terug  begin  verderprepost

Kroniek en kritiek.1)

P. Salsman over Taaleenheid.

In het Vlaamse tijdschrift De Student (30e Jaarg. No. I) schreef P. Salsman S.J. een artikeltje, Taaleenheid, dat een mengeling bevat van juist inzicht en misverstand. Daarom willen we het hier ontleden.

In hoofdzaak staan wij geheel op zijn standpunt. Taaleenheid tussen Noord- en Zuid-Nederland is onmogelik wanneer we eenheid als uniformiteit opvatten. Maar zo'n eenheid kende alleen de klassicistiese taalkunde. Er bestaat ook een eenheid in genuanceerde verscheidenheid (Vgl. de lezing van J.H. van den Bosch over dit onderwerp in De N. Taalg. III). Zeer terecht zegt dus P. Salsman, wanneer hij ons Algemeen Beschaafd ook als norm voor het spreken en schrijven in het Zuiden verdedigt: ‘Hegemonie is geen alleenheerschappij.’ - ‘Wij streven naar de beschaafde algemeen-Nederlandsche schrijf- en omgangstaal, zonder- voor het oogenblik althans, al te angstvallig daaruit alle eigenaardigheid te willen weren die inderdaad nergens in beschaafde kringen aanstootelijk zou voorkomen.’ - ‘Wanneer er b.v. twee woordvormen of twee woorden met gelijke beteekenis, het eene meer in Holland, het andere meer in België in gebruik is (hof en tuin; gij of u) doch beide goed Nederlandsch, dan bestaat er geen reden waarom de Vlamingen bij voorkeur hun woord niet zouden bezigen.’

Maar nu komt de tegenstrijdigheid. Deze schrijver is beslist tegenstrever van alle kollewijnisme. ‘De op vele plaatsen bestaande buigingsuitgangen (b.v. in de hoek) of geslachten der woorden (De soep is warm: hij is anders lekker) mogen niet weggemoffeld worden.’ - ‘Taaleenheid zooverre doorgedreven is onmogelijk.’ - ‘Sommige (te

[p. 212]

verbeteren in: alle) kollewijnisten laten ons dan toe van de soep te schrijven dat ze warm is, terwijl een Hollander er zal mogen van berichten dat hij warm is. Maar is dat nog vereenvoudiging, of veeleer bandeloosheid?’

Horen we hier dezelfde schrijver die zo even het goed recht van twee goed Nederlandse vormen naast elkaar bepleitte? Even verder zegt hij weer zeer terecht: ‘Sommige nuttelooze en spitsvondige regels, die niet uit de spreektaal, maar van de Heeren Spraakkunstenaars afkomstig zijn, moesten in het vergeetboek overgeschreven worden.’ En dan toch De Vries en Te Winkel ‘in eere’ houden? De konsekwentie van Salsman's taalbeschouwing brengt mee: 1o. de werkelik levende geslachtsonderscheiding in België in ere houden. In Ons Volksleven (1889) gaf J. Cornelissen een lijst van 547 woorden, die in het Vlaams een ander geslacht hebben als in de lijst van De Vries en Te Winkel. De beste Vlaamse schrijvers nemen de vrijheid om hun eigen woordgeslacht te gebruiken, b.v. Gezelle, Streuvels, Teirlinck - Stijns1).

Moeten de ‘Heeren Spraakkunstenaars’ in Vlaanderen nu aan 't werk om de jeugd te leren dat hun beste schrijvers taalfouten maken? Of moeten we zeggen: laat niemand zijn taal geweld aandoen, in afwachting of de toekomst door nauwer aansluiting bij het Hollands-Beschaafd meer eenheid brengt? Mij dunkt, de Vlaamse letterkunde, die zo goed het levende woord beluistert, kiest de laatste partij. Zal de Vlaamse schoolmeester op den duur in de richting van De Vries en Te Winkel kunnen sturen?

P. Salsman gaat m.i. al te ver, wanneer hij de Vlamingen in alle gevallen de Noord-nederlandse onverbogen vormen mijn en een wil opdringen. Waarom niet mijne, eene, wanneer dat de èchte vormen zijn? Laten de ‘Heeren Spraakkunstenaars’ hier dezelfde verstandige vrijheid laten.

2o. De Vlaming kan niet schrijven: ‘in de hoek’ voor ‘in den hoek’. ‘Dergelijke bijzonderheden zitten nog zoo diep in ons Vlaamsch volk’. Maar kan hij wèl schrijven: ‘Hier is de hoek’? Is naast het geslachtsverschil de onderscheiding van nominatief en accusatief in Vlaanderen levend? Of is dat een van de regels die ‘niet uit de spreektaal afkomstig en dus in het vergeetboek overgeschreven moest worden’?

Wij brengen deze vragen ook onder de aandacht van Dr. Jos.

[p. 213]

Schrijnen, die met de ‘Kollewijnsche richting’ niet mee kan gaan, ‘omdat zij niet genoeg als norm neemt de algemeene beschaafde spreektaal. Daartoe behoort ook de beschaafde spreektaal in Limburg, Noord-Brabant en het zuidelijk deel van Gelderland, die b.v. de geslachten handhaaft.’ De geslachten van De Vries en Te Winkel? vragen we. Wat is dan redeliker: de taal van ⅚ of van ⅙ als norm te nemen? En is het beschaafde spreken van die Limburgers, Brabanders, Geldersen (en Zeeuwen?) een eenheid waarop een algemeen schrijfgebruik gebaseerd zou kunnen worden? In welke van de naburige talen, Frans, Duits of Engels, wordt het ‘recht van de minderheid’ om als norm te dienen erkend?

De werkwoordelike vormen na je, u en jullie.

De heer G. Leffertstra, leraar aan het gymnasium te Sneek, schrijft ons: ‘Op mijn verzoek hebben Direkteur en Rektor alhier een cirkulaire gestuurd aan de hoofden van opleidingsscholen voor H.B.S. en Gymnasium, waarin er op aangedrongen wordt dat ze hun leerlingen toestaan en aanmoedigen om in opstelletjes de vertrouwelike vormen van de voornaamwoorden met de daarbij passende werkwoordelike vormen te gebruiken. 't Was hier nodig, en dringend ook. Vele onderwijzers willen de moderne kant wel uit, maar durven niet om praktiese redenen. Anderen moeten eerst van een hogere autoriteit horen dat het mag; nog anderen dat het moèt. Licht dat het in andere niet-hollandse streken ook zo is. Daarom wilde ik kollega's-neerlandici aansporen om iets dergeliks te doen.’

De taalopleiding en de taalexamens voor onderwijzers dragen de schuld. Het laten lezen van andere vormen - die toch weer ‘vormen’ blijven! - is niet afdoende. Overigens heeft de heer Leffertstra volkomen gelijk. Ook mijn ervaring is, dat menige onderwijzer er in geslaagd is de jongens zò ver van hun eigen taal te vervreemden, dat ze precies kunnen opzeggen: ‘gij waart - gij zijt’ maar onbeholpen rondscharrelen met je waart, je zijt, bent je enz.

In Het Schoolblad (2 Junie) geeft de heer F. Viersen op verzoek van een kollega de werkwoordelike vormen na je, u, jullie. Maar terwijl hij terecht jullie gaan en jullie gaat even goed noemt, zegt hij: ‘Algemeen wordt u tegenwoordig beschouwd als een voornaamwoord van de 2de persoon, waaruit volgt dat men moet schrijven: u hebt en niet u heeft.’ De redenerende spraakkunst zit er wel diep in bij onze onderwijzers! Natuurlik zal de schrijver u heeft uit het spraakgebruik (bij sommigen met een deftiger tintje dan u hebt) even goed kennen als ik. Of een van deze vormen de ander verdringt

[p. 214]

moet de geschiedenis uitmaken, en niet de grammaticus. Die bestudeert en beschrijft het gebruik.

Prof. J. te Winkel over ‘schrijftaal’ en ‘spreektaal’.

Prof. Te Winkel heeft zich laten verleiden om aan een Rotterdams auteur van een brochuretje vol eigen-wijsheden over taal, waar elk deskundige om lacht1), een brief van adhaesie te zenden, die in de Inleiding afgedrukt werd. Het humoristiese van het geval is, dat deze Duitser door zijn overdrijving onder een vergrootglas zet, wat er ouderwets is in een schrijftaal-idee als dat van Te Winkel. Het is bekend dat deze hoogleraar hardnekkig vasthoudt aan de tradionele scheiding van ‘schrijftaal’ en ‘spreektaal’, als kunstprodukt en natuurprodukt. Meermalen is aangetoond dat deze schoolse indelingin-tweeën aan de tegenwoordige taalwerkelikheid tenminste niet beantwoordt, o.a. door Prof. J.W. Muller (Taal en Letteren IX, 207) en door mij (Taal en Letteren XVI). Er is velerlei taal die gesproken en geschreven wordt. Bovendien schijnt de klok van de hedendaagse letterkunde en van het hedendaagse schrijven voor Te Winkel 25 jaar stilgestaan te hebben. Hij wil niet zien, dat jongere letterkundigen en geleerden een taal schrijven die niet meer de ‘schrijftaal’ is van zijn eigen jeugd, en die grammatikaal veel dichter bij het gesproken beschaafd staat. En in plaats van de faktoren te bestuderen en te waarderen,2) die deze toenadering, vroeger even wenselik als onmogelik geacht, tot stand brachten, ziet hij daarin een kwaadwillig ingrijpen van vermetele en tyrannieke beeldstormers. Nergens sprak hij dat zo duidelik uit als in zijn brief aan de heer Schumann. In 't biezonder willen we de vinger leggen op de volgende plaats:

‘In vroegeren tijd heeft schoolmeesterij wel eens in overdreven

[p. 215]

ijver getracht, aan de spreektaal het gezag der schrijftaal op te leggen, wat natuurlijk slechts in beperkte mate mogelijk was’. - ‘De strijd tegen de tirannie der schrijftaal behoort nu echter al lang tot de geschiedenis, daar hij overbodig is geworden, en wie in de laatste jaren de oude wapens weer eens uit het arsenaal te voorschijn hebben gehaald, hebben er dikwijls in woesten strijdlust mee gestreden tegen windmolens.’1)

‘Ongelukkig evenwel heeft dat aanleiding gegeven tot eene tegenovergestelde schoolmeesterij, namelijk om aan de schrijftaal het gezag der spreektaal op te dringen, en door U, als leek, wordt nu met ijver en overtuiging gestreden voor de onafhankelijkheid der schrijftaal.’2)

‘In dien strijd noem ik mij gaarne Uw medestander, want ook mij mishaagt dat tirannieke doctrinarisme, al jaagt het mij minder vrees aan dan U.’

Prof. Te Winkel kent èn de taalwetenschappelike beginselen èn de praktijk van dit ‘tirannieke doctrinarisme’ sinds jaren. En toch herinner ik mij niet dat hij deze beweringen ooit bewezen heeft. Of is hier dezelfde onberedeneerde ergernis in 't spel, die de letterkundigen dreef tot hun protest? Ongetwijfeld, er is strijd gevoerd tegen een zeker soort ‘schrijftaal’, in kunst en in onderwijs. Maar wilde men daarvoor in de plaats niets anders dulden dan een ordinaire, eenvormige praattaal? De feiten geven het antwoord. Tegenover het taalindividualisme en de taalvernieuwing van de tachtigers stonden de ‘doctrinairen’ van Taal en Letteren waarderend, Te Winkel afwijzend (zie Eene Halve Eeuw). Te Winkel's vereenzelviging van dichtertaal en konventionele schrijftaal is èn in Noord- èn in Zuid-Nederland onhoudbaar gebleken. De toenadering van schrijven en spreken in de laatste kwart-eeuw is niet veroorzaakt door het drijven van doctrinairen, maar wordt gekonstateerd door jongere taalgeleerden, die Te Winkel's bezwaren tegen ‘de geest der eeuw’ niet delen. Alleen wie het oog sluit voor de taalwerkelikheid kan de schoolse indeling van Te Winkel aanvaarden.

C.d.V.

1)Een enkel woord ter inleiding van deze nieuwe rubriek. Ons tijdschrift wil allereerst een orgaan zijn, en strijden voor juister taalinzicht en beter taalonderwijs. Daardoor ontstond behoefte aan een strijdbare uiting van ons streven: korte aktuele artikeltjes om merkwaardige verschijnselen in de schoolwereld te bespreken, aanvallen af te weren of aanvallend op te treden. Wij doen een beroep op onze lezers om ons daarvoor met inlichtingen, gegevens of kort-saamgevatte artikeltjes te steunen.
1)Zie het artikel Over Noord- en Zuidnederlands Woordgeslacht door Dr. R.A. Kollewijn, in ‘Wetenschappelijk Nieuws voor Iedereen.’

1)B.Th.K. Schumann, Het Nederlandsch en de Macht der Gewoonte. De schr. treedt als taalhervormer op, en wil ons schrijven en spreken verduitsen (b.v. van eenen gezondenen brief). Als doordraver op het schrijftaal-stokpaardje is hij een goed propagandist voor Vereenvoudiging. Eén staaltje: Sedert jaren schrijft men over alle mogelijke soorten van sport, maar men schijnt het niet noodig te achten, dergelijke - bij uitstek mannelijke - lichaamsoefeningen ‘eenen sport’ te noemen. De vrouwelijke ‘sport’ is onderdeel eener ladder.
2)In dezelfde brief schrijft prof. Te Winkel, tot ergernis van zijn ‘medestander’: ‘De leeken maken de taal (spreek- en schrijftaal) en de geleerden hebben slechts te bestudeeren, wat de leeken gemaakt hebben.’ Let hier weer op de vaagheid van de term ‘schrijftaal’. Er was en er is ook een ‘schrijftaal’ die door taalgeleerdheid gereglementeerd is. Of zijn de leken die de ‘schrijftaal’ maken andere dan die de ‘spreektaal’ maken?
1)Zulke ‘windmolens’ zijn o.a. 1o. de neiging om in kinderopstelletjes gij te laten schrijven (zie hiervoor); 2o. het leren ‘uitspreken’ van de buigings-n (zie hiervoor blz. 165); 3o. de heerschappij van de grammaire raisonée en de verwaarlozing van het levende woord in de onderwijzersstudie en daardoor in ons lager onderwijs. Al die molens draaien er nog lustig op los.
2)Een fraaie ‘onafhankelijkheid’! De dwaasheid van den heer Schumann bestaat juist daarin, dat hij van het allerjammerlikst verbasterde Nederlands alleen heil verwacht, door naar Duits model gerestaureerde, volledige buiging die dus ook in het spreken weer ingevoerd moet worden. Een konsekwente taalkultuur dus, in de achttiende-eeuwse lijn!
prepostterug  begin  verder