt het adres van de zeventig letterkundigen tegen de Vereenvoudigde Spelling onder handen. Hij toont aan hoe dit op misverstand berust, en in 't biezonder hoe de taal van schrijvers als F. Coenen, de leider bij dit protest, en J. de Meester even ‘arm’ aan buiging is als het Algemeen Beschaafd dat ze verwerpen.

Van onzen tijd. Nummer VIII.

D.A.W.H. Sloet geeft in twee bladzijden nieuwe, vroeger door hem gemotiveerde, voorstellen

[p. 223]

tot Spellingvereenvoudiging. De moeielikheid van de geslachtsregeling meent hij te kunnen oplossen door deze regel: ‘Waar het geslacht niet door de natuur of het spraakgebruik duidelijk is aangewezen, kan ieder zich in dit opzicht richten naar zijn taalgevoel.’ Meent de schrijver werkelik dat dit een voor 't onderwijs bruikbare regel is?

De Katholiek. Junie.

G. van Poppel: De sproke van Beatrys.

De Nieuwe School. Junie.

Thijssen geeft, onder het opschrift Opkamertjes-moord, een afbrekende kritiek van Lezen en Verwerken door G. Elgersma.

Tijdschr. v. Ned. Taal en Letterk. XXIX. Afl. 2.

S.G. de Vries toont aan dat ‘Scaliger met den purperen mantel’ uit Hildebrand's Familie Kegge een citaat is uit Niebuhr. - W. van Helten geeft aantekeningen bij Van Wijk's etymologieën. - Verdam wijst er op dat de uitdrukking Gode tam maken (in Wapene Martijn I) betrekking kan hebben op het bekende volksgeloof dat de eenhoorn door een maagd getemd wordt, symbolies op Christus toegepast. - J.W. Muller schrijft over Robijn en consorten. Robin is het staande type van de lompe boerenkinkel, later ook landloper; vandaar dat robijnsack en robijn ook bedelzak betekent. - W. de Vries publiceert uitvoerige Opmerkingen over Nederlandsche syntaxis en bespreekt zogenaamde ‘usurpaties’, d.w.z. zinstypen als ‘Het zit hier mooi’; ‘Nieuwe schoenen lopen lastig’, enz.1)

Afl. 3. F. van Veerdeghem geeft een overzicht van Houwaert's Handel der Amoreusheyt, een zeldzaam rederijkersspel van 1583, ten onrechte vereenzelvigd met een gelijknamig stuk dat in 1621 te Rotterdam verscheen. - M. Boas bespreekt Het Latijnsche origineel der Middelnederlandsche Cato-bewerking. De ‘overschietende strofen’ in de uitgave van Beets blijken deels uit een andere Latijnse redaktie afkomstig dan die Beets kende. De te reconstrueren Mnl. Cato- vertaling krijgt waarde bij het vaststellen van de verwantschap tussen de Latijnse handschriften. - J.W. Muller drukt in een artikel Reynaert in de kanselarij aardige, grappig bedoelde Latijnse brieven af van Koning Leeuw aan de ezel en de haas, vol herinneringen

[p. 224]

aan het dieren-epos. De teksten, onlangs in Utrecht gevonden, waren al uit andere handschriften bekend. Ze ontstonden in Noord-Italië, en leveren een nieuw bewijs voor de populariteit en de uitbreiding van het dieren-epos. - A.E.H. Swaen wijst drie Engelse liedjes aan, die Starter gekend en gebruikt heeft (‘Vrou-voedster van de jeugd’). - G.A. Nauta brengt enkele Franse dichternamen terecht uit Castelein's Const van Rhetoriken. - B. Faddegon behandelt de afstandsdissimilatie van consonanten, naar aanleiding van een gelijktijdig Duits boek (van Meringer und Mayer) en een Franse studie (van M. Grammont), die elkaar aanvullen en bevestigen.

Museum. Junie.

Gustave Cohen bespreekt de Middelnederlandsche Dramatische Poëzie door P. Leendertz Jr.

Volkskunde. Afl. 3-4.

A. de Cock verzamelde allerlei volksgeloof uit verschillende landen en streken in een artikel over Het Kerstfeest. - Jos. Schrijnen schrijft over De Oud-Christelijke Liefdemalen. - G.J. Boekenoogen vervolgt de rubriek Nederl. sprookjes en vertelsels (No. 129-130); A. de Cock de drie lopende rubrieken (Plantennamen, Spreekwoorden en Zegswijzen, geparodieerde sermoenen). Onder de Boekbeoordelingen worden enige zeer belangrijke werken op het gebied van volkskunde besproken, nl. Histoire de l'Imagerie populaire flamande door Em. van Heurck en G.J. Boekenoogen, La formation des Légendes door A. van Gennep, Essays en Studiën in vergelijkende Godsdienstgeschiedenis, Mythologie en Folklore door Dr. Jos. Schrijnen, en Faune populaire de la France door E. Rolland.

Onderwijs en Opvoeding. No. 18.

H.E.W. Moller geeft een scherp-kritiese beschouwing Over 'n examen in de Nederlandse taal (toelatingsexamen voor de kweekschool te Beverwijk). In No. 19 worden nog tweeërlei examenopgaven onderhanden genomen, om te laten zien hoe alle schriftelike opgaven ‘waarin de patiënten hun kennis moeten tonen van hun moedertaal’, in het teken van de ‘stijloefeningen’ staan.

No. 20. Nieuwe spelling, taalverarming, geestesverarming en letterkundigen heet een artikel van H.W.E. Moller, waarin het bekende letterkundig adres wetenschappelik ontleed wordt. Een citaat uit dit leerzame artikel vindt men hiervoor.

School en Leven. No. 37.

A.J. Schreuder schrijft nog eens uitvoerig over Vrije opstellen en zuiver schrijven. - No. 40. Herm. J.J. geeft naar aanleiding daarvan zijn ervaringen Over korreksie, vrije opstellen en fouten.

C.d.V.

1)Wij brengen dit zeer leerzame artikel in 't biezonder onder de aandacht van onze onderwijzers-lezers, die gewoonlik in dit Leidse tijdschrift niet zo veel van hun gading zullen vinden. Als proeve van levende en leven-wekkende grammatika-studie is het te vergelijken met het artikel van Ph. J. Simons over het Lidwoord, in ons tijdschrift.

prepostterug  begin  verder