terug  begin  verderprepost
[p. 179]

Opmerkingen bij Coornhert's ‘Beatus ille’.

III.

Doch, allereerst, zij men voorzichtig, met niet in Coornhert de man te zien, die àl de Nederlandse dichters of denkers tiepeerde. Verre van daar. Ook wij Nederlanders - in de meest brede zin, - hadden een Ronsard, altans een anakreontieker, die, met echt-dichterlike aanleg, z'n geluiden liet horen in de nieuwe jamben-maat en in de nieuwe, individuele, dichterstemming; een die zich ‘koning’ voelde en zich werkelik ‘edelman’ noemde; iemand die meer dan iemand de vertegenwoordiger van de beweging mag genoemd worden, welke met Opitz in Duischland, Du Bellay in Frankrijk en Ben Johnson in Engeland eeuwen-lang, meer of minder van karakter gewijzigd, door zou lopen. We bedoelen Van der Noot, als zodanig ontdekt door Verwey, beschreven door Vermeylen, en in de Geschiedenis der Ned. Letterkunde, door Dr. Kalff, voor 't eerst met een juiste karakteristiek in de lijst van onze litteratuurhistorie geplaatst. Deze Van der Noot is de Horatius-tiepe der Oden hier te lande in de brede Renaissance-beweging, wel niet in die zin, dat hij de rechtstreekse navolger van de Venusieër is, maar dat hij, ook wanneer hij, 't zij hij Petrarca of Ronsard vertaalt, zich de zelfbewuste dichter toont, die voor zich zelve weet en onverbloemd laat horen, dat hij de woordvoerder is van de nieuwe tijd, en dan ook nooit vernomen denkbeelden en ritmen laat horen. Doch, zoals we zeiden, Van der Noot is uitsluitend de dichter, de man van de verbeelding en de klanken, en niet de Humanist-denker, die in z'n werken de wijsheid der Ouden, - ook al geschiedt dit niet in de geest, of met het kunsttalent dier Ouden, - als een uitkomst van eigen zoeken en verwerken in z'n geschriften neerlegt. Want men houde wel in 't oog, dat wij in de geschiedenis der 16o eeuw zeer veel mannen aantreffen, die op hun vele reizen, - zwerven en zoeken doen ze alle, - alle mogelike geleerdheid van antieke herkomst verzamelen, en die zich ja, ijverige dichters, schilders en etsers tonen, maar bij wie de poëzie en de beeldende kunst geen eigen verbeeldingswerk, geen zucht naar gestalte-vorming van eigen visioenen is; mannen, bij wie, eigen-

[p. 180]

lik gezegd, de kunst uitsluitend leermeester is geworden, de ijverige vertolker en verbeelder beide van wijsheid, zoals ze gevonden werd in de rijke goudmijnen der Antieken. Kortom, de dichter of schilder is gemeenlik de kunstvolle historie-schrijver van Goddelike, of altans aan de Goddelike gelijk-geaarde, wetenschap. Evenals de Middeleeuwer, doet hij z'n werk naar z'n beste krachten, met ernstig plichtbesef, en aanwending van al z'n geschonken gaven; en menigeen onder hen, meer dan de gewone mens met talent begiftigd, geeft, ondanks z'n didakties streven, een voor altijd blijvende kunst. Doch onveranderd, is zij het middel, en het onderricht doel. Rijk, inderdaad, opmerkelik groot is het aantal, meer of minder artistiek begaafde mannen in onze Nederlandse gewesten geweest, die met dit doel etsnaald, pen, of penseel hebben gehanteerd, en zo wij uit de massa namen, die in Van Mander's ‘Schilderboek’ worden genoemd, een voor ons doel tieperend voorbeeld willen aanhalen, dan noemen we de in 't ganse Westen bekend geworden Otto of Octavius van Veen.

 

Van Veen was een Leidenaar van geboorte, een Hollander van famielie, en, door z'n buitengewone aanleg, als artiest en man al spoedig een wereldburger. Vijftien jaar oud is hij te Luik de beschermeling van Kardinaal van Groesbeek; deze beveelt hem aan te Rome, waar hij ontvangen wordt door de Kardinaal Marducci. Na een 7-jarig verblijf aldaar bezoekt hij de hoven te Weenen, München en Keulen; Parma lokt hem naar de Nederlanden terug, en na de dood van de Landvoogd vestigt hij zich te Antwerpen. Doch als hij bij de intocht van de Aartshertogen in de Schelde-stad, wegens de luister van z'n decoratieve arbeid, de aandacht van Albrecht trekt, wordt hij te Brussel hoofdingenieur en intendant van de munt. Hier overlijdt hij, naar gissing in 1624.1)

Van hem nu zijn de Horatii Flacci imagines (Antio, 1607, 1610, 1612), te Amsterdam in 1684, te Florence in 1777 uitgegeven.2) Het zijn 103 etsen, in koper, illustraties van moreeldidaktiese uitspraken uit klassieke schrijvers, en hoofdzakelik uit Horatius verzameld, met overal Hollandse, Franse en Duitse verzen er bij. Op de prenten zelf, waar het steeds de mensen zijn die in hun gedragingen en lotgevallen de bijgeschreven moraal verkondigen, is, zoals in de ganse emblematiek, de werkelikheid opgeofferd aan

[p. 181]

het symbool, en komen dus zonder bezwaar evenzeer fabelachtige wezens als mythologiese personen en allegoriese fieguren voor. De achtergrond, 't zij landschap of gebouwen, is, zo al niet Italiaans, dan toch zo trouw mogelik gehouden aan 't vaderland van de Antieke idee.

De Latijnse bijschriften, bij elk emblema uit verschillende auteurs bijeengelezen, appeleren steeds, of in de eerste plaats op Horatius. Zeer veel plaatsen zijn uit de Epistulae of uit de Satyrae genomen; zeer vele ook - 't zal ongeveer om de helft zijn, - uit de Oden en de weinige Epoden. Doch waar dit geschied is, werd, om de strekking, de keus gedaan uit die liederen, welker ondergrond de diepste ernst inhoudt. Meer dan éénmaal wordt b.v. de eerste Ode uit de derde bundel aangehaald; schier even dikwels de 24e en de 29e uit hetzelfde Boek; verder II, 14; II 16 en IV, 7. Wat houden die liederen in? Niets dan ernstige vermaningen en droefgeestige klachten! In schier alle wordt de raad gegeven, afstand te doen van een leven in rijkdom; zich de genietingen, welke aan het bezit van goederen zijn vastgeknoopt, te ontzeggen, en veel liever het geluk dat de eenvoudigen ten deel valt, te zoeken in een landelike omgeving, waar de behoeften gering zijn, dan in 't gewoel van de steden. Troosteloos is de toekomst, heet het (III, 29); zonder uitzicht de dag van morgen; laten dus de wensen van de aardling niet verder gaan dan 't heden. Alles is vergankelik; vluchtig en nietig ons bestaan; laten we dus de dag besteden op de beste manier (IV, 7); doch snijden we alle overtollige wensen af; er is geen rust bij de rijkdom; waar ze de afleiding zoekt, jaagt ze de vrees en de zorgen na (III, 1). Onherroepelik is het vonnis des doods; let op uw dwaasheden in deze korte spanne levens (III, 18). En dergelijke. Nu waren deze ontboezemingen, wel degelik echt-Romeinse trekken. Onder de vele anakreontiese liederen over de liefde en de verfijnde genoegens van 't leven, die aan de weelderige en dartele dagen onder Keizer Augustus herinneren, behoren tot de uitingen van de Romeinse geest in die tijd evenzeer de sombere klachten over de toenemende zedenverslechting, de wanhoop over wat de toekomst zal moeten geven, en het beroep op landelike eenvoud van de nog niet door weelde bedorven boeren en van de hooggeprezen, oprechte en sobere voorvaderen. Ja werkelik openbaart zich in de Romeinse letteren dier dagen een zelfde trek om de werkelikheid van het benauwend-drukke leven te ontvlieden, als in de litteratuur van de voorlopers der Franse Romantiek; en zoals Rousseau z'n idealen het liefst vervuld ziet aan de rustige en verheven oevers der Zwitserse meren, Bernardin de St. Pierre het liefdeleven bezingt onder de kokospalmen van de eilanden van Oceanie en Chateaubriand het natuurleven verheft in de wouden van Florida,

[p. 182]

zo zien ook de Romeinse dichters, zoals vroeger de Grieken, een ideale wereld ergens ver in 't Noorden, waar de Scythen en de Geten leven, welke Scythen, naar hun woorden, een vreedzaam en genoeglik bestaan leidden, en op hun uitgestrekte vlakten, zonder arbeid, alleen zich voedende met melk en honig, zonder verdere begeerten, en dus ook zonder wetten te behoeven die de begeerten beteugelen moeten, het ideaal verwezenlikten, waarnaar de vermoeide, in tal van oorlogen en twisten beroerde inwoners van Italie, in hun geestelike malaise, hun begerige ogen richtten.1) Zelfs het landleven onder de Sabijnse boeren, wordt meer dan eens als het meest begeerde ydillies bestaan, tegenover het zorgvol leven van de zeeman of van de staatsheld, geprezen; maar 't uitvoerigst vonden de lezers en navolgers van Horatius, wanneer zij, hun pastorale verlangens lucht wilden geven, het aangenaam vlietend leven voor de landbewoner terug in de 2de Epode, dat van 't begin tot het einde met smachtend gemoed, ja met een welbehagen, dat, aanstekelik op de hoorders werkende, hen doet watertanden van stille genieting, uitvoerig heel het landelik bedrijf van de landbouwende en veedrijvende buitenman, in een positief tafereel, voor oogen stelt.

Doch, de lezer veroorlove ons een opmerking. Het is deze, dat achter dit eentonig lekkermakend uitstallen van de rustieke genoegens in deze Epode, iets schuilt. Want die beschrijving legt de dichter Horatius in de mond van een Romeinse geldschieter. Zo iemand, kunnen we met enig recht onderstellen, gaat geheel op in een bedrijf dat geheel op materiële berekeningen gebouwd is. Zulk een wisselaar of bankhouder zal zich bezighouden met 't zoeken van de wegen waarop hij 't voordeligst z'n geld kan plaatsen. In elk geval is zo iemand zo positivisties aangelegd, dat hij zich vreemd zou voelen in een bedrijf als dat van de boeren, waarin de arbeid zich zelve voedt, en onafhankelik van prijskoers en geldmarkt, economies zich zelve regelt, en waarin hij onmogelik, dag aan dag en uur aan uur, zich met juiste cijfers van de stand van z'n vermogen zou kunnen vergewissen. De geldman Alphius mag dus smakken met z'n tong naar 't idyllies genot, - zodra er iemand aan z'n kantoor klopt, laat hij z'n dromen vliegen en doet op z'n oude wijs z'n zaken.

De lofzang is dus als een soort satyre bedoeld. Ook komt de ietwat spottende bedoeling van het vers aan den dag in enige sterk uitkomende coelinaire trekjes, die de lekkerbek verraden. De op de penning terende woekeraar weet heel goed wat lekker smaakt, maar hij benijdt de boer omdat deze voor zijn lekkers geen uitgaven heeft te doen.

[p. 183]

Maar juist deze soort overwegingen, waarbij het al dan niet uitsparen van geld de doorslag geeft, maakt dat hij, ondanks de verklaarbare aanvechting om voor z'n persoon een toestand te begeren waarin de algehele ontheffing van zorgen de rust moge brengen, - ten slotte bij z'n steeds winstbelovende en daardoor immer aanlokkelike, beslommering barende geldhandel blijft.

Een man als Coornhert nu, kon bij 't uitstallen van de verkwikking aanbrengende idylle, de persoon van Alphius niet gebruiken. Hij vroeg alleen het lied van de man, niet z'n hart; z'n vaag verlangen, niet z'n zucht naar gewin. De laatste vier regels van de Horatiaanse ode, waarin gezegd wordt: ‘zo spreekt Alphius, maar zo doet hij niet’ laat de Nederlandse ethicus weg. Hij wou de ernst, en niet de spot. Hij wou stichtend leraren, en niet lichtzinnig vermaken.

Wij krijgen dus een lofzang, gegrepen uit het hart van de dichter, die Horatius heette, maar die nu Coornhert is.

IV.

En zo liet Coornhert nog meer weg.

In de Latijnse tekst wordt bij 't opnoemen van de genoegens, die de boerenarbeid oplevert, vermeld, dat de boer in de herfst z'n peren en z'n druiven mag plukken, waarmee, - en nu komt de aangevochten zinsnede, - ‘gij, Priaap, en gij, Silvanus, beschermer der fruithoven, begiftigd wordt.’ Met andere woorden, de landbewoner omhangt, verblijd over een gelukkige oogst, de Godenbeelden in z'n tuin met druiven en wingerdtakken. Daarin nu steekt niets ongewoons. Op zichzelf is een bewijs van hulde aan de godheden die de belangen van de wijnboer heeft gediend, zeer verklaarbaar. Maar 't is de vorm van deze hulde, die de Hollander aanstoot geeft. Kan een Christendichter, die de lof van 't landleven bezingt, omdat het boerenerf het voorland is van eenvoud en rust, van zuivere zeden en aartsvaderlike deugden, aan harten vol reine Godsvrucht het bijgelovig dienen van gruwelike afgoden verbinden? Neen. Een lofzang die 't onbesmette levenin-deugd verhief boven het treurig beloop der tijden van heden, moest vrij van smetten zijn. Weg dus met de heidense verzinsels, en vooral niet gesproken van de zedekwetsende Priaap, in z'n onbeschaamde naaktheid. Zeer zeker eiste Horatius' dichtkunst, dat een gepaste eerbied voor zijn talent niet nodeloos aan het Latijnse model ging tornen. Maar een Priapus in z'n zangen te vlechten, wier ritme gespannen was op de wijs van de stichtelike 23st Psalm, zou voor elk

[p. 184]

eerlik Christengemoed een al te schrijnend kontrast aanbrengen. Zou 't dan niet mogelik zijn, de gulle dankbaarheid van de landman, die toch 't vermelden wel waardig is, op een andere wijze tot z'n recht te laten komen? Een heidense Godheid, foei! De God der Christenen dan? Doch deze vroeg geen offer in die vorm. Welnu, waarom zou de wel-voldane buitenman z'n vrienden niet met een mandje vruchten gedenken? Dit was toch een zeer gewoon gebruik! En de vrinden profiteerden er op een heel wat natuurliker wijze van dan zo'n steendode afgod. Aldus geschiedde. Een van de vrienden kreeg de minst stuitende van de namen der verworpen goden, en daar ging het. Waar in 't Latijn gestaan had:

 
Vel cum decorum mitibus pomis caput
 
Autumnus agris extulit:
 
Ut gaudet insitiva decerpens pyra
 
Certantem et uvam purpurae,
 
Qua muneretur te, Priape, et te, pater
 
Silvane, tutor finium!

welke verzen van die verering van de wingerdoogst aan Priaap en Silvanus gewagen, schrijft Coornhert:

 
Als d' Herfst vruchtbaar vergult de groene bomen
 
Met appels geel, die op den disch dan komen.
 
Hy pluckt met lust veel nieu ghe-ente peeren,
 
En druyven grof, als purper schoon vol eeren:
 
Daar met hy dan zyn vrienden gaat beschincken,
 
Oock u Sylvam het vrolyck nat doet drincken:

Later nog, komt Coornhert in de Latijnse tekst Jupiter zelf tegen, de opperbaas van de Heidense demonenbent. Natuurlik moet die ook verdonkeremaand. Horatius had gezegd dat, na de zomer en de herfst, ook de wintermaanden aan de landbewoners hun vermaken gaven; hij dacht daarbij in de eerste plaats aan de jacht. In plaats van nu te zeggen: ‘des winters’, had de dichter bij omschrijving zich geuit: ‘als de Dondergod in 't wintergetij z'n sneeuw- en regenvlagen laat gieren,’ en daarbij letterlik gesproken van den ‘geweldigen Jupiter’. In een Christenmond ging zo'n uitdrukking niet aan. Er gaat door die naam een schrap: het overige wordt wat uitgerekt, en deze regels ontstaan:

 
Maar als het iaar treedt op des winters weghen,
 
Met koude sneeuw, met haghel, wind en reghen,
 
Zietmen enz.
[p. 185]

waarbij dan 't jachtvermaak aan de orde komt. Zoals men ziet, een Heidense Godheid bestaat niet meer.

En hieraan laat zich nog een andere opmerking vastknopen. Zoals Coornhert datgene schrapt, wat, als zijnde afgodies, antichristelik en tegen 't volksbewustzijn strijdende, aanstoot zou kunnen geven, zo zorgt hij, dat, waar hij zich genoodzaakt ziet een regel te verlengen, dat toevoegsel de geest en de strekking van het gedicht blijft schragen. Zoëven onderstreepten we in de eerste aanhaling het in vers 2 voorkomende die op den disch dan komen. Dit is een stoplap; Horatius spreekt er niet van. Coornhert had met even veel trouw aan z'n model, in dezer voege kunnen vertalen:

 
Als d' Herfst vruchtbaar vergult de groene bomen
 
Met appels geel, die lachend 't loof uit komen.1)

maar hij deed het anders. Bij hem stond het beeld van de zelfgenoegzame landman, die onafhankelik van al wat handel en nering is2), z'n eigen gewin geniet, zo sterk voor de geest, dat hij de rijpe appels, die aan de takken prijken, aan niemand anders zou kunnen toewijzen, dan aan de teler zelf, die hij omringd van gade en kroost, aan de dis zich te goed ziet doen aan de heerlikheden, die z'n woning omringen. Iets dergeliks zien we enige verzen verder. Horatius laat de buitenman, zorgeloos, zich vergenoegen met wat in 't gras te liggen, of onder 't lommer van een eik te zitten, terwijl de vogeltjes zingen, de beekjes vloeien en de bronnen ruisen. En een van de versregels van de Latijnse dichter, die op dat liefelijk tafereel wijzen:

 
Labuntur altis interim ripis aquae.

had kunnen vertaald worden met: ‘terwijl het water van de steile klippen afschiet’,3) zoals Vondel het doet, of, zo nodig met wat meer fieguurwerk. Maar Coornhert besteedt er twee versregels aan, in dezer voege:

 
Van klippen steyl, verçiert met wilde pruymen,
 
Ruischt snellyck daal,4) veel waters wit van schuymen;
[p. 186]

In elk geval, zijn de pruymen er bij gefantazeerd. Maar 't is al weer hetzelfde streven. Terwijl de zorgeloze huisman in ledige rust z'n uren slijt, betalen niet alleen de kwelende vogeltjes, en de murmelende wateren hun tol, maar ook nijgen zich op de rotsen de pruimetakken naar omlaag, om de weelde der natuur en de innerlike zelfgenoegzaamheid van de zacht in slaap gewiegde pastorale-held ten top te voeren. De idylle eist nu eenmaal, dat de buitenman, vrij van zorgen, zich wentelen kan in genot.1)

V.

Ook op een andere wijze heeft Coornhert het gedicht nader bij zijn lezers willen brengen. Hij heeft z'n voor hem liggend Romeins landschap zo na mogelik in z'n Hollandsche omgeving opgelost. Niet overal heeft deze bedoeling even levendig bij hem voorgestaan; ook hij bracht bij de ‘rustende dromer in 't groen’ de gewraakte ‘klippen’ aan, waarschijnlijk mede, omdat hij ze bij de ‘schuimende’ wateren en de ‘Beexkens klaar’ moeielik kon missen. Maar ‘'t boghtigh dal’ van Poot2) heeft hij dan toch vermeden. Waar de Latijnse tekst de boer z'n loeiend vee laat zien, dolend in de zich voor hem uitstrekkende vallei, maakt Coornhert bezwaar, dit, alhoewel liefelijk geschilderd, maar dan toch hier ietwat misplaatst tafereel over te nemen, en geeft hij er de voorkeur aan, de verzen aldus te wijzigen:

 
(Hij) ziet met lust zyn vette Melck-Fonteynen
 
Erkauwen 't groen van zijn gras-rycke pleynen

en heeft hiermee het on-Nederlandse, aan andere terreingestelheid herinnerende ‘dal’ geweerd.

Maar veel meer nog, zullen we zien, komt dit elders uit.

Horatius heeft, na 't opnoemen van de genoegens, die het landelik bedrijf op het erf en de akker van de boer oplevert, ook bekoringen in het huiselik leven, rond de haard en aan tafel gevonden. 's Avonds

[p. 187]

laat hij de huisvader na z'n welvolbrachte dagtaak, in het woonvertrek komen; daar wachten hem z'n zorgzame huisvrouw en lieve kinderen; zij ook heeft haar dag wel besteed, met het vee te melken en in de huishouding te voorzien; nu strekt hij z'n vermoeide leden uit aan de helder knappende haard en neemt plaats aan de dis, die met spijzen is, toebereid uit hetgeen de hof en de stal haar dageliks leveren. Kijk, zegt nu de dichter, wat zouden mij, bij dit genot van vruchten van eigen arbeid te eten, de elders gekochte, duur betaalde en wijdvermaarde delicatessen van heinde en ver kunnen schelen! En nu geeft hij voorbeelden van wat op de Romeinse markten verhandeld en door Romeinse opkopers, uit overzeese gewesten, naar hun expeditie-magazijnen betrokken is. Zie nu eens hier, zegt hij, daar heb je Lucrijnsche oesters, tarbotten en andere zeldzame vissen, die door de ruwe buien uit de zeeën in 't Oosten naar onze kusten opgejaagd worden; daar heb je 't parelhoen uit Afrika en 't korhoen uit Klein-Azië. Welnu, liever dan al die vreemdigheden, die de fijne tong van de lekkerbekken plegen te strelen, zou ik een mooie dikke olijf verkiezen, of lekkere wilde zuring, of de versterkende malva. Of, zo nodig, op 't feest van de grensgod een lammetje, of, anders, een geitje dat aan de wreede wolf ontscheurd is....

Aldus Horatius.

Tegen die uitstalling van lekkernijen heeft Coornhert zijn bezwaren. Let wel, niet tegen lekkernijen in 't algemeen, en ook niet tegen die, welke tegenover de eenvoudige mondkost in natura, wel degelik òf zeldzaam gevonden òf prijzige en met verfijnde kunst klaargemaakte lekkernijen moeten wezen, maar wel tegen die bepaald, welke hem in zijn model worden voorgehouden. Oesters, b.v. zou er heel goed mee door kunnen. Oesters is rijkelui's kost, en voor de enkel brood- en vruchtenetende buitenman iets onbekends of onbereikbaars. Maar ‘Lucrijnse’ oesters, verzameld uit een meer ergens in Campanie? Dat ging toch niet. Gevoegelik kon die vreemde term worden vervangen door 't woordje ‘vette’; ‘vette oesters’ tegenover de sobere boerekost, ging heel goed. De Lucrijnse waren toch ook zeer gezochte oesters geweest. Maar de ‘tarbotten’ en ‘scharren’1), al mochten ze voor de Romeinsche tafels een uitgezochte spijs zijn

[p. 188]

geweest, die konden toch niet als een tegenstelling gelden met wat de boerepot te schaften gaf? Wat zou de wereld wel zeggen, als een dichter zei: ‘liever dan scholletjes en scharretjes (en dan daar nog bij: “die door de onweersvlagen op deze kusten worden afgedreven”) zou ik de eenvoudige vruchten en groenten op de dis van de buitenman eten’? Dus dat moest weg. En ook de ‘Afrikaanse’ en ‘Aziatiese’ namen moesten weg. Er kon wel wat van blijven. Van ouds waren op de gastmalen van de rijken allerlei soorten van nu zus, dan zo vetgemeste hanen een deel van 't menu geweest. Er waren vermaarde en prijzige merken van. Dus dat behoefde enkel gewijzigd. Maar ook de ‘olijf’ moest weg, als zijnde hier niet als tafelvoedsel bekend; de ‘malva’ evenmin, en daarmee ging ook de ‘wilde zuring’ schoon hier inheems, van de bank. Het ‘lam’ bleef, maar de toevoeging, dat het geslacht kon worden op het feest van de ‘grensgod,’ werd onverbiddelik geschrapt. En dat niet alleen, maar de schrap moest voorgoed onzichtbaar worden gemaakt, en 't ongewijde plaats maken voor 't gewijde. Coornhert zou ze 't wel afleren: waar 't bederf had gezeten, zou hij een gouden glans aanbrengen. Foei, om bij een ‘lam’ te blijven denken aan een afgodies feest. Het lam, dat was Christus. Dat door de boer geslachte lammetje, dat moest duiden op het voor onze zonden geslachte Lam Gods. Zo zou 't wezen. En ook de bijbelse ‘geitebok’ zou blijven, ontrukt uit de klauwen van de ‘felle wolf’. En dan op nog een zaak aan 't eind van deze ophemeling van 't ‘huiselik genot’ op 't platteland, dient gewezen. Immers, als Horatius z'n buitenman laat aanzitten aan de inmiddels klaargemaakte dis, laat hij diens ogen weiden op wat er rondom hem voorvalt: de schapen gaan ter kooi; de vermoeide ploegossen keren van de akker huiswaarts, en de ‘slaven’ van de landbezitter gaan om de haardgloed zitten. In die ‘slaven’ zit het hem nog. Ook deze mogen niet blijven. En daarmee valt het laatste restant, dat zou kunnen herinneren aan de gewoonten van het heidense Romeinendom, uit de verzen weg. We krijgen nu, na al die wijzigingen, de volgende beschrijving.

 
Uyt vaten groot, sy Vernen1 wyn doet trecken;
 
Spys ongekookt laat zy den Disch bedecken;
 
Geen Brugs Capoen, gheen roy Calcoensche hanen,
 
Geen Oesters vet, gheen Stuers verstuerlijck wanen,
 
Verstuert haar Disch, met twyfelycke spyzen,
 
Haar eighen kost zij voor de vreemd moet pryzen.
 
 
 
Sy slaet2 een Lam, alst Lam voor ons moest doghen3,
 
Of teeder Gheyt, den fellen Wolf ontoghen.
[p. 189]
 
Men ziet met lust aan tafel onder 't praten
 
De Schapen ruygh, na 't stal toekomen blaten;
 
En d'Ossen moed,4 met halsen neergesteghen5
 
Den Ploegh verkeert6 sleypen, tot rust geneghen.

terwijl Vondels vrij trouwe tekst vermeldt: ‘...en zoeten most uit een versch vat tappende, (zy) ongekochte spyze bereide, zoo zouden my geene Lukrijnsche oesters, noch tarrebotten, noch scharren; indienze het wintersche onweêr uit de Oostersche baren in onze zee joegh, zoo wel smaecken, en geen Afrikaensche faisant zoo wel monden. Geen Jonisch patrijs smaeckt zoeter dan een olijf van den verschen tack gepluckt; of liefelijcke surckel, die gaerne in de beemden groeit, en maluwe, gezont voor een kranck lichaem, of een lam, op de feest des ackergodts geslagen, of een bocksken, den wolf ontjaeght. Hoe genoegelyck is het onder deze leckernyen de zatte schapen te zien naar huis spoeden; de vermoeide ossen den omgekeerden ploegh met hunnen bezweten hals nasleipen, en de rustende slaven, eenen zwarm van den rijcken huize, rontom het vier aen den haert zitten’.1)

De groenten zijn verdwenen, terwijl van de vissen, alleen de hier -

[p. 190]

altans voor rhombus en scari misplaatste ‘steur’ wordt genoemd,1) waarschijnlik wel, omdat hij als een ‘duur en vergezocht’ gerecht hier de tegenstelling tussen de soberheid en de weelde illustreren moet, en op welk woord ‘steur’, zoals we zien, spelend verder wordt ingegaan, door er bij te voegen, dat dergelijke buitensporigheden het hoofd op hol brengen, en een gepaste tafeleenvoud uit zijn bescheiden verhoudingen dringen. Een laatste opmerking, die de algemene strekking van de Horatiaanse verzen weergeeft, n.l. dat de vruchten van eigen gewin boven de elders gekweekte of gekochte zijn te verkiezen, besluit dezelfde strofe. Wel verre, dus, dat door de weglatingen de bedoeling van de lofzang wordt geschaad, heeft de Nederlandse dichter met zijn eigen-gevonden woorden de algemene zin op gelukkige wijze teruggegeven. En daarmee zijn we, wanneer we Alphius' inkeer (zie blz. 17), met de dichter, ongemoeid laten, aan 't eind van 't verhaal.

En toch weer niet.

Want ook deze ‘Alphius’ is overgevernist met verzen van eigen schepping. De naam van de woekeraar wordt weggedoezeld onder de namen van veel ernstiger, en ethies, hier op hun plaats staande, mannen. Wij weten alsnog niet, of ‘Raas-velt’ en ‘Hof-slach’ personen van een wijdvermaarde roem zijn geweest: veeleer veronderstellen we, dat het een paar Haarlemse vrienden waren, die, in bescheiden kring, getoond hadden, eensgezind met Coornhert over de Christelike opvatting van het Beatus ille te denken. Doch hoe het ook zij, hun namen versieren broederlik met Coornhert's naam het sluitend acrostichon, dat, precies in de lijst van Coornherts wezen en gans in de toon van z'n beroemde Christelik-ascetiese emblemen-collectie ‘Recht Ghebruyck ende Misbruyck van Tydlycke Have,’ de opvatting van dit Beatus weergeeft: de Mens, vergenoegd

[p. 191]

levende van 't hoogst nodige en slechts onontbeerlike; los, van wat de wereld aan 't stoffelike bindt; gereed om heen te gaan naar 't Vaderhuis; en doende en betrachtende, wat het Evangelie leerde aan hem, die kleen en krachtig, de Hemel wou winnen. In het isolement van z'n Apostoliese eenvoud zit zulk een man het sterkst.

 
Raas t al de werld, dees man leeft stil in luste;
 
Velt Godt het hoogh, hij houdt hem neer in ruste;
 
Hof lycke pracht haat hij, en draaght hem buerlijck:
 
Slach tende heel ons voor-Ouders natuerlyck.
 
Coorn wyn en kleed vernoeght zyn lyf gestadigh
 
Hert, zin en moedt danckt God, die 't geeft genadigh.

J.K.

1)Zie V.d.Aa, Biographisch Woordenboek.
2)Onder de tietel; Otxonis Vaeni Emblemata Horatiana, enz. bij Hendrik Wetsteen.
1)Virgilius in zijn Georgica 3; Justinus; II, 2; Horatius III (Oden): 24.

1)Vergelijk.... agris extulit
2)het procul negotiis.
3)De 17e en 18e (eeuwse dichters schijnen rupis gelezen te hebben (= ‘klippen’) maar dan ook is de tekst corrupt. De juiste vertaling is: (tussen) hoger oevers. Die ‘klippen’ komen bij Poot als rotsen voor; zie blz. 113.
4)daal = ‘omlaag’.
1)Verg. ook nog: Queruntur silvis aves = ‘de vogels tierelieren in 't bos,’ wat Coornhert zangerig weergeeft:
 
Het pluym-ghediert zijn vreughd met klanck doet blijcken
 
Dat orghelt zoet natuerlycke Muzycken
en vele kleinere trekjes, als iratum mare = ‘der goden toorn verwoedigh’, potentiorum = ‘vol hoovaardije nijdigh’.

2)Ook Vondel heeft ‘boghtigh dal.’ De Latynse tekst geeft:
 
(Aut) in reducta valle mugientium
 
Prospectal errantis greges;
1)rhombus aut scari. Vondel vertaalde ‘tarrebotten, noch scharren.’ Waarschijnlik was dit de 17e eeuwse lezing. De moderne filologie vertaalt: papegaaivis. Waarschijnlik kwam deze zeldzaam, en slechts na bepaalde storingen in de dampkring voor. En ook daar zal gegolden hebben: ‘wat van verre komt, smaakt lekker.’
1= ouden
2= slacht
3= lijden
4= vermoeid
5= gebukte
6= omgekeerd
1)Ter vergelyking moge de Latijnse tekst dienen:
 
Et horna dulci vina promens dolio
 
Dapes inemptas adparet:
 
Non me Lucrina iuverint conchylia
 
Magisve rhombus aut scari,
 
Si quos eois intonata fluctibus
 
Hiemps ad hoc vertat mare;
 
Non Afra avis descendat in ventrum meum
 
Non attagen Ionicus
 
Incundior, quam lecta de pinguissimis
 
Oliva ramis arborum,
 
Aut herba lapathi prata amantis et gravi
 
Malvae salubres corpori,
 
Vel agna festis caesa terminalibus
 
Vel haedus ereptus lupo.
 
Has inter epulas ut iuvat pastas ovis
 
Videre properantes domum,
 
Videre fessos vomerem inversum boves
 
Collo trahentes languido
 
Positosque vermas, ditis examen domus
 
Circum renidentes laris!
1)En toch in de mode. Zie Fichart's IIe Epode (Stemplinger, 426, 428)
 
.... begeren vil der steuren
 
Welcke des gewürz nur musz verteuren
 
. . . . . . . . . . . . . . . . . . .
En Opitz:
 
Dan decket sie den Fisch, und setzet auf die Speisen,
 
Darnach man nicht erst darf sehr viel Meilweges reisen
 
Und die das wilde Meer hier an das Land gebracht,
 
Kauft keinen Stör, den nur die Wurtze teuer macht
 
Kermt nicht, was Austern seyn, weisz gar nicht von Lampreten
 
Die erst der weise Koch in Malvasier muss tödten,
prepostterug  begin  verder