terug  begin  verderprepost
[p. 156]

Uit de tijdschriften.
(Maart - April).

De Gids. Maart.

H.T. Colenbrander herdenkt in een paar mooie bladzijden Reinier Cornelis Bakhuizen van den Brink (geb. 1810): ‘Hij heeft lief gehad met hartstocht, zichzelf in liefde verreind, zijn land in liefde verheerlijkt. Een man weer, na schimmendrommen. Met Potgieter, maar hoe ongelijk aan hem, hoeveel ruiger en struischer, staat hij daar nog in ons gezicht, poortwachter van den nieuwen op-gang.’ - J.A.N. Knuttel bestrijdt in een artikel Rederijkers Eerherstel de vooroordelen die nog altijd tegen de rederijkerskunst bestaan. Na ‘een theoretische beschouwing van de kunstidee der rederijkers’, waarin de gildenverhoudingen als oekonomiese ondergrond ter verklaring worden gekenschetst, bespreekt de schr. de verdiensten van het rederijkersvers, van de rijmen en de bastaardwoorden als artistieke middelen. Daarna volgt, als hun hoogste kunstuiting, het Spel van Zinne, met zijn gepersonifieerde abstrakties. Een aardig toneeltje uit een landjuweel-zinnespel van 1561 bewijst dat de veroordeling van deze allegoriese kunst als zodanig, onhoudbaar is. Ook de spelen van Cornelis Everaert verdienen hernieuwde aandacht. Maar in 't biezonder wijst de schrijver op een dichter, die tot nu toe niet op zijn waarde geschat is, nl. Colijn von Rijssele, de auteur van de Handel der Amoureusheyt en de Spiegel der Minne. Het is niet mogelik, Bredero hoog te stellen, en Colijn te verwerpen; in veel opzichten is hij Bredero's voorloper. In treffende aanhalingen, kleurig van taal, en elegant of realisties van voorstelling, laat de schr. het talent van deze rederijkers uitkomen.

April. J.J. Hof schrijft over Mr. P.J. Troelstra als Friesch dichter: de laatste bundel, Rispinge, kan z.i. de vergelijking niet doorstaan met de onder alle Friezen zo populaire verzen uit de eerste periode. - Frans Erens bespreekt en prijst Een nieuwe Imitatievertaling, nl. van Is. van Dijk, in een opstel met mooie opmerkingen over vertaalkunst - de schrijver gaf zelf een ritmiese Imitatievertaling - en over Thomas a Kempis, voor hem meer asceet dan mysticus. - Carel Scharten breekt het jongste werk van Kloos, over de acht-

[p. 157]

tiende eeuw, af, en stelt er zijn eigen beschouwing tegenover. De criticus ziet in deze studie nòch een ‘daad’, nòch ‘rechtvaardigheid’, en mist in de waardering van Kloos alle vastheid. De winst die dit boek oplevert ‘bestaat z.i. in de hernieuwde aandacht, gevraagd voor Schermer, Zeeus en De Lannoy.’

De Beweging. Maart.

In een artikel De Kunst om de Kunst, vertaald uit het Frans van Fr. Paulhan (in de Revue des Idées, Nov. 1909) wordt deze bekende leuze ontleed, die volgens sommigen ‘ontbloot van zin’ is, maar waarvan de schrijver de diepere betekenis als ‘kunstenaars-theorie’ aantoont.

April. C.G.N. de Vooys doet een poging om de onberedeneerde weerzin van De letterkundigen tegenover de Vereenvoudigde Spelling te ontleden, en de aangevoerde argumenten te weerleggen. Hij onderscheidt twee ongelijksoortige bezwaren: 1o de spellingswijziging in engere zin, het veranderen van de traditionele woordbeelden zou een vergrijp aan de taal zijn; 2o het ‘verwerpen’ van het onderscheid tussen taalkundig mannelik en vrouwelik geslacht, de ‘afschaffing’ van de buiging, zou een vooruitlopen op de taalevolutie zijn, een neerhalen van de ‘schrijftaal’, de taal van de litteratuur. Uit de taal van tegenwoordige auteurs toont hij aan dat ‘de taal van onze letterkunde een zeer groot deel van de “schrijftaal”-buiging uit een vorige periode prijsgegeven heeft.’ De voorstanders van de vereenvoudigde spelling willen intussen die evolutie volstrekt niet gewelddadig verhaasten, door de kunstenaars nieuwe ‘regels’ op te dringen. - Albert Verwey voegt hieraan toe Een woord in zake spelling-wijziging. Tegen zuivere spellingwijziging heeft hij geen bezwaren. Maar hij meent dat er voor de schrijver een geslachtsgevoel is - zich uitend in de voornaamwoordelike aanduiding - dat ‘meer is dan een taalkundig onderscheid.’ Daarom acht hij het wenselik dat schrijvers en taalkundigen zich op dit punt ‘uit eigen beweging niet elkaar verstaan.’ In de rubriek Boeken, Menschen en Stroomingen schrijft Verwey over Oude en Nieuwe idee in de geschiedenis van onze letteren, naar aanleiding van de Letterkundige Studieën van C.G.N. de Vooys.

De Nieuwe Gids. Maart.

W. Kloos spreekt in de Literaire Kroniek waarderend over de jongste bundel (Adrastos) van Edw. B. Koster.

April. W. Kloos polemiseert onder het opschrift Over ethica in de kunst tegen Van Eeden, die in een Antwerpse lezing gesproken had over het gemis van het ethiese element bij de moderne kunste-

[p. 158]

naars. - A. Aletrino beoordeelt zeer waarderend Robbers' roman Eén voor één.

Onze Eeuw. Maart.

P.D. Chantepie de la Saussaye schrijft over Jacob van Lennep, naar aanleiding van de onlangs verschenen biografie. Hij karakteriseert eerst beknopt ‘De Mensch’ als een ‘patriciër van den echten stempel’, beminnelijk om zijn luim - die hij niet altijd in toom hield - zijn nederigheid en zijn werkkracht. Over de keerzijde, zijn ‘losheid van zeden’, had de biograaf niet mogen zwijgen. De vlugheid leidde tot oppervlakkigheid: ‘De natuur zulker vlugge geesten brengt mee dat zij als vanzelf weerklank geven op alle indrukken, en dat die weerklank dus niet uit de diepte komt; het vreemde heeft in het eigen wezen te kort verwijld om er een nieuwe gestalte aan te nemen, het is niet verwerkt, in den geest herboren.’ Een volgend hoofdstukje handelt over de ‘Richting’, nl. over de voorbijgaande invloed van Da Costa op Van Lennep. De schr. zoekt de schuld ten dele bij Da Costa: ‘zijn greep was wel machtig, maar hield niet op den duur vast.’ Maar ook: ‘Van Lennep is weer aan den buitenkant gebleven, ook met zijn gevoel.’ ‘Noch zijn ingang in, noch zijn uitgang uit die warmer geloofssfeer schijnt hem geestelijken strijd gekost te hebben.’

Van Lennep was ‘een wereldling die in zijn opvatting van recht en staat Bilderdijk blijft volgen. Geen braaf liberaal, maar wel een nuchter Nederlander, wien de diepere levenssferen onbekend bleven.’ Het artikel besluit met een hoofdstukje over ‘Romantiek’ waarin aangetoond wordt dat Van Lennep in de Europese betekenis van het woord eigenlik geen ‘romantisch’ dichter genoemd kan worden. Dat geldt ook voor zijn tijdgenoten: ‘Wat men ten onzent er voor houdt heeft maar een flauwe gelijkenis met die grote beweging.’

Met Beets vertrouwt de schr. dat Van Lennep niet vergeten zal worden, al heeft hij geen grote kunst voortgebracht.

S.P. l'Honoré Naber behandelt Nog eens de Nederlandsche bron van den Robinson Crusoe (vgl. De N. Taalg. III, 315), om aan te tonen dat Smeeks in zijn Krinke Kermes historiese feiten verwerkte o.a. uit een Nederlandse reis naar Zuidland (Australië) door Willem de Vlamingh en uit een dagverhaal van stuurman Leeman.

Groot-Nederland. Maart.

H. Logeman tracht in zijn studie Biologie en de studie van taal en letteren te ‘onderzoeken welk nut de taalstudie trekken kan uit de beroemde Mutatieteorie van Hugo de Vries.’ Eerst wijst hij op de ‘taalopvattingen in de tijd van

[p. 159]

Darwin’, toen men in de wortel-woorden de elementen van de taal, ‘la cellule linguistique simple’ meende gevonden hebben. Daartegenover staat de waarneming dat taalontwikkeling juist van het samengestelde naar het eenvoudige gevoerd heeft (Jespersen). Merkwaardig is ‘de jongste Darwinistiese teorie over de Genesis der Taal’, en de rede van de Amerikaan Newton Scott (1907), die het ontstaan zoekt in de onregelmatigheden in de uitademing. Deze opvatting is niet onverenigbaar met die van Wundt. Scott verwaarloost opzettelik de teorie van De Vries. Deze ‘biologiese teorie’ en de daarbij gebruikte termen worden door de schr. uitvoerig beschreven en toegelicht.

April. In de voortzetting van deze studie wijst de schr. er op, hoe de Amerikanen Manly en Hoskins ‘een letterkundige mutatie-teorie’ verkondigden. Hij onderwerpt deze aan een scherpe kritiek, en komt tot de slotsom dat het parallelisme niet opgaat. Voor de zogenaamde ‘sprong’ is in de letterkunde een oorzaak: de persoònlikheid van de schrijver. Bovendien mag ‘het sosiale element’ niet verwaarloosd worden. Ten slotte bespreekt hij ‘een taalkundige mutatieteorie’ van de bekende Deen Jespersen. Ook daarmee kan hij zich niet verenigen: ‘sprongen in de zin van oorzaakloze veranderingen, werkelik spontane veranderingen bestaan niet’ in de taal. Wat Jespersen daarvoor houdt, beschouwt hij als ‘willekeurige taalontwikkeling,’ die bij later onderzoek oorzaakloos schijnt.

Elseviers Maandschrift. April.

H. Robbers beoordeelt enige letterkunde-handleidingen voor school en studie, in 't biezonder Casimir's Lessen in Letterkunde; waarin hij de beste moderne schrijvers mist. Hij schrijft dit toe aan de eenzijdige voorliefde van de schrijver ‘voor romantische en ideeën-litteratuur’. Erger vindt hij de bijna totale verwaarlozing van de moderne letterkunde in Elgersma's Lezen en verwerken. Poelhekke's Woordenkunst wordt geprezen om het juiste artistieke begrip.

Van onzen tijd. Nummer VI.

J.F.M. Sterck haalt nog enige Vondelingen voor den dag, d.w.z. notariële akten die op Vondel's naaste familie betrekking hebben.

Dietsche Warande en Belfort. Maart.

J. van Mierlo betoogt in een artikel Het Leven van Jan van Ruysbroeck door Pomerius en Surius - ter verbetering en aanvulling van De Vreese's belangrijke studie in de Biographie nationale - dat het werk van Pomerius een zeer zuivere bron blijft voor ‘onze kennis van den grooten mysticus.’

[p. 160]

terwijl in de levensschets van Surius alleen “het werk van Pomerius wat gewijzigd en verknoeid is.”

Museum. Maart.

J.W. Muller beoordeelt uitvoerig en grondig de tekstuitgave Middelnederlandsche Dramatische Poëzie door P. Leendertz Jr, een aanzienlik vermeerderde en verbeterde uitgave van Moltzer's editie. In de grotendeels nieuwe Inleiding wijst de criticus op enige leemten. De tekstbehandeling onderscheidt zich z.i. door te grote eerbied voor de traditie.

April. C.H.Ph. Meyer bespreekt het tweede deel van Te Winkel's Ontwikkelingsgang der Nederlandsche Letterkunde.

Tijdschrift voor Ned. Taal- en Letterkunde XIX, afl. 1.

A.J. Luyt betoogt dat het spel van Tijsken van der Scilden stellig door Coster geschreven is. Hij voert daardoor inwendige bewijzen aan, door de taal en de samenstelling van het stuk nauwkeurig te vergelijken met het overige werk van Coster. - J.P.B. Josselin de Jong publiceert een uitvoerige studie over De oorsprong van het grammatisch geslacht. Hij keert terug tot de theorie van Grimm waarop ‘moderne taalonderzoekers tamelijk hooghartig plegen neer te zien.’ Volgens hem ‘had Grimm in hoofdzaak gelijk: het grammatisch geslacht is naar alle waarschijnlijkheid inderdaad direct terug te brengen tot de natuurlijke sexe-onderscheiding.’

Leuvensche Bijdragen IX. Afl. 1.

L. Grootaers besluit zijn ‘phonetisch-historische studie’ over Het Dialect van Tongeren. Aan het einde geeft hij dezelfde tekst in het Tongers, die vroeger door Colinet in het Aalsters, en door Goemans in het Leuvens werd meegedeeld. - E. Soens bestudeerde de refereinen van Anna Bijns, haar schrijftrant, woorden en uitdrukkingen, haar gewone themata, om daaruit ‘critische regels’ te halen, waaraan de naamloze refereinen getoetst kunnen worden. Hij stelt er een zestal op, en schrijft op grond daarvan een groot aantal refereinen - o.i. wat te lichtvaardig - aan deze dichteres toe. Na enige notities over Anna Bijns' leven besluit het artikel met een Alphabetische tafel der refereinen.

C.d.V.

prepostterug  begin  verder