terug  begin  verderprepost
[p. 192]

Ellipsomanie.

Met den hekelnaam ‘Grammaire raisonnée’ worden wij voor de herkomst der nu heel zoetjesaan verouderende taalbeschouwing naar Frankrijk verwezen, en meer in 't bizonder naar de bekende Grammaire van Port-Royal. Nog meer invloed evenwel heeft op onze Nederlandsche spraakkunsten de klassieke philologie uitgeoefend. Waren niet alle Neerlandici tot het vorig geslacht toe tevens Doctor in de klassieke talen? Stonden onze zeventiendeeuwers al niet onder voogdij van Vossius en Van Baarle?

En in de 18de eeuw werd het er waarlijk niet beter op.

Maar wat is nu vóór alles het kenmerk onzer nationale Latijnsche en Grieksche philologen geweest? De zucht om door een koppig nivelleerende tekstkritiek alle klassieken te waterpassen in het doode vlak der gladde uniformiteit.1)

Leggen wij hier ook niet den vinger op de wonde plek der Nederlandsche taalbeschouwing van den nog onvoltooid verleden tijd?

Francesco Sanchez, professor te Salamanca had in zijn roemruchte Minerva seu de causis linguae latinae onder veel geleerdheid ook een paar verhandelingen over ellipsen uitgeorakeld, waarin hij tegen het aloude gezond-verstands-adagium: Nihil esse supplendum, geducht te keer gaat.

Maar onze Leidsche professor Jacob Voorbroeck alias Perizonius († 1715) om zijne ‘historisch-kritische bemerkingen’ niet onberoemd, wist bij de bewerking eener nieuwe uitgave der Minerva in de noten zijn zegsman nog verre te overtreffen. Geen enkele zin, of 't was een ellips! Elke genitief was een ellips! Elke konjunktief in den hoofdzin was een ellips! Elke titel, elk opschrift was een goudmijn van ellipsen! Het was inderdaad dwaas en op 't krankzinnige af. ‘Il faut lire ces billevesées pour voir comment peut tourbillonner un esprit systématique qui se laisse emporter par une idée saugrenue’,

[p. 193]

zegt er een hedendaagsch taalgeleerde van.1) Maar dat hing toen hier te lande in de lucht. Wat Voorbroeck te Leiden voor het Latijn had uitgezonnen, dat volgde Lambert Bos voor het Grieksch te Franeker na. Deze toch gaf in 1712 zijn Mysterii ellipseos graecae expositi specimen uit. En spijt 's mans degelijke geleerdheid was het toch inderdaad je ‘proeve van het ontsluierd mysterie der Grieksche ellips’ wèl!

Maar Voorbroeck en Bos hadden althans ééne goede eigenschap gemeen. Zij waren konsekwent. Zij bleven zich gelijk. Zij dachten hun beginselen dóór tot in hun laatste gevolgtrekkingen.

En dat deden en doen-nòg vele hunner Nederlandsche epigonen niet? In den grond der zaak huldigen ook zij nog het beginsel dat men dan alleen van volkomen zinnen kan spreken, als zij zóó volledig zijn dat er onmogelijk meer een zindeel kan worden bijgevoegd; ook zij noemen elliptisch alle taalgebruik, waarin zij ook maar een schijntje kunnen ontdekken, van iets dat er onder verstaan en niet met evenveel woorden is uitgezegd. Alleen ontbreekt het hun aan de noodige scherpzinnigheid om dat overal door te zetten en zoo hun systeem ad absurdum te voeren. En zoodoende wordt de middelmatigheid weer eens de reddingsplank voor de zwalkende logen.

 

Het behoort tot het wezen der taal, dat niet slechts bij uitzondering, maar zoo goed als altijd er iets moet worden uitgepuurd, dat niet in woorden gezegd schijnt. Ook in de volkomenste der talen laat de uitdrukking nog altijd iets te wenschen, iets aan te vullen of te raden.

Elk woord op zich heeft altijd een vagen inhoud, de konventioneele officieele beteekenis komt bijna nooit onvermengd voor; het psychologisch milieu geeft aan alle woorden hunne oogenblikkelijke beteekenisnuance. Hetzelfde geldt van de beteekenis der grammatische funkties.

Taal is nu eenmaal geen algebra.2)

De algebraïsche symbolentaal met hare plus- en minus-teekens met hare haakjes, breukstreepjes en vermenigvuldigingskruisjes, wortelteekens en koëfficiënten is (1o) een louter abstrakte verstandstaal. Ze staat in het nauwste verband met de mathematische gedachte, die zonder haar niet kan bestaan. Bovendien (2o) is ze uiteraard niet zoozeer mededeeling van de gedachte, als de gesymboliseerde gedachte

[p. 194]

zelf. Dient ze evenwel toevallig ter mededeeling, dan deelt ze niets anders mee, dan wat ze uitdrukkelijk inhoudt. En alles wat ze bevat, drukt ze uit in absolute volkomenheid. Geen tekort noch overvloed, geen schakeering of bijgedachte. Geen afhankelijkheid van milieu of situatie. Alles is vast en strikt bepaald. En ten slotte (3o) er is volkomen vrijheid in 't bijeenschikken der elementen. Hare plasticiteit is onbegrensd. De algebraïsche taal kent geene andere reglementeering dan die van het algebraïsch denken zelf.

Welnu op al deze punten geldt van de woordentaal juist het tegendeel!

(1o) De woordentaal is géén loutere verstandstaal, de taal is niet de uiting van gedachten alleen: alles wat de poorten onzer zinnen binnengaat, alles wat door de trillende bladeren van ons gevoelsleven henenwaart, alles wat verbeelding ons voortoovert of droomen ons veropenbaren, alles wat er gloeit in onzen hartstocht, en wat daar smacht in onze begeerte, alles wat er aan wil is in onze zelfdeterminatie, en wat ons zelfbewustzijn aan weten heeft, ja zelfs veel van wat onder de klare bewustheid in de subkonsciëntie scheen te sluimeren, aan groepen van gelijkenis en vage herinnering, aan doof besef en blinde neiging, het werkt zich allemaal naar buiten, het vecht onder elkaar om onze woorden, het sluit kompromissen, analogieën, kontaminaties en bondgenootschappen, het zwakkere schuilt weg onder het sterkere, en wat zich ten slotte niet heeft kunnen laten gelden in de keus der woorden en de samenschikking van den zin, dat weet meestal nog door te klinken in de wisselende toonmodulaties, het talmen der pauzen, en de fijnste kadenceeringen van het akcent.

Uit den komplexen inhoud onzer taaluitingen volgt dus a priori al, dat het een onmogelijkheid is, alles uitvoerig uit te spreken. Met het aanduiden en het aanstippen hebben wij al werk genoeg.

Maar bovendien (2o) is de taaluiting géén zelfstandig, zelfgenoegzaam symbool, maar uiteraard eene mededeeling, alleen voor den min of meer gelijkontwikkelde bestemd en verstaanbaar.

Van nature is de taal een aktiemiddel van mensch op mensch. Wij kunnen heel goed denken en voelen en willen zonder taal. Wie dat ontkent bewijst daarmee dat het hem schort aan klare zelfobservatie of sterke zielbeweging. De taal is niets anders dan een tamelijk uiterlijk instrument om in den geest onzer hoorders, iets te verwekken dat nogal wel overeenkomt met wat óns op het hart lag. Het is een spekuleeren op de associaties en de kombinatie-gewoonten van onze verstaanders. Het is altijd nog als Hebreeuwsch of Maleisch-

[p. 195]

Arabisch schrift zonder vokaalteekens, dat de ingewijde met eenigen goeden wil wel kan ontraadselen, maar dat objektief toch maar bitter weinig weergeeft van de eigenlijk bedoelde woordklanken. Taal is geen fotografie van onzen zielsinhoud, maar een schaduw, een silhouet ervan. Zij wil dus altijd meer beteekenen dan ze bevat; en wat zij weergeeft, dat drukt ze nooit volkomen uit. Toch is hierin verschil natuurlijk naar de verschillende omstandigheden; en als wij nu van taalkunst afzien,1) dan is het vooral de meerdere of mindere behoefte van den slechten of goeden verstaander, die den spreker tot vollediger of beknopter uitdrukking zijner gedachten noopt of verleidt. Die behoefte hangt bovendien af van de al of niet meesprekende situatie, van de voorafgaande woorden in schrift of gesprek, en van het min of meer ongewone der meegedeelde zielsbewegingen zelf. In het dagelijksch gesprek met goede bekenden zijn we ontzaglijk beknopt. Zuinig trouwens is de taal altijd, zoolang ze middel is. Het ‘summa sequi fastigia rerum’2) als stijlregel, is niets dan de grondwet van alle natuurlijk taalgebruik.

Maar ten slotte (3o) is de vrijheid der taal aan banden gelegd door hare sociale bestemming. Zeker, zij is allesbehalve aan den zielsinhoud gebonden: juist gelijk wij immers van één en denzelfden persoon tien verschillende silhouetten kunnen maken, en face, in profiel, schuin, van boven, en half van opzij, zoo zouden wij ook hetzelfde zielebeeld oorspronkelijk op tien verschillende wijzen kunnen uitdrukken. Maar juist die innerlijke onafhankelijkheid werpt haar in de handen van een anderen soeverein daarbuiten: het gebruik, de gewoonte. Slaaf geworden van de fraseologische struktuur, gelijk die voor elk idioom in de spraakkunsten gekodificeerd ligt, heeft de taal een groot gedeelte harer plasticiteit ingeboet: hare veelvormige gedaanteverwisselingen zijn tot een poover reeksje van versteende clichévormen teruggebracht. En waar zij van huis uit voor elke betaling den juisten prijs aan edel goud afwoog, daar is zij nu gedwongen met de bestaande muntstukken haar debiet telkens in een tientallig stelsel van willekeurige grootheden uiteen te rukken, om ze dan weer in zooveel zilveren guldens, zooveel nikkelen stuivers en zooveel koperen centen aaneen te passen. De kongruentie van subjekt en praedikaat, van attribuut en substantief, de voorgeschreven woordschikking, de

[p. 196]

voorhanden tijden en wijzen van het werkwoord, 't zijn allemaal evenveel van buiten of althans door de gewoonte van de vroegere spraakmakende gemeente opgedrongen reglementeeringen, die meestal met de wetten van het denken en voelen op zich niets te maken hebben, immers ze wisselen van taal op taal. En nu moge het waar zijn dat juìst op die stereotiepe taalmunt, de beeldenaar is ingeslagen van de landsgeschiedenis en het volkskarakter, die toch ook op de mentaliteit van den spreker hebben ingewerkt; met het toenemen van het internationaal verkeer, wordt die beeldenaar al vager en vager; en uit het feit alleen dat juist die grammatische regeltjes voortdurend veranderen, volgt toch ook, dat elk geslacht weer opnieuw de nalatenschap zijner vaderen zeker dankbaar aanvaardend, er toch ook voortdurend mee te vechten heeft om het tot het zijne, z'n zielseigen bezit om te stempelen. Was du ererbt von deinen Vätern hast, erwirb es um es zu besitzen. Dit is echter het voorrecht der oorspronkelijken alleen, trouwens ook hen gelukt dit slechts ten deele, en de kleine man vergenoegt zich met zoo goed en zoo kwaad als het gaat, zijn onvermijdelijk toch weer ándere gedachten en gevoelens in de oude taalvormen te steken. Laat dus toch niemand van de identiteit van denken en spreken meer gewagen of komen zeggen dat in de gewone taal vorm en inhoud één zijn. Want de vorm zegt altijd te veel en altijd te weinig. De inhoud wordt slechts na een traditioneele maar gruwelijke mishandeling in het Prokrustesbed van den braven volzin teruste gelegd.

 

Dit alles mag men wel eens tweemaal overwegen, eer men over ellipsen en onvolkomen uitdrukkingen of samengetrokken en beknopte zinnen komt meepraten. Terwey vermoedt niets van de diepere konsekwenties der ellipsentheorie. Den Hertog heeft bij Hermann Paul de klok hooren luien, en verfoeit dan ook de ‘ellipsomanie’ met deftig gebaar, om op de volgende bladzij onnoozel genoeg in al haar excessen terug te vallen. Maar zeer aanstootelijk is ook Stoett in zijn Middelnederlandsche Spraakkunst, blz. 139-158. Het ligt niet in mijn bedoeling een dezer drie auteurs op den voet te volgen en woord voor woord te weerleggen, dan zou ik nu eens het samenhangende uiteen rukken, dán weer in herhaling moeten vervallen. On ne détruit que ce qu'on remplace, zeide Auguste Comte. Ik zal dus zelfstandig opbouwen. Afbreken doet de tijd dan van zelf wel. Maar geduld zullen we zeker nog een poosje moeten hebben.

Het is zoo gemakkelijk te generaliseeren, èn het is zoo prettig! Van onvolledige indukties ineens vaste wetten te maken, het is zoo

[p. 197]

bekoorlijk! De grammatici hadden nu gevonden dat heel veel zinnen een onderwerp en een gezegde hadden. Dùs, zeiden ze toen, alle zinnen hebben een onderwerp en een gezegde, en die waar je 't niet meer aan ziet, die hebben ze vroeger toch gehad, alleen is dan een van beide uitgevallen.

Nu, dat is niet waar, natuurlijk. De 2de persoon enkelvoud van de gebiedende wijs heeft nooit of nimmer een onderwerp gehad, zelfs niet in den twijfelachtigen vorm van een suffix. Wel moet wis en zeker de spreker den persoon wien hij iets beveelt, in zijn gedachten hebben. En de toegesprokene moet uit kontekst of situatie kunnen opmaken, wie er bedoeld is. Maar dat moeten we immers altijd bij het gebruik van alle voornaamwoorden. Hij kan van iedereen gezegd worden. Maar de spreker moet toch behalve de algemeene beteekenis van hij ook nog den hier speciaal bedoelden persoon in z'n gedachten hebben. De situatie of de kontekst verduidelijken voor den hoorder de bedoeling. Maar is daarom hij elliptisch?

Zoo'n Imperatief kan nu naar de omstandigheden en de rijk wisselende akcentueering een verzoek of wensch, een gebod of verbod, een raad of een waarschuwing, een toegeven of afschrikken aanduiden. Maar staat daarom ga eens mee voor ik verzoek u, ga eens even mee? Presenteer het geweer voor ik beveel u, presenteer het geweer? Nou ga dan maar voor ik zal je voor dezen keer je zin geven, ga dan maar? Nou raak me eens aan! voor ik waarschuw je, raak me niet aan, of je zult er van lusten? Immers neen.

De nominale en adverbiale Imperatieven Vuur! Geduld! Stil! Stilte! Voorzichtig! Zachtjes! één Pilsener! hoeden af, voorwaarts, op zij, uit den weg, weg er mee, hier dat briefje! bedoelen niet zoozeer een handeling als een resultaat waar misschien verschillende handelingen voor noodig zijn, die den spreker nu verder niet interesseeren. Met stil of stilte beveelt hij onbewegelijkheid, rust. Daarvoor moet in een rumoerige klas de eene jongen stil gaan zitten, de andere ophouden te praten, een derde uitscheiden met vechten, een vierde niet meer lachen, een vijfde niet meer stampen, enz. Is nu stil een ellips voor: Zit, zwijg stil vechtersbaas, lachebek, stampvoet? 't Is toch al te dwaas! Maar de leugen is koppig en scherpzinnig: stil, heet het nu, zou een ellips zijn van weest stil en stilte! van daar zij stilte! Maar dan beweer ik met evenveel recht dat weest stil op z'n beurt een ellips is van ik bid u in 's hemelsnaam, weest toch stil, en daar zij stilte een ellips van ik beveel dat daar stilte zij.1) Stil! en stilte! zijn dus niet

[p. 198]

elliptisch òf in de taal is alles elliptisch. Bij hoeden af bedoelt de spreker niet, dat elk z'n hoed afneme, dat mogen ze voor zijn part ook elkander doen, en als er een eens wat treuzelt, dan is het hem zelfs wel aangenaam dat de hoed hardhandig wordt afgeslagen. Maar hij commandeert alleen het resultaat waar het hem om te doen is: hoeden af, en daar is dus niets weggelaten.

Geen handeling maar een resultaat is ook bedoeld in: De boot is aan. De deur is toe. De koek is op. De kerk is uit. Eindelijk een oogenblikje rust. Trouwens als de handeling in deze en dergelijke uitdrukkingen bedoeld wordt, dan zijn de voorzetsels en bijwoorden daar zelf ook mans genoeg voor. Naar buiten, het veld in, de stad uit, naar Laren, deze kant uit, de lucht in. Waarheen? Alle gekheid op een stokje. Aan den galg met hem. Excelsior, de harten omhoog. Omhoog, omlaag, voortdurend verder. Hij voor, ik hem na. Wij erop uit. Ik weg natuurlijk. Zij aanstonds in de weer! De jongens op pad, de meisjes aan 't koken. Ten slotte aan allen den raad.

In deze laatste voorbeelden hebben wij dan ook volledige zinnen met onderwerp en gezegde en de invulling met gingen, ging of was zou eenvoudig de levendigheid der zinnen bederven. Was de gedachte nu niet levendig, dan zegt men zeker: Zij was aanstonds in de weer. Wij gingen er op uit. Hij ging voor en ik volgde. Maar is dat nu een reden om te zeggen dat de levendige gedachte uit de kalme is ontstaan door weglating van een der elementen? Dat zou inderdaad een vernuftige ontdekking zijn voor de suffe Pieten! Die moesten maar wat elementen weglaten in hun denken, en dan zouden ze wel opgewekt worden! Welnu, evenmin reden is er om te beweren, dat levendige taal elliptisch is. De eene vorm beteekent dit, en de andere dat. Maar zoolang er menschen zijn, die heel graag omslachtig, en andere die graag kort en krachtig zijn, hebben beide zinvormen evenveel recht van bestaan. En wilde men het op taalhistorie werpen, dan is de korte verreweg de oudste en primitiefste, waaruit die langere vroeg of laat is voortgekomen.

Allerlei vormen van een verbum finitum worden ook met sukces door infinitieven en participia vervangen. Zoo in: Ik u verlaten? Niet wegblijven! Maar volhouden. Aannemen Jan. Werken jongens. En nou aanpakken asjeblief. Zoet naar bed toe gaan Pietje. Opgedonderd! En nu opgemarcheerd! De kans niet opgegeven!

Met de nominale optatieven is het al juist eender gesteld. Trouwens Wundt1) heeft bewezen, dat het gevoel bijna altijd de werkwoorden

[p. 199]

vermijdt en er attributieve vormen voor in de plaats stelt. Maar zijn dat nu ellipsen?

Goede reis! Veel succes! Wel thuis! Alle heil en zegen! Geluk en voorspoed! Mijn beste wenschen, Merci! Hartelijk dank! Gezondheid! Santé! Gods zegen! Bestendig welzijn! Met deelneming! Goeden dag! Goeden nacht zijn even volledig en even onvolledig als Slaap wel! Leef gelukkig! Rust lekker! Eet smakelijk! Wel bekome het je! Prosit! God zegen je! ik wensch je het beste! Hou je! Hou je taai! en Hou zee! De situatie waarin deze wenschen geuit worden maakt alles duidelijk. Wat misschien in andere gevallen nog een afzonderlijk zindeel zou vragen, dat zeggen hier de omstandigheden zelf. En netzoomin als wij een zin als het regent, aan de voordeur tot een weggaanden bezoeker gezegd, elliptisch noemen omdat er niet uitdrukkelijk bijgezegd wordt: hier in de straat1); evenmin als wij de hond blaft elliptisch noemen (wanneer dat een boerin 's nachts in een onveilige streek angstig tegen haar man zegt) omdat haar vrees zich alleen in het akcent uitspreekt, en omdat er een nu in ontbreekt, dat toch tot een volledige uitdrukking der gedachte zou behooren, daar dezelfde zin in de taal- of dierkunde-klas gezegd naast: de kat miauwt, het paard hinnikt, de geit blaat, die tegenwoordige-tijdsbeteekenis niet vertoont; evenmin komen de genoemde wenschen uitgesproken onder een warmen handdruk, en terwijl de twee vriendenoogen elkaar in 't innigste samenleven van een hartelijken blik ontmoeten, een zier te kort aan eloquentie en intieme openhartigheid. Ja, integendeel, wie er ik wensch U bij zou zeggen in zoo'n gelegenheid zou aan de oprechtheid zijner gevoelens doen twijfelen!

Evenmin elliptisch is het zoogenaamde weglaten van relatieven, vooral in dameskorrespondentie gebruikelijk. In het Engelsch is dat vaste regel. Feit is, dat wij er ter verduidelijking gewoonlijk het relatief tusschenzetten, maar heel dikwijls kan het zeer goed gemist worden, en oudtijds werd het nooit gebruikt. Hetzelfde geldt van: Hij komt niet, schijnt. We gaan niet, hoor, en dergl.

De braven, het goede en het schoone zijn al even volledige uitdrukkingen als alle andere. Het lidwoord geeft aan of er personen of zaken bedoeld zijn; en de omstandigheid, dat wij die soms toch ook wel omstandiger kunnen aangeven, is natuurlijk geen reden om die aangifte normaal en het wegblijven elliptisch te noemen.

[p. 200]

Volmaakt hetzelfde geldt, trots H. Paul, van datums en jaartallen: (5 Augustus 1910 is even volledig en meer normaal als: den vijfden dag der maand Augustus in het negentienhonderd-en-tiende jaar na Christus' geboorte), van tijdsopgaven (als kwart na drieën, halfvijf) van breuken (één tiende, één vijftigste) van linker en rechter voor linker- en rechterhand, van Champagne, Bourgogne, Bordeaux, Moezel, Tokayer, van Cats en Boonekamp, Schiedammer en ouwe klare, gedistilleerd, witte, roode (wijn) enz. In de omstandigheden, waarin al deze woorden gebruikt worden, zijn zij de normale uitdrukking der gedachte, en dus geen ellips. Dan zouden trouwens bijna alle afgeleide en samengestelde woorden ellipsen moeten heeten. Want zij duiden altijd de beteekenis maar aan, zelden of nooit zijn het definities. Oogenblik duidt een korten tijd aan, maar noemt geen enkel tijdswoord. Ik herhaal het: hier is geen kwestie van smaak of afspraak, maar het gaat hier om de wetten en het wezen der menschelijke taal!

Hetzelfde hebben wij ten slotte met een serie bijzinnen die onafhankelijk worden gebruikt. Typische voorbeelden hiervan zijn vele hoofdstuktitels in romans. Ook b.v. in de Camera obscura: Hoe warm het was en hoe ver. Een grammaticus der oude school noemt dat natuurlijk allemaal ellipsen, en laat z'n leerlingen aanvullen: ‘wordt in dit hoofdstuk verhaald.’ Of, na het verhaal van een domme of ergerlijke geschiedenis, zegt een jonge kerel, even pootig als gevat en bekend als iemand die niets passeeren laat: Was ik daar eens bij geweest! In beide gevallen vullen de omstandigheden den zin tot overvolledigheid aan. Maar met vette letters van den titel, de plaats van een opschrift, het bekende karakter van den spreker, z'n dreigend opgeheven vuisten, en z'n bangmakend akcent, houden onze grammatica's zich gewoonlijk niet op. Dat is immers geen taal! meenen ze.

 

De taal leeft slechts ten volle in het gesprek. En ga er nu eens op uit, man van Terwey, och ga nu eens luisteren in een koffiehuis, op straat, op kantoor, in de huiskamer, aan de table d'hôte; luister eens een verliefd paartje af, of blijf eens een oogenblikje staan als er twee vischvrouwen ruzie hebben aan den afslag; of loop zelf eens op met een paar vrinden van u (liefst geen taalmenschen) en hoe ver komt ge dan met uw Terwey, met uw taalregels? Ge kunt bijna geen enkelen zin verklaren, zonder uw machtspreuk: ellips! En is dat een verklaring? 't Zijn allemaal losse woorden: Ja, nee, goed, juist, zoo? precies, wel mogelijk, lekker, net goed, goed zoo, toe maar, deksels, onmogelijk, nou maar, onzin, klets, waffoor? lollig, geen wonder, de stakkerd, de lummel, die goeie kerel, enz. enz. En komt er eens

[p. 201]

één klein zinnetje, dan wordt er vast met een enkel los woord op geantwoord: Wie heeft je dat verteld? - Hein. - Heeft-ie je geamuseerd? - Offie! - Hoeveel heb je teruggekregen? - Drie vijftig. - Wil je me even helpen? - Met plezier. - Wij gaan voetballen. - Ik strafmaken. Wat is hier gebeurd? De hoorder verstaat den spreker. D.w.z. hij heeft ongeveer dezelfde konstellatie van voorstellingen in één beaming verbonden. Dat bewustzijn verwekt nu in hem een psychologische reaktie van gevoel, instemming, medelijden, verzet, aanvulling, goedvinden of tegenstelling, enz. Maar zou het nu niet dwaas zijn, dat hij eerst nog eens ging nabauwen wat de eerste spreker hem heeft ingegeven? En toch, dat zouden de grammatici, die hier van ellipsen spreken, voor normaal moeten houden! Maar zien zij dan niet, dat hunne psychologie ons zoo allen tot echolalizeerende idioten degradeert?

Hierbij sluiten zich nu de zoogenaamde samengetrokken zinnen en konstrukties aan, wier tweede lid elliptisch heet. Jan schrijft heel netjes maar Frits ijselijk slecht. Ik leer hem Fransch en hij mij Duitsch. Ik zie hem even graag als haar. Jij schijnt het te gelooven, ik niet. Zij vertrekken morgen, wij de volgende week. Hij heeft gehandeld zooals hij moest. Dames met en zonder sleep. Met moed en vertrouwen. Het Duitsch en Fransch, enz. 't Zou toch weer al te mal zijn, hier ellipsen aan te nemen. Het eerste lid is ons nog bewust, want krachtens de ‘Sekundärfunktion’1) persevereert het een oogenblik. Nu verandert in onze gedachten slechts één lid der konstellatie, al de andere blijven. En juist zoo spreken we het nu ook in woorden uit: eerst het volledige eerste deel en van het tweede alleen het veranderde element. Is dat nu uitlating?

In Je hebt menschen die goed en die kwaad willen, voor- en nadeelen, op- en afgaan en al de voorbeelden waarin het eerste lid grammatisch onvolledig lijkt, hebben wij hetzelfde verschijnsel. Alleen dringt zich hier het veranderde lid al op, eer nog de gelijkblijvende zich in woorden hebben omgezet. Invoeging dus in plaats van uitlating! Hier pas begint men gewaar te worden, wat een onheil die ellipsomanie in onze taalbegrippen aanricht. Zoo'n eenvoudige psychologische analyse vertoont ons de taal als gekinematographeerd voor oogen; maar blind gestaard als we ons hadden op dien grammatischen ellipsennevel zijn we hier tot nog toe niets van gewaar geworden.

Met de beknopte zinnen is het alweer juist hetzelfde: Zij was om te stelen. Het was mijn plan om mee te gaan, enz.; het psychologisch onder- of voorwerp blijft nog in de gedachte en we zeggen alleen

[p. 202]

de veranderingen van ons bewustzijn in woorden uit. Evenzoo worden ook de talrijke mnl. voorbeelden verklaard, waarin volgens Stoett, die alleen weer1) op den tegenwoordigen lezer let, uit een voorafgaanden verbogen naamval of een bez. vnw. het subjekt ‘kan worden opgemaakt’!

Duidelijk zien wij ook den loop der zielefeiten in zinnen als: Gelukkig dat je gekomen bent. Jammer dat hij zoo'n bult heeft. Amper dat ie me aankijkt. Misschien dat hij wel wat meebrengt. Lomperds, dat we daar niet aan gedacht hebben. Lummel, dat je hem niet hebt beetgepakt. Een rare boel, daar doet ieder wat hij wil, enz. We zijn ons aanvankelijk slechts in 't vage het heele komplexe feit bewust. Daaruit treedt dan duidelijk eerst de subjektieve gevoelstoon naar voren en pas na het lucht geven van het gemoed komt de intellektueele beaming met de konstateering van het feit zelf aan het woord.

Tòch ellipsen! Maar dan zijn bijna alle voegwoorden en betrekkelijke voornaamwoorden óók elliptisch; deze drukken toch het verbandsgevoel uit tusschen twee begrippen of gedachten m.a.w. vóór dat het tweede lid intellektueel gekonstateerd wordt, voelen we het reeds aankomen en dat voelen aankomen drukken wij in die verbindingswoordjes uit.2)

Niets dan opvolging van gedachten hebben wij ook in de parallelzinnen: Vrijheid blijheid. Eind goed al goed. Zoo gewonnen zoo geronnen. Komt tijd, komt raad. Hoe langer hoe beter. Hoe grooter geest hoe grooter beest. Gelijke monniken gelijke kappen. Veel geschreeuw en weinig wol. Die waagt die wint. Mnl. Te veel spisen, grote swaerheit. Een valsche tonghe, gheen argher quaet. Lief veer van lief, gheen meerder pijne. Het eerste lid is psychologisch subjekt of initiaal notie, waaruit de tweede zich krachtens vroegere herinneringen ontwikkelt. En de taalman die hier waar vrijheid is daar is ook blijheid aanvult, urgeert de gedachte en maakt ze onwaar.

 

Tot dusverre zagen wij alleen gevallen, waar schijnbaar een opening gaapte in het grammatische netwerk. Daarnaast staan nu echter nog een serie onberispelijk volledige grammatische konstrukties, die op het eerste gezicht echter een gaping in den inhoud vertoonen. Het een

[p. 203]

of ander woord schijnt een te-kort aan beteekenis te hebben. Nu onze netteboeters waren er natuurlijk weer aanstonds bij met lasschen en stoplappen. Zien wij evenwel weer nader toe en brengen wij ons het boven ontwikkelde over de steeds wisselende woordbeteekenis voor den geest, dan kunnen wij ook hier weer geen ellipsen maar slechts een treffende toepassing van de semasiologische grondwet constateeren.

Ik bedoel gevallen als dat van Potgieter (Rijksmuseum): De zeilen hijschen naar Indië. Die kan er wat mee. Ik kan hem aan. Ik mag die saus niet graag. Hij wou er aanstonds op af. Ik moet naar huis. Zij moet nog één som. Ik hielp hem weg. Zij wilde de deur uit. Hij mag niet naar huis. Hij moest en zou op vacantie. Ik kon niet van huis. Hij werkte zich eruit. Hij kon er goed mee overweg. Ik liep er den drempel plat. Je hebt je Terwey stuk gestudeerd. Ik heb m'n vingers lam geschreven aan dat stuk. Hij lachte zich een ongeluk. Ik heb m'n oogen blind gekeken op dat gekrabbel. Ik viel mij een gat in mijn hoofd. Iemand zalig prijzen. Alles ademde er vrede. Het genot straalde uit aller oogen. De palmen wuifden zegepraal. De trompetten bliezen den aftocht. Zijn haan moet altijd koning kraaien. De man liep al de bazen af, of hij ook werk kon krijgen, enz. enz. enz.

Is hier iets uitgelaten? - Neen. - Ja maar, de gedachte kan toch in al die gevallen wel vollediger uitgedrukt worden. - Zeker, wel vollediger, maar niet beter, niet schilderachtiger. Of wil je ons misschien grammatische algebra opdringen in plaats van onze levende moedertaal? In de levende taal heeft een woord zoo goed als nooit de naakte abstrakte beteekenis van het woordenboek. Telkens opnieuw wordt het gekleed en dikwijls rijk gekostumeerd door den kontekst. En juist door die nieuwe en kleurige okkasioneele woordbeteekenissen zijn wij soms zoo ontzaglijk teekenend en welsprekend. De meeste pas aangehaalde zinnetjes spreken, dunkt me, tamelijk levendig.

't Is evenwel van belang dit wat dieper op te halen. Wie Homerus leest, staat aanhoudend versteld over de naief-omslachtige schilderingen: iemand ziet iets met z'n oogen, hij antwoordt en spreekt, gaat en loopt heen. In 't Mnl. heet het: antwoordde ende seide, Gods ghebod ende sine woorde, enz. enz. Wat is hiervan de psychologische reden? In ouden tijd en bij minder beschaafde volken zijn nog niet zooveel voorstellingen tot heele groepen, heele tooneeltjes aaneengegroeid als bij ons. Elk element heeft nog z'n eigen naam, en wil men nu zoo'n tooneeltje schilderen, dan moet men stuk voor stuk de verschillende voorstellingselementen opnoemen.1) Zoo kan de Nama-Hottentot ons imperativisch halen in zijn taal niet anders uitdrukken dan met: Ga heen,

[p. 204]

neem het, keer terug en geef het. Maar is ons halen daarom elliptisch? Ons haten heeft een zeer komplexe beteekenis, juist als in tegenstelling van de Homerische woorden ons zien al de oogen, ons antwoorden het spreken, en gaan het heenloopen insluit. En daarom lijkt ons Homerus zoo pleonastisch. 't Is echter niet Homerus, maar onze vertaling, die er dat pleonasme inlegt. Want bij ons zijn al die voorstellingselementen vast aan elkander verbonden. En wij behoeven er maar één van te noemen om in onze hoorders aanstonds het heele tooneeltje te doen herleven. Dat was b.v. ook bij den dichter van Carel en Etegast nog niet altijd het geval, en daarom verwondert het ons aanvankelijk in vs. 257-58 bij hem te lezen:

 
Ende steectse uut haren ghereide
 
Datsi vallen op die heide.

Want als wij zeggen dat de een den ander uit den zadel steekt, dan voegen wij er gewoonlijk niet meer aan toe, dat die andere nu ook op den grond terecht kwam. Dat komt omdat ons ‘uit den zadel steken’ gaandeweg een komplexer maar tevens kleurloozer tooneeltje is gaan beteekenen dan vroeger. Dat hier evenwel alle gedachte aan ellips verre moet blijven, blijkt verder nog duidelijk uit het Grieksch1), waar vele van deze werkwoorden twee reeksen van vormen hebben. De oude beteekenis der simpele handeling heeft zich namelijk aan de Imperfekt- en Praesensvormen, de nieuwe komplexe beteekenis van handeling + resultaat aan de Aoristvormen geassocieerd:

Imperfekt- en Praesensvormen. Aoristvormen.
(simpele handeling). (komplex tooneeltje).
ἔπειθεν = hij praatte het ons aan. ἔπεισεν = hij praatte het ons aan en wij werden overgehaald, m.a.w. hij overreedde ons.
ἐδίδου = hij reikte het over. ἔδωϰεν = hij reikte het over en de andere nam het ook aan; m.a.w. hij gaf het.
ἔϕευγον = hij sloeg op de vlucht. ἔϕυγον = hij sloeg op de vlucht en ontkwam, dus ontvluchtte.
τρόπαιον ἵδρυον = zij werkten aan de oprichting van een zegeteeken. ἵδρυσαν τρόπαιον = zij richtten een zegeteeken op, 't kwam klaar.
ἄγειν = iets ergens heenvoeren. ἀγαγεῖν = het erheen voeren, en het er ook brengen.
πράττειν = iets trachten te bewerken. πρᾶξαι = iets bewerken en het er door krijgen.

[p. 205]

Een zelfde overgansproces zien wij voor onze oogen in de nog Mnl. beteekenisontwikkeling van ontbieden en roepen. Aanvankelijk vindt men zinnen als: Alste grave dat vernam ontboet hi sijn volk dat tot hem quame. Die coninc riep twe cnapen dat si quamen. Ontbieden en roepen beteekenen dus: laten aanzeggen en niets meer. Dat ze moeten komen moet er nog uitdrukkelijk bij gezegd worden. Gaandeweg knoopt zich echter het heele tooneeltje aan deze werkwoorden: Doe ontboot die coster sinen wive. Dese riep sinen cnechten. De datief verraadt nog de vroegere konstruktie, 't is hier noch een echt meewerkend voorwerp. En eindelijk vindt men: Die coninc ontboot sine barone. Twee cnapen riep hij te hem. Akkusatief! En hiermee is de nieuwe eenheid der komplexe voorstelling een voldongen feit geworden. Is dat nu een ellips? Welnee. Dat is beteekenisverandering, beteekenisverdichting als je wil, juist als in bevallen voor het vroegere bevallen ende van enen kinde ghenesen. Is koozen soms een ellips, omdat z'n beteekenis uit liefkoozen en minnekoozen is aangevuld? Neen, de beteekenis van minne en lief is door koozen opgeslorpt. Zoo ook met ontbieden, roepen, en al de bovengenoemde gevallen. Zoo goed als al onze woorden voor komplexe voorstellingsbeamingen zijn zoo aan hunne beteekenis gekomen. Nemen wij b.v. zoeken. Dit begrip omvat o.a. de voorstellingen van 1o. uitzien, loeren, 2o. rond loopen, 3o. op de sporen letten, 4o. ruiken, speuren, 5o. aarzelen, 6o. snel op 't verlangde toeloopen, het vervolgen. Welnu, in de verschillende talen heeft nu telkens één dezer werkwoorden de beteekenis van al de andere in zich opgenomen. 1o. ohd. wartên, lat. exspectare. 2o. fra. chercher (circare). 3o. lat. investigare. 4o. got. sōkjan, hd. suchen, nl. zoeken (lat. sāgio). 5o. gr. ματέω. 6o. gr. διώϰω. enz.1)

In het Oud-Fransch hebben wij hiervan nog een treffend bewijs in de kontamineerende klankafwijking van het overblijvende woord onder den invloed van het opgeslorpte. Aanvankelijk werd daar altijd gezegd, juist trouwens als bij ons: hij nam het en hield het, hij vervolgde hem die vluchtte. Van lieverlede groeiden de beide voorstellingen van nemen en houden, van vervolgen en vluchten tot één beamingskomplex aaneen, en de klankvorm der woorden deed evenzoo. In allerlei werkwoordsvormen van prendre zien wij den invloed der parallelle vormen van tenir. En fuir werkte voortdurend in op de vormen van suivre2). Een Nederlandsch voorbeeld hiervan is misschien bij Velthem I, 39, 25 te vinden.

[p. 206]
 
Doen die gene bequam weder
 
Spran hi op ende te Janne ward.

Dit laatste vers moeten wij toch vertalen met:

 
Sprong hij op en liep naar Jan toe.

Spran is dus hoogstwaarschijnlijk eene kontaminatie van spranc en ran en van ellips is geen sprake. Het Germaansch-Keltische werkwoord brengen dat het tafereeltje aandragen en ontvangen beteekent, is door Brugmann1) terecht uit een kontaminatie van bhrē = dragen en enk̑ = krijgen afgeleid. En het feit dat deze beide woordstammen elders ook op zich zelf de beteekenis van brengen ontwikkelden, moet natuurlijk als boven bij zoeken verklaard worden.

Wie nu deze kontaminaties zou willen emendeeren door de verbaalvormen te ‘massregeln’ zou dikwijls precies de fijnste trekjes aan het geschilderde tafereeltje ontnemen, juist als wie de palmen wuifden zegepraal zou willen veranderen in men wuifde met de palmen ter viering van zijn overwinning. Taal is nu eenmaal geen algebra of logika maar de psychologische inwerking van mensch op mensch, en hare volkomenheid is dus in elk bizonder geval te meten naar het doeltreffende harer middelen, niet naar de grammatische regels die steeds door inkompleete induktie gevonden en dus nimmer bindende voorschriften zijn.

Een zelfde opslorping der beteekenis van meerdere elementen in een enkel, hebben wij ook in sommige bijzinnen die gaandeweg een zelfstandige beteekenis kregen: (ik verwonder me) dat jij dat niet moei wordt! (Geef er nu toch eens een reden voor aan), dat mij dat juist nu weer moest overkomen. (Wat doen we) als hij nu eens niet komt? (Ik wenschte) dat ik er toch bij mocht zijn! En zoo verder met alle zelfstandige dat-konjunktieven. In al deze gevallen is geen sprake van ellips. Wèl zijn deze zinnen natuurlijk uit samengestelde zinnen ontstaan. Maar zoolang er hoofdzinnen bijstaan, gelijk ik er tusschen haakjes aan heb toegevoegd, hebben zij hunne innige gevoelsbeteekenis nog niet. Ook de zinmodulatie is anders. Door ellips is geen van deze twee feiten te verklaren. Wel door de koncentratie van de gevoelsbeteekenis in den bijzin.

- Ja maar, zegt een scherpzinnig lezer, nu heb ik toch een moeilijkheid, die mij bij de vorige reeks gevalletjes ook al vaag voor den geest kwam. Hoe kunt u hier uitlating of ellipsen loochenen, daar er toch ook volgens uw uitleg een tijd moet geweest zijn, dat b.v.

[p. 207]

het ouder geslacht nog doorgaans den vollediger vorm gebruikte, maar de jongeren alleen de kortere zegswijze hebben overgenomen. Uit de oudere traditioneele zegwijzen is toen iets weggelaten. We hebben hier dus met ellipsen te doen.

- Mijn antwoord hierop is zeer eenvoudig: Als U dit en niets anders ellipsen noemt, dan hebt U groot gelijk. Maar dan moet U niet meenen iets verklaard te hebben. Want de oorzaken van dat ‘niet overnemen door het jonger geslacht’ werkten al twee, drie menschenlevens daarvóór; en de definitieve vastworteling der nieuwe zegswijze duurt zeker nog twee of drie geslachten daarnà. Welnu, mijn verklaring door beteekenisopslorping geeft rekenschap van het geheele geschiedkundig ontwikkelingsproces, terwijl U er een willekeurige fase uitneemt, daar een naam voor zoekt, en de eigenlijke oorzaak voorbij ziet. Nu, dat noem ik den leerling een verklaring voorgoochelen die valsch is!

Maar bovendien hebt U misschien ook aan de konsekwenties van Uwe definitie gedacht? Gym voor Gymnasium, nor voor normalist, kwik voor kweekeling, prof voor professor, stud voor student, akte-gym voor akte-gymnastiek, gymnas en gymnastie voor gymnastiek, dire voor Directeur (van een H.B.S.) sic voor secretaris en kategis voor katechismus moet U dan ook ellipsen noemen. Bovendien zult U er maar bezwaarlijk aan ontkomen de Oer-Germaansche Auslautgesetze, en de mnl. synkopeeringen óók als ellipsen te aanvaarden. Toch wel een beetje bedenkelijk, zoo'n begripsuitbreiding in strijd met het algemeen gebruik! -

- Ja maar, ik bedoel natuurlijk alleen uitlating van minstens één zelfstandig woord, zelfs vélo voor velocipėde en auto voor automobiel noem ik nog geen ellips maar een afkorting.

- Goed, maar nu Den Haag en Den Bosch voor 's-Gravenhage en 's-Hertogenbosch? En doctoraal voor doctoraal examen, kandidaats voor kandidaatsexamen, proppies voor propaedeutisch examen, dag voor goeien dag, navond voor goeien avond, staker voor werkstaker, rijks of riks voor rijksdaalder of riksdaalder, boordje voor halsboordje, kraagje voor halskraagje, bankje voor bankbiljet, tientje voor gouden tientje, dubbeltje voor een dubbel stuivertje, hou je voor hou je goed, loop voor loop heen?

Het geslacht dat in mijn geboortedorp de nieuwe kerk bouwde en de oude afbrak had het nog altijd over de nieuwe kerk. Wij jongeren gebruiken alleen de kerk. Het geslacht van veertig kende David van Lennep nog beter dan Jacob van Lennep. Dat van zestig begon soms al eens Van Lennep alleen voor Jacob te gebruiken. Wij jongeren gebruiken bijna uitsluitend Van Lennep tout court. En aan David denken we niet meer.

[p. 208]

Zijn dat nu allemaal ellipsen? Ik zou me nog eens bedenken, of U in Uw definitie niets over de beteekenis zoudt opnemen, wie weet, werden wij het dan nog eens. Op die definitie kom ik evenwel nog terug.

Trouwens om na deze interruptie op mijn à propos te komen. Er zijn een heele reeks dergelijke zinnen, die onmógelijk aan te vullen zijn, en dan ook nooit door een vroeger geslacht vollediger zijn gebruikt, om de eenvoudige reden, dat ze in deze speciale beteekenis pas zijn opgekomen bij de geslachten die volgden op de uitlatingsperiode. Die dat gezien had! Hier kan men eenvoudig van alles aanvullen! dus niets. Als je nog een woord zegt. Als je eens wist. Als je in mijn hart kon lezen. Maar - wat de burgemeester deed? Wie om een hoekje van nabij hunne vreugde had gezien! En je nou nog niet te schamen! Zoo lang te slapen! Ook sommige hoofdzinnen lijken vroeger een bijzin gehad te hebben, zooals: Het is zóó'n gladdekker. Ik heb zooveel met dien jongen uitgestaan. Ze zouen me gek maken, enz. die alle op een der beide aangegeven wijzen te verklaren zijn.

Maar het beste voorbeeld van zoo'n beteekenisverdichting met daarop volgende uitbreiding van gebruik hebben wij in den Genitief van persoonsnamen als Akkusatief gebruikt. Ik wil hier op den samenhang van dit Germaansch verschijnsel met Slavische, Latijnsche, Grieksche en dus zeker West-Indogermaansche parallellen niet ingaan, noch op de oorspronkelijke Casus-activus-beteekenis, die er onder schijnt te liggen. Ik wil hier alleen betoogen, dat Stoett's verklaring ervan, door een ellips van huus, huis, die hij uitstrekt ook over de tegenwoordige dialekten, géén steek houdt.1) In mijn Oudenbosch dialekt gebruiken we b.v. het huis van van Loontjes, (de naam is van Loon), het huis van tântes, van ôomes, van Willemses (Willemse). Edde gij tântes gezien? Edde gij 't tegen vaoders gezeed? Wilde gij Mina's eventjes roepen, enz. enz. V.d. Water (§ 45) geeft voor de Bommelerwaard: vaoders is ziek, ik he oomes gezien, die van van Baares. Opprel geeft voor Oud-Beierland (§ 52). Ik heb 't vaders gezaid. Voor vadars. Van wies weet je dat? Voor wies hij-je dat gedaan. Wies hij-je daar gezien?

Verdere kommentaar is overbodig. Wie hier huis invoegt of bijdenkt, verstaat er geen syllaab van.

[p. 209]

Om samen te vatten.

Ellipsen zijn uitlatingen, zoo begon ik te denken. Maar waaruit dan toch? vroeg ik me af. Niet uit de innerlijke taal, dacht ik aanstonds, zooals bij de reticentie, of de insinuatie: als wij nog bijtijds terughouden, wat ons reeds op de lippen zweefde. Van dit psychologisch duidelijk waarneembaar verschijnsel, dat als stijlmiddel dikwijls zeer teekenend gebruikt wordt, is in al deze voorbeelden niets te bespeuren. Maar waaruit dan?

Het eerste antwoord waar ik niet zoo gauw mee klaar kwam was: uit de gedachte, gevoelens, kortom den bewusten inhoud van den spreker. Maar bij nader toezien bleek het, dat wij nooit ofte nimmer ons bewustzijn geheel en al uitspreken. Wij laten altijd een heele boel te denken over. Zóó kan dus ellips niet bedoeld zijn. Want dan is de heele taal ellips. Wij merkten daar bovendien in 't voorbijgaan, dat de aanvulling van die zoogenaamde uitlatingen aan de uitdrukking dikwijls een heel andere beteekenis gaf.

Mijn tweede hypothese (die ik om verschillende redenen het laatst behandelde) was: uit de oudere overgeleverde taal. Hier komt toch onmiskenbaar uitlating voor. Maar ik meen, om van het overige niet te spreken, bewezen te hebben, dat hier de ellips maar één willekeurige fase is in een gekompliceerd historisch ontwikkelingsproces en we met dezen naam dus meer goochelen dan verklaren. Maar verder zou hiervoor de naam ellips dan toch alleen geldig zijn in dien bepaalden tijd, toen het jongere geslacht den omslachtigen vorm der ouderen niet meer overnam, terwijl alle grammatici met Stoett1) aan het hoofd wat eenmaal een ellips geweest is ook altijd een ellips blijven noemen. Ze bedoelen dus toch nog iets anders!

Mijn derde veronderstelling was dan ook - en hiermee kwam ik tenminste reeds tot de helft van de waarheid - uit de schrijftaal, gelijk die door de grammatici eens voor altijd genormaliseerd is. Juist! Wanneer wij in levende taal iets zeggen, wat uit toon, gebaren, omstandigheden duidelijk, en een heel normale uiting der gedachte is, dan vinden die heeren dat abnormaal, omdat zij in hun papieren taaltje dat anders zouden schrijven. ‘Verbeeld-je toch eens: zinnen zonder onderwerp en medeelingen zonder gezegde!’ - Maar dat was toch nog niet de heele waarheid: we vonden immers ook

[p. 210]

ellipsen die aan grammatische konstruktie niets te wenschen overlieten.

Welnu, mijn vierde antwoord was en is: uit de houterige gedachten van de heeren grammatici, wanneer zij natuurlijke levende taal te hooren of te lezen krijgen. Wat Terwey en Den Hertog c.s. bij het hooren of lezen als een uitlating voelden in hunne kleine denkhoofden, in hun gemaniëreerden gedachtenstijl, in hun op niets dan schoolgrammatica berustend taalgevoel, dat noemden zij naar het voorbeeld van vroegere taalpotentaten ellipsen! En hiermee meen ik stellig de eenig ware definitie van ellipsen gevonden te hebben.

Natuurlijk hebben zíj deze viervoudige onderscheiding niet gemaakt! Zij meenden namelijk dat de gedachten van den spreker of schrijver natuurlijk juist even schoolvossig kunstmatig waren als hun eigen denkbeeldjes bij het hooren of lezen. Zij waanden dat de oudere overgeleverde taal natuurlijk altijd volkomen overeenstemde met de schematjes van hún schrijftaalgrammatica - 't overige was immers taalbederf van 't jonger geslacht! En daarom warden zij in hunne theorie deze vier reeksen van gevallen tot een roezemoesje dooreen. Maar in hun praktijk was feitelijk alleen hun eigen verschrijftaalde denkmanier de norma van alle volkomenheid in de taal. Ontbrak er iets wat zij er wilden bijgedacht of bijgeschreven hebben, dan was er klaarblijkelijk iets uitgelaten, dan hadden wij te doen met ellipsen.

Maar als dàt dus ellipsen zijn, dan zijn de ellipsen louter subjektieve verzinselen, dan bestaan er geen ellipsen in de objektieve orde der natuurlijk levende taal.

Want wat zíj gelooven dat er uitgelaten is, dat is er niet uitgelaten, maar dat voegen zij erbij, om alle taaluitingen aan te ronden naar het model van de petieterig schoolsche gedachte-kurve waarop zij nu eenmaal hunne zinnen hebben gezet. Maar lees dan ook hun boeken eens. En verdraag zoo ge kunt den laffen dreun van hun volzinnetjes. En noem eens de prozaïsten van naam, die bij hen taalles hebben genoten. Hoeveel onderwijzers, op Terwey en Den Hertog gedresseerd, tellen er mee in onze Nederlandsche literatuur? En zou dat niet anders kunnen worden?

Dit rechtvaardigt dan ook, naar ik vertrouw, den ietwat vertoornden toon van dit opstel. Want als onze kernige, pittige, Hollandsche gedachte geraakt in apothekershanden, als men ze wil gaan aanlengen met een zeker rozig gekleurd maar tot walgens toe flauw frambozennat; als onze vrije, gesmijdige en gespierde Nederlandsche taal met een dwangbuis wordt bedreigd, al is er dat dan ook een met zijde

[p. 211]

gevoerd, met nikkel gemonteerd en stemmig belegsel afgezet, dan woelt mijn hart daarbinnen van verontwaardiging, mijn hersenen slaan aan het werken, en ik schrijf een geharnast betoog tot beveiliging van het onvervreemdbaar erfgoed onzer vaderen.

Maastricht.

Jac. van Ginneken.

1)J.E. Sandys: History of classical scholarship. vol. III, Cambridge 1908, blz. 291.
1)P. Peeters, Études, t. 69, 1896, blz. 239.
2)P. Peeters, Revue des Questions scientifiques 1897, XI. blz. 142 vlgd.
1)Niet omdat het daarbij anders is, maar omdat dit ons van onze stof zou afleiden. Juist omdat taal geen adaequate algebra is, wordt de taalkunst mogelijk!
2)‘Stip slechts de bovenste topjes aan.’
1)En zoo zou ik door kunnen gaan met omschrijvingen en toevoegingen al naargelang de eventueele toon en nadruk mij die zouden suggereeren.
1)W. Wundt: Die Sprache2, II, blz. 348-49.
1)Immers regenen heeft plaats (naar de potsierlijke omschrijving van Terwey in z'n vroegere edities) komt nog een lid te kort: de plaatsbepaling; want ergens op de wereld regent het licht!
1)Zie mijn Principes § 284 vlgd.
1)Dat is Stoett's groote fout, dat hij in plaats van de mnl. taal in hare eigen struktuur te ontraadselen d.w.z. onze voorvaderen in hun spreken èn hun verstaan te bespieden, alleen behandelt wat van de tegenwoordige taal afwijkt en dus den huidigen lezer opvalt. Zoodoende heeft hij een boek gemaakt, dat taalkundig zeker heel geleerd is, maar taalwetenschappelijk alleen waarde heeft als onverwerkt materiaal.
2)Principes § 165 vlgd. en § 742 vlgd.
1)Vgl. G. Kalff: Geschiedenis der Nederl. Letterkunde I, blz. 71, 72, 79.
1)G. Mahlow: Kuhns Zeitschrift, Bnd. 25 blz. 580.
1)E.Th. Erdmann: Drei Beiträge zu einer allgemeinen Theorie der Begriffe. Leipzig 1904, blz. 16-18.
2)Zie vele voorbeelden hiervan bij Alfred Risop: Begriffsverwandtschaft und Sprachentwicklung. Berlin 1903, passim.
1)K. Brugmann: Zwei Fälle von Wurzelangleichung. Indogermanische Forschungen XII. 1901, blz. 150 vlgd.
1)Die van binnen, die van buten, die van Arabiën in den zin van ‘menschen’ heeten bij Stoett geen ellips maar de van Clermont, de van Vlaendren (uit Stoke) voor de heer van Dueringen, enz. wel. Wat mag daarvan de reden zijn? Toch niet dat de bij Stoke niet zelfstandig kan worden gebruikt?
1)Dit is de laatste keer in dit stuk, dat ik Dr. Stoett noem. Voor wat nu nog volgen gaat sluit ik hem beslist uit. Hij toch heeft door z'n Spreekwoordenboek en elders genoeg getoond ook iets te voelen voor levende volkstaal. Het diepere, wat ik Dr. Stoett verwijt, is, dat hij zich te suggestibel heeft laten opvoeden in de vooroordeelen der oude school.
prepostterug  begin  verder