terug  begin  verderprepost
[p. 171]

‘Wörter und Sachen’.

De Duitsche taalwetenschap wordt in Nederland hoog gewaardeerd; en dat is natuurlijk, want de Duitsche geleerden hebben voor het stellen en het oplossen van linguistische vraagstukken een bijzonder talent laten blijken. Gedurende een groot deel van de negentiende eeuw besteedden zij hunne krachten vooral aan het historisch onderzoek van Indogermaansche klanken en vormen, en door vele studenten in Nederland werd dat onderzoek met de grootste belangstelling gevolgd: ook zij disputeerden met elkaar over de ‘Ausnahmslosigkeit der Lautgesetze’, en hadden het gevoel dat met de Morphologische Untersuchungen van Osthoff en Brugmann het tijdperk der ware wetenschap was aangebroken.

Enkele, meer zelfstandige geleerden in Nederland zullen zeker dien strijd in Duitschland met meer kalmte hebben gadegeslagen en hun eigen weg zijn gegaan, ook al bleven zij oplettend waarnemen wat in Duitschland gebeurde. Zoo herinner ik mij, dat Prof. Cosijn mij in 1886 wees op een klein werkje van Schuchardt, getiteld Ueber die Lautgesetze: gegen die Junggrammatiker. Dat was het meesterlijke, weldra beroemd geworden geschrift, waarin Schuchardt betoogde dat men bij de studie der taal het physische en het psychische niet op een ruwe wijze tegenover elkaar moet stellen. Doch reeds in 1880 waren Paul's Principien der Sprachgeschichte verschenen, waarin meer dan in andere werken de verschijnselen der taal met psychologische theorieën in verband werden gebracht. Een dergelijke beschouwing kreeg weer meer gelijkenis met wat sinds lang ‘Sprachphilosophie’ heette, een vak dat de Hollanders niet bijzonder had aangetrokken en dat ook in Duitschland op de ontwikkeling der Indogermanistiek niet veel invloed had gehad: zoo verklaarde Delbrück in 1880, in den eersten druk van zijn Einleitung, dat ‘in der That der Einfluss der philosophischen Sprachforschung auf die von Bopp begründete Wissenschaft stets gering gewesen ist, und noch heute sehr gering ist’.

Dat zou weldra anders worden. Delbrück bleef behooren tot hen die meenden, dat de taalkundige zeer goed zijn werk kan doen zonder

[p. 172]

zich in de vraagstukken der psychologie te verdiepen; maar over het algemeen kwam er in Duitschland meer en meer belangstelling voor de ‘algemeene taalkunde’, die een veel grooter materiaal noodig heeft dan het Indogermaansche alleen, die de taal zooveel mogelijk bestudeert in verband met de verschijnselen van het zieleleven, en zich dan ook ‘psychologische taalwetenschap’ noemt. Ook elders is men die richting ingeslagen, o.a. in Nederland, en menig Nederlandsch student zal thans in zijn bibliotheek b.v. die twee dikke deelen van Wundt hebben staan, overtuigd dat hij den inhoud daarvan grondig moet kennen, indien hij op de hoogte wil zijn van zijn vak.

Bij de bestaande Duitsche tijdschriften is sinds kort een nieuw tijdschrift gekomen onder den titel Wörter und Sachen, een tijdschrift dat volgens de verklaring der redactie een ander doel beoogt dan de andere organen. Te recht - aldus het voorbericht van het eerste nu voltooide deel - heeft men zich langen tijd vooral beperkt tot de studie der taalvormen; maar zal de etymologische studie soliede zijn, dan is een nauwkeurige kennis noodig van de zaken wier namen men bestudeert: ‘dass man trotzdem nicht schon längst für alle Etymologie überhaupt das Herbeiziehen der Geschichte der Sachen verlangt hat, ist in dem fast ausschliesslichen Interesse begründet, das die letzten Dezennien den “Lautgesetzen” zuwandten.’ Zal men ook deze waarschuwing in Nederland ter harte nemen, in het besef dat door de redactie van Wörter und Sachen een nieuw tijdperk der etymologische studie wordt aangekondigd? Zonder twijfel is het goed ontvankelijk te zijn voor alles wat navolging verdient; maar het is toch zeker vergund bij zich zelf te overwegen in hoeverre men een gegeven aansporing noodig heeft.

De titel Wörter und Sachen is ontleend aan de artikelen die een van de redacteurs, Prof. Meringer, sinds 1904 in de Indogermanische Forschungen onder dien zelfden titel heeft uitgegeven; en menigeen zal onwillekeurig gelooven dat Prof. Meringer als de oprichter van het tijdschrift moet beschouwd worden, thans in de redactie bijgestaan door de heeren Meyer-Lübke, Mikkola, Much en Murko. De denkbeelden van Prof. Meringer hebben een zekere overeenkomst met die van een ander geleerde uit Graz, Prof. Schuchardt, zooals ook door Meringer zelf wordt opgemerkt (zie Idg. Forsch. 16, 102). Beiden hebben zich met etymologische studiën beziggehouden; beiden hebben opgemerkt dat men alleen met de toepassing van ‘Lautgesetze’ niet ver komt; de een heeft zijn methode toegepast op allerlei vraagstukken in oudere vormen van Indogermaansche talen, de ander is vooral Romanist. De juistheid van hun beginsel is voor ieder evident,

[p. 173]

en Schuchardt heeft dan ook (in 1899) op zeer eenvoudige wijze dit gezegd: ‘Dass bei etymologischen Forschungen die Bedeutungen der Wörter aufs Sorgfältigste berücksichtigt werden müssen, das ist etwas so Selbstverständliches dass man sich kaum getraut es auszusprechen.’

Maar die eenvoudige waarheid is niet altijd goed in het oog gehouden, en ‘par la force des choses’ is er het meest tegen gezondigd door hen die woorden uit oudere perioden bestudeerden, vormen wier juiste beteekenis dikwijls zeer onvolledig bekend was, en waarvan de oudere geschiedenis alleen kon worden gegist door vergelijkende studie van vormen in andere talen, waarmede men evenmin goed bekend kon wezen. Hoe dikwijls zullen de Indogermanisten verband hebben gezocht tusschen woorden uit verschillende talen, wanneer dat verband op grond van klankwetten min of meer te verdedigen was, en zich dan van de geschiedenis der beteekenissen een voorstelling hebben gemaakt die door geen historische gegevens was te weerleggen of te bevestigen, zoodat men allicht genoegen nam met wat niet al te dwaas klonk. Doch - zegt Schuchardt - ‘wir können in dem Bereiche der geschichtlichen Perioden nicht ungestraft solche Sprünge ausführen wie in dem der Vorgeschichte’. Hoe jonger de periode is waarin de etymoloog met zijn onderzoek bezig is, des te meer gevoelt hij zich verplicht de door hem ontworpen geschiedenis der vormen te staven met een nauwkeurig inzicht in den loop van zaken.

En dus - om een zeer nederig voorbeeld te nemen - wil iemand een zoo jong woord als spijkerbalsem verklaren, dan kan hij niet volstaan met de gissing, dat die balsem wel zal genoemd zijn naar iemand die Spijker heette. Hier vergt men een rechtstreeksch bewijs, omdat men daarmede niets onredelijks verlangt: uit den tijd waarin zulk een woord is ontstaan, kan een afdoend getuigenis over zijn, en men is verplicht daarnaar te zoeken. Dat begreep Prof. de Vries, toen hij in 1870 het woord ophelderde. Niet ten onrechte zegt Schuchardt dan ook, dat wat hij noodig acht slechts iets is dat van zelf spreekt. Evenals ons woord spijkerbalsem heeft men ook fr. gilet van een persoonsnaam willen afleiden: dat kleedingstuk zou gedragen zijn door een soort van Pierrot die Gille heette. Schuchardt, die fr. gilet, ital. giulecco, sp. gileco, jaleco liever zou willen afleiden van turksch jelek, dat hetzelfde beteekent, heeft zich de grootste moeite getroost om te weten te komen, of Gille inderdaad als personnage op het tooneel heeft bestaan. Dat onderzoek heeft zijn twijfel aan de gewone verklaring zoogoed als gewettigd, en hem dus te recht zeer versterkt in zijn geloof aan een afkomst uit het Turksch, waardoor zoowel de vorm als de beteekenis van gilet wordt verklaard.

[p. 174]

‘Wörter und Sachen!’ - inderdaad, die les moet niet worden vergeten. Het woord gas is, zooals men overal kan lezen, gemaakt door den Zuidnederlander van Helmont, die in de 16de eeuw leefde. Bij vele schrijvers vindt men dan de toelichting, dat gas niet geheel en al ex nihilo is geschapen, maar ‘paraît avoir été modelé sur le flamand geest’, zooals Nyrop het uitdrukt in het derde deel van zijn Grammaire Historique (ao 1908). Die verklaring werd reeds gegeven door Adelung. Nu heeft Prof. de Vries in 1859 met citaten uit van Helmont zelf aangetoond, dat deze den term gas heeft beschouwd als het begrip chaos uitdrukkende. Met zijn voorzichtig en gezond verstand wilde de Vries niet beproeven den gedachtengang van van Helmont daarbij geheel na te gaan; van die afleiding zegt hij: ‘genoeg dat zij een feit is, door Van Helmont zelven getuigd.’ Het is van een taalgeleerde ook inderdaad niet te vergen, dat hij in de half-middeleeuwsche, half-moderne natuurwetenschap van den medicus van Helmont thuis zal wezen. Hoeveel geleerdheid van een geheel andere soort daartoe noodig is, kan men zien uit het werk dat Dr. F. Strunz in 1907 over van Helmont heeft geschreven. Daaruit blijkt o.a., dat men dit chaos-gas niet kan begrijpen zonder den voorganger van van Helmont, Paracelsus, te bestudeeren. Men is hier in een wereld waar het ‘gezond verstand’ van een modern etymoloog niets kan uitrichten, maar dat bewijst zeker niets tegen van van Helmont, van wien de geleerde schrijver getuigt: ‘Wenige wie er haben damals den Kräften in der grossen Natur wie auch im Menschen ein so tiefgehendes Interesse entgegengebracht, und dabei intime Detailforschung und einen sicheren Blick aufs Ganze verraten.’

Dat alles kon de Vries niet beoordeelen, maar hij is juist zoo ver gegaan als een taalkundige gaan moet. Het komt er op aan van de ‘Sachen’ zooveel te weten als men voor de ‘Wörter’ noodig heeft, tenzij men aanspraak maakt op wetenschappelijke kennis in nog andere vakken, en de geschiedenis daarvan in het licht wil stellen. Maar wanneer er formeele moeilijkheden overblijven, wanneer het geweten van den etymoloog wordt gekweld door een enkelen weerspannigen medeklinker die hem aan de juistheid van zijn afleiding doet twijfelen, wat geven hem dan al die met moeite verzamelde wetenswaardigheden omtrent de ‘Sachen’? Dan kan hij zuchtend met de woorden van Horatius zeggen:

Quorsum pertinuit stipare Platona Menandro? Eupolin, Archilochum, comites educere tantos?

Ik geloof inderdaad, dat wij in Nederland uitnemende meesters in het etymologisch onderzoek hebben gehad, en dat wij voor de methode

[p. 175]

daarvan minder van de Duitschers behoeven te leeren dan voor andere onderdeelen van onze wetenschap. Hebben wij zelf het niet ver gebracht, dan is het niet door gebrek aan leiding in ons eigen vaderland. Of is b.v. naast de Vries niet ook Dozy iemand wiens methode nog altijd tot een voorbeeld moet worden gesteld? Heeft ook hij niet het juiste gevoel gehad voor ‘Wörter und Sachen’? In het Spaansch bestaat een adjectief baladí, dat beteekent: van weinig waarde, inferieur. Formeel beantwoordt dit geheel aan arab. baladí (van balad, landstreek), inheemsch. Vroegere etymologen hadden gedacht aan het grondwoord balad in den zin van stad, en hadden daardoor eenigszins zonderlinge gissingen over sp. baladí ontworpen. Dozy begreep, dat zijn betoog moest laten zien, in welke gevallen het woord voor inheemsch de beteekenis inferieur had gekregen, en zijn uitgebreide lectuur gaf hem daarvan een duidelijk voorbeeld in de verschillende soorten van gember of wat voor gember werd verkocht: gengibre valadí was eigenlijk: de inheemsche soort van gember, van minder waarde dan de echte, de Indische: ‘et c'est justement le nom de cette plante qui explique pourquoi l'adjectif baladí signifie en espagnol de mince valeur’.

Doch het nieuwe tijdschrift wil meer dan wat vanouds etymologie heette. ‘Mit vielen Anderen - zegt de redactie - sind wir überzeugt, dass Sprachwissenschaft nur ein Teil der Kulturwissenschaft ist.’ Die laatste uitspraak wordt zelfs met een grooter letter gedrukt. De redactie wil hier den klemtoon laten vallen op Kulturwissenschaft; maar men moet ook letten op het woord Teil. Het artikel Genie beslaat in het Duitsche woordenboek meer dan 50 kolommen; een zoo gewichtig ‘Kulturwort’ verdient stellig een uitvoerige behandeling, maar niet uit het oogpunt van den linguist; of kan deze, wanneer hij het woord geschut heeft te bestudeeren, eerst dan tevreden zijn, wanneer hij de geschiedenis der artillerie tot in bijzonderheden heeft leeren kennen, iets wat voor iemand van zijn opleiding onmogelijk is?

‘Wir glauben - zoo gaat de redactie voort - dass in der Vereinigung von Sprachwissenschaft und Sachwissenschaft die Zukunft der Kulturgeschichte liegt.’ Onwillekeurig vraag ik: hoe komt men tot zulk een eigenaardige formuleering? Immers, de ‘Kulturwissenschaft’ zal in de toekomst hetzelfde willen als wat zij nu wil: een zoo nauwkeurig mogelijke kennis verkrijgen van alles wat men tot de ‘Kultur’ gelieft te rekenen. En zij zal daartoe alle middelen gebruiken die haar ten dienste staan; wanneer het noodig is ook de taalwetenschap. Ja, de kennis der talen is een van hare objecten, de taal zelf is een van de ‘Sachen’ die zij bestudeert. Mij dunkt, de

[p. 176]

redactie had zich duidelijker uitgedrukt wanneer zij eenvoudig gezegd had, dat zij zich de beoefening der Indogermaansche ‘Kulturgeschichte’ ten doel stelt voorzoover de taalwetenschap daarbij van dienst of gebaat kan zijn. Ik denk b.v. niet, dat zij ooit artikelen zal opnemen over de begrippen kracht en oorzaak, van hoeveel belang deze ook zijn in de geschiedenis van het menschelijk denken. De inhoud van dit verschenen eerste deel is anders. Het bevat artikelen van welbekende geleerden over taalkunde, ethnographie, volksgebruiken, archaeologie, mythologie; en misschien is er eenige goede wil noodig om in dit geheel een soort van eenheid te ontdekken. Maar ook al hadden die artikelen in verschillende andere tijdschriften hunne plaats kunnen vinden, het vermindert hunne waarde niet dat zij hier in een keurige, geïllustreerde quarto-uitgave bij elkaar zijn gedrukt. De stukken van geleerden als Meringer, Meyer-Lübke, Much, Janko, Strzygowski, zal geen deskundige hier overslaan, terwijl hij ze overal elders zeker zou hebben geraadpleegd. Maar dat het devies ‘Wörter und Sachen’ een nieuw beginsel zou aanduiden - en het voorbericht doet toch aan zoo iets denken - dit kan ik moeilijk gelooven.

En toch moet men erkennen dat Prof. Meringer wel iets zeer eigenaardigs wil. Door een vergelijkende studie van wat uit vroeger en later tijd bekend is omtrent maatschappelijke gebruiken, wil hij conclusies trekken aangaande voorhistorische instellingen en dit onderzoek brengt hij in nauw verband met de vergelijkende studie der talen: ‘Wie wir sprachliche urformen erschliessen, so müssen wir urformen der sachen... erschliessen. Das wird nur auf dem wege der vergleichung, namentlich durch herbeiziehen eines grossen ethnographischen materials möglich sein und desshalb habe ich... gewünscht, dass neben der vergleichenden sprachwissenschaft eine vergleichende sachwissenschaft entsteht’ (Zeitschr. f. vergl. Sprachf. 40, 218). De taalgeleerden hebben b.v. een zekere gelijkenis opgemerkt tusschen verschillende vormen van de woorden brug en (wenk)brauw, en hebben dus gedacht aan een formeele verwantschap, waarbij dan ook die twee begrippen met elkaar in verband zouden moeten staan. Nu heeft Meringer opgemerkt, dat nog thans in moerassige streken dwarshouten naast elkaar op den grond worden gelegd, ongeveer als de dwarsleggers van een spoorweg, en zulk een ‘Prügelweg’ heeft volgens hem de term brug oorspronkelijk aangeduid. Nu is het ook duidelijk, hoe brug en (wenk)brauw verwant kunnen zijn: ‘Das tertium comparationis zwischen braue und brücke ist... die parallele Anordnung der Teile: wie bei der Braue Härchen neben Härchen liegt, so bei

[p. 177]

dem Prügelweg Stange neben Stange’ (Wörter u. Sachen 1, 187).

Ziedaar een duidelijk voorbeeld van de methode waardoor hij aan de Indogermanistiek een nieuwen vorm hoopt te geven: de etymologische wetenschap was tot dusverre niet realistisch genoeg, de geleerden in hunne kamers reconstrueerden met behulp van hunne wortels en suffixen een Indogermaansche wereld, zonder dat zij eenig begrip hadden van wat in het practische leven werkelijk gebeurt. Al moet men nu ook voor den onvermoeiden arbeid van Meringer eerbied hebben, toch zal men ook in zijn methode wel eenig gevaar zien. Geen enkel geleerde - ook niet een van de oude school - wil een phantast zijn; doch daardoor alleen is hij nog geen realist, en het sterke verlangen naar realiteit kan soms juist de phantasie gaande maken. Zal ieder deskundige thans bij voorkeur gelooven, dat een wenkbrauw zóó heet doordat de voorhistorische Indogermanen daarin evenwijdig loopende haartjes zagen? Bij menigeen zal dat geloof niet zeer vast kunnen zijn. Vanzelf vraagt men: waarom past Meringer zijn realistische manier van onderzoek niet liever toe op vraagstukken uit latere, zuiver historische perioden? Dan zou hij meer kans hebben anderen te overtuigen.

Doch ieder moet vrij blijven, en Meringer voelt zich nu juist bekoord door deze problemen, wier oplossing - indien zij juist is - ons in een veel verder verleden doet doordringen. Maar wanneer zal zijn betoog het krachtigst zijn? Ik geloof dan, wanneer de formeele gegevens der taal hem het meest helpen. Hij heeft veel moeite gedaan om te bewijzen, dat wand zóó in verband staat met winden, dat het eigenlijk een gevlochten afscheiding beteekent. Hij heeft die verklaring eerst afgeleid ‘aus der Technik des Flechtwerkhauses’ (zie Idg. Forsch. 16, 172), maar dat betoog maakte niet genoeg indruk, zooals hij zelf zegt. Later zag hij ergens in Bosnië een primitieven schapenstal, ‘aus Korbgeflecht hergestellt’. Veel later zag hij uit het Duitsche woordenboek, dat reeds Fr. Junius in de 17de eeuw die zelfde verklaring van wand had gegeven, en wel met een beroep op teksten van Seneca en Jornandes, waarin gezegd wordt dat onbeschaafde volken hutten vlechten van rijs. Doch Meringer kreeg ook andere gegevens. Hij dacht b.v. aan russ. plotnik, timmerman, dat zonder twijfel behoort bij plesti, vlechten; dat was een gelukkig gevonden analogie. Ten slotte wees een van zijn vrienden hem op een Ags. tekst, waarin voorkomt windan wāh, en die uitdrukking, waarin het met wand synonieme Ags. woord als object staat bij windan, gaf hem zijn sterkste argument: ‘trotzdem - zoo erkent hij zelf - hat erst die ags. Wendung wāh windan... die Entscheidung herbeigeführt’

[p. 178]

(W.u.S. 1, 207). Maar is dit dan niet geheel in den trant van de gewone ouderwetsche etymologen?

Moge Prof. Meringer dikwijls het geluk hebben de waarheid te vinden. Dat is het voornaamste, en dan doet het er weinig toe of men in zijn methode al dan niet iets nieuws wil zien. Laten ook de Nederlanders zijn werk bestudeeren, ook al kunnen zij het niet beschouwen als een evangelie.

A. Kluyver.

prepostterug  begin  verder