terug  begin  verderprepost
[p. 216]

Boekbeoordelingen.

Beschrijvende klankleer van het Afrikaans. Leidse dissertatie 1910, door T.H. Le Roux. (Leiden, A.W. Sijthoff. Prijs ƒ 1.50).

De schrijver van dit boek heeft verdienstelik werk gedaan. Tot nogtoe was er geen voldoende behandeling van de klankleer van zijn moedertaal, en Dr. Le Roux blijkt de voorbereiding te hebben doorgemaakt die nodig is voor het schrijven van een klankleer. Ik geloof te mogen zeggen dat het boek de vergelijking met de meeste Nederlandse dialektspraakkunsten glansrijk doorstaan zou.

Ofschoon de titel aangeeft dat de klanken van nu beschreven worden, maakt de schrijver in aantekeningen historiese ekskursies, vooral met vergelijking van overeenkomstige verschijnselen in Nederlandse dialekten. Grondslag van het boek is de taal van de schrijver zelf, en in ruimere zin van het district Worcester (Kaap Kolonie), maar in een afzonderlik hoofdstuk worden alle dialektiese afwijkingen opgegeven die de schrijver bekend geworden zijn.

Enige opmerkingen mogen de schrijver een bewijs zijn met welk een belangstelling ik zijn boek gelezen heb. Het schijnt dat ĭ vóór een g of k tot e, en bij onbeklemdheid tot a wordt: vgl. neggie ‘nichtje’, gezeg ‘gezicht’, distrek ‘distrikt’, en -ag voor de uitgang -ig in finnag, magtag, enz. (bl. 25 en 45). Hetzelfde verschijnsel komt ook in andere talen voor, en is fysiologies ook gemakkelik te verklaren, als gedeeltelike plaats-assimilatie. - Uit daur, dour, doer voor daar, waar de overgangsklank van de a tot r geworden is tot ‘positieklank’, zou men opmaken dat de Afrik. r gerond is; de schrijver zegt het echter niet. - De midden-v, zoals in Nederl. haver, rover, enz. is in 't Afrikaans tot w geworden: hawer, rower, enz. Le R. noemt als uitzondering refiér, klafiér, en verklaart ze door invloed van de klem, schoon aarzelend. Dat is ongetwijfeld juist; door de klem wordt de f hier in de zin werkelik beginklank. - De uitspraak van de Afrik. j is niet helemaal duidelik. Op blz. 72 verklaart

[p. 217]

de schrijver dat de Afrik. j zwakker wordt geartikuleerd dan in het Nederl. Nu zal het de lezers misschien bekend zijn, dat de Nederl. begin-j vaak zo ‘sterk’ geartikuleerd wordt, dat hij op een gesloten konsonant gaat lijken, of zelfs een gesloten konsonant wordt. Zo komt het, dat Nederlanders soms yew uitspreken alsof het dew was, en dew als [džū] ‘Jew’. Een paar dagen geleden vroeg iemand me wat [djū] was; ik antwoordde ‘dauw’, maar uit de toen volgende vraag: ‘wat is dan [djū hedž]?’ begreep ik dat [jū] ‘jew’ bedoeld was. Volgens Le Roux is Afrik. j dus meer een halfvokaal, evenals in het Engels. Maar als Engelse woorden met [dž], b.v. judge, George, in het Afrik. overgenomen worden als juts, Jors, moet men toch aannemen dat de Afrik. j meer de gesloten konsonant nadert. En uitdrukkelik geconstateerd wordt een uitspraak [dj] voor Stellenbosch en de Paarl. Vgl. ook tj voor Engels [tš] in tjiekerie ‘Eng. chicory’, tjek ‘Eng. cheque’.

Het oorspronkelike plan van de schrijver was een volledige spraakkunst te leveren. Het is erg jammer dat dit plan niet is uitgevoerd. Komt de schrijver er werkelik toe ook de vormleer en syntaxis te behandelen, dan zal hij op de belangstelling van meerderen dan Nederlandse filologen kunnen rekenen. Immers een behandeling van de vormleer en syntaxis zou welkom zijn aan allen die zich voor de vraag naar de oorsprong van het Afrikaans interesseren.

Op deze vraag gaat de schrijver niet in, en zijn boek brengt ook weinig materiaal tot oplossing ervan. Wat de klanken betreft, kan men zonder vrees voor tegenspraak zeggen dat er geen enkele aanwijzing is die ons zou nopen vreemde invloed aan te nemen, zoals Dr. Hesseling gedaan heeft ter verklaring van verschijnselen in de Afrikaanse vormleer en syntaxis. Wat de vormveranderingen van het werkwoord aangaat, me dunkt dat Dr. Le Roux genoeg meedeelt om de vroeger door mij gegeven fonetiese verklaring te bevestigen (Taal en Letteren 16 afl. 11, bestreden door Dr. Hesseling in afl. 12). Voor loop, enz. uit ouder loopt, enz. neemt ook Dr. Le Roux mijn verklaring aan (bl. 106), en me dunkt dat het anders moeilik zal zijn vormen mèt -t (gaat, ziet, enz.) te verklaren. De vormen loop enz. voor Nederl. lope(n) heb ik vroeger ook beschouwd als resultaten van een foneties proces. Ik heb toen gewezen op de gelijke ontwikkeling van het Engelse werkwoord. Er zijn echter in het Afrikaans zelf aanwijzingen dat we met een foneties proces te doen hebben. Want de uitgang -e is niet bij alle werkwoorden verdwenen: bewe ‘beven’, frijwe ‘wrijven’, stywe ‘stijven’, skrywe ‘schrijven’ (bl. 77), en berre ‘bergen’ (bl. 92); daarentegen wèl, ofschoon na oorspronkelik

[p. 218]

mediale w, in blij (ouder blijwe) ‘blijven’, gee ‘geven’, glo ‘geloven’, proe ‘proeven’. Als we te doen hadden met ‘kreoliserende’ invloeden die de uitgang deden verdwijnen, dan lijkt het me moeilik in te zien waarom de uitgang juist na de intervokale w zou gebleven zijn. En, wat de deur dichtdoet, de -e(n) is ook verdwenen in andere gevallen. vgl. bo ‘boven’.

Afgezien van deze details, is de oorsprongsvraag voorlopig niet te behandelen, zooals Le Roux terecht opmerkt. Bij de behandeling van die vraag zal men goeddoen te onderzoeken wat de verhouding was vɐn de Afrikaners en de slavenbevolking. Dan moet ook worden geprobeerd te beslissen of eventuele vreemde invloed op het Afrikaans verklaard moet worden doordat de Afrikaners een vreemde taal spraken (het Maleis-Portugees) naast hun moedertaal, dan wel omdat ze van hun slaven een geadapteerd Hollands hoorden, zoals nu nog. Maar daarbij, schijnt het me toe, zal men alleen dan aan vreemde invloed moeten denken, wanneer verwante talen geen gelijksoortige ontwikkeling kennen. Met betrekking tot dit laatste heeft Dr. Hesseling gevraagd: ‘Waarvan vindt men al geen voorbeelden in andere talen?’ Ik zou willen antwoorden: men vindt daar geen voorbeelden van die konstrukties die aan het kleurlingen-Afrikaans hun oorsprong danken. Dat heeft de ervaring geleerd: immers juist die eigenaardigheden die ik uit het kleurlingen-Afrikaans verklaard heb, blijken geen beschaafd Afrikaans te zijn, maar eigenaardigheden van het geadapteerde Afrikaans (zie het getuigenis van Hesseling, Taal en Lett. bl. 486, noot 2).

E. Kruisinga.

Uit het Kinderleven. Een bijdrage tot de vrije schriftelijke Gedachtenuiting, door G.Ph. Selman en W. Zoethout te Amsterdam. - Amst. W. Versluys. 1910. - (Pr. ƒ 0.90).

In afl. 4 en 5 van Jaargang 1908 van dit Tijdschrift ontvouwden we de beginselen, neergelegd in het werkje ‘Im Rahmen des Alltags’ door H. Scharrelmann. We konden toen niet weten, dat te Amsterdam aan een van de lagere scholen eveneens volgens dit beginsel gewerkt werd. En nu de schrijvers met de vruchten van hun arbeid voor den dag komen, hebben zij het recht op een waarderend woord van onze kant.

Al dadelik treft de Inleiding door 't juiste inzicht van de zaak

[p. 219]

die ze voorstaan. Dit inzicht blijkt ook uit de omschrijving van hun standpunt naast en tegenover Van Strien en Schreuder. Doch scherp gesteld is hun eigen beginsel. Ook zij zien in, dat het scherpst omlijnde beeld in 't meest juiste woord zijn bewustwording zoekt, en dus de nauwkeurigst begrensde opgave de krachtigste stimulans voor de uitbeelding is. Ze zullen dan ook niet als onderwerp opgeven: ‘Een regenachtige Zondagmiddag’, maar: ‘Vertel eens, wat je Zondagmiddag, toen het zoo regende, gedaan en gezien hebt’. Natuurlik moeten de onderwerpen variëren. En daarbij moet allereerst rekening worden gehouden met het dageliks milieu van het kind. Hoe meer men met het kind vertrouwd is, hoe beter men het zal kunnen ‘pakken’. Ongedwongenheid tegenover de onderwijzer veroorlooft de geest zich vrijer te ontplooien. Hier vertelt er een, dat hij met zijn moeder en broertje naar Grootmoe is geweest en thuiskomende, ‘waren de lucifers zoek en wij vonden ze’; een ander schrijft, hoe ze bij 't kamer doen een poppetje liet vallen, ‘'t was wel niet een erg mooi, maar toch zonde, dat het stuk was’; een derde deelt ons mede, hoe ze Zondagavond gezellig heeft zitten ganzeborden om kriekjes ‘en daar gaat het krik, krak, mijn moeder keek naar het glas en het kousje was stuk’. Gerrit uit het bierhuis vertelt in zijn verslag over: ‘Als Moeder de lamp aangestoken heeft’, hoe vader en oom een partijtje biljarten: ‘ik houd dan aanteekeningen op het bord, dat aan het keuenrek zit’. Enz.

 

Vrij stellen en vrij vragen. ‘Meester, hoe heet dat ding, waarmee ze iemand uit het water halen?’ Even schrijven we op ‘dreg’. Oom had.... ‘Meester hoe heeten die dingen ook weer’, en hij wijst op de ‘manchetten’. Een ander vraagt naar de schrijfwijze van ‘instructie-bassin’; hij is aan 't zwemmen. Achter in 't werkje gaven de samenstellers een hele rij van de bij dergelijke gelegenheden gevraagde ‘woorden’.

 

Volgen nog enige opmerkingen over de ‘correctie’.

Eerst van de taalkundige ‘fouten’. Die zeer opvoedkundig doordacht en alleszins lezenswaard zijn.

Dan over de eigenlike correctie. Waarbij, streng principiëel, als absoluut verkeerd geoordeeld wordt, in het stelproduct van de leerling woorden en uitdrukkingen te vervangen door andere, die de onderwijzer dààr beter op zijn plaats acht. Ook de indeling en 't overzicht zijn die van 't kind, ook al voelt de onderwijzer meer zìjn volgorde. ‘Verander niet: maar geef liever het kind gelegenheid zijn plan toe

[p. 220]

te lichten, of te verdedigen.’ En zo de leerling de gedachte-fout voelt, dan verbetert hij die zelf wel.

Dan volgen de 400 opstelletjes. Gedeeltelik wel, gedeeltelik niet gecorrigeerd.

Er is allersnoezigst werk bij. En in nagenoeg alle lees je de blijde lust om te vertellen. De vaardigheid voel je komen, en het sukses is er al.

We kunnen bij deze arbeid niet langer stilstaan.

Dat het een proef is op de som, welke ook op onze scholen een geheel andere richting zal geven aan ons taalonderwijs, is van 't begin tot het einde zo duidelik als glas.

De heren staan vast in hun schoenen.

En lange rijen van 10- tot 12-jarige pioniers sturen ze, gelid op gelid, ten storm, tegen 't ouwe getimmerte op.

J.K.

prepostterug  begin  verder