terug  begin  verderprepost
[p. 140]

Boekbeoordelingen.

Middelnederlandsche Spraakkunst, Syntaxis 2e Druk door Dr. F.A. Stoett ('s Gravenhage - Martinus Nijhoff - 1909) (Pr. ƒ 5.-).

Dat van de Mnl. Synt. een tweede druk nodig was, is voor de beoefenaars van onze taal een verblijdend feit. En wie dit werk met de eerste druk vergelijkt, zal zich verheugen over de belangrijke verbeteringen en de Schrijver dankbaar zijn voor de vele moeite, die hij zich heeft getroost om de vooruitgang op dit veld van wetenschap, dat toen het werk voor 't eerst verscheen, nog nauweliks ontgonnen was, bij te houden en de resultaten te verzamelen in een boek. De lange lijst van geraadpleegde werken is een duidelik bewijs, hoe veel er in de twintig jaren verlopen sedert de eerste druk verscheen, op dit gebied gedaan is.

Wie het boek aandachtig nagaat, zal echter spoedig overtuigd zijn, dat we ons nog niet voldaan bij dit werk kunnen neerleggen en de Schrijver zal stellig de eerste zijn om te erkennen, dat er nog veel te doen over is. Door de volgende opmerkingen, die ik bij de lectuur en het gebruik er van maakte, hoop ik er iets toe bij te dragen, dat de volgende druk, die zeker niet weer twintig jaar zal uitblijven, weer een veel verbeterde is.

Mijn bedenkingen betreffen in hoofdzaak de opzet en de inrichting van het boek. Evenals in de eerste druk worden alle voorbeelden gegeven zonder vermelding van herkomst. In de Voorrede zegt de Schr.: ‘Opgave van de werken, waaraan de verschillende voorbeelden zijn ontleend, met vermelding van bladzijde en versregel is voor hen, voor wie dit boek in de eerste plaats bestemd is, onnoodig. Voor verschijnselen, die op bijna iedere bladzijde onzer Mnl. geschriften voorkomen, is eene dergelijke opgave overbodig; voor meer bijzondere gevallen kan men het Mnl. Wb. en de vermelde literatuur raadplegen.’

Hiermee ben ik het niet eens; ik zou graag altijd de plaats van

[p. 141]

herkomst zien opgenoemd; men ziet dan onmiddellik in hoever de plaats bewijskracht heeft. Wie gedurende enige tijd de eerste druk heeft geraadpleegd, weet dat dit niet overbodig is. Ook in deze druk zijn wel eens vbl. opgenomen, waarvan de bewijskracht minstens twijfelachtig is1).

Maar er is meer. Dr. Stoett wil geven de Syntaxis van het Middelnederlands. Zou dit nù op dèze wijze mogelik zijn? In de eerste jaargang van dit Tijdschrift2) heeft de Heer De Vooys zijn bezwaren ontwikkeld tegen de studie van Van Halteren over het Pronomen in de 16e Eeuw. Wat voor de 16e Eeuw geldt, is in nog hogere mate het geval met de middelnederlandse dialecten.3) We hebben hier te doen met een tijdvak van drie eeuwen4), met taal uit verschillende streken5), uit zeer verschillende bronnen, zeer verschillende kringen en taalgebruik6). Zou de onderzoeker der Syntaxis b.v. niet in aanmerking moeten nemen, of iets voorkomt in een oorspronkelik stuk, dat natuurlik weer van heel verschillende aard kan zijn of in een vertaling uit het frans of het latijn7)? Om al deze redenen was het wenselik geweest, dat we hier ten minste konden zien, waar het citaat te vinden is; nog wenseliker, dat de bronnen groepsgewijze gesplitst en onderzocht waren. Bij Dr. Stoett is veelal zelfs geen verschil gemaakt tussen rijm en proza; wel wordt soms8) gezegd, dat iets uitsluitend of vooral in rijm voorkomt, maar in de meeste §§ staan voorbeelden in en buiten rijm door en naast elkaar. En toch is de andere weg al ingeslagen door Dr. vor

[p. 142]

der Hake in zijn aangehaald werk, door de Schr. ook gebruikt bij § 24 vlg. Dat Dr. S. het grote verschil tussen deze beide metodes niet ziet, blijkt uit de volgende §, waar V.d. H's onderzoek kort samengevat wordt. Bij Dr. S. lezen we: ‘Ook om standsverschil uit te drukken wordt afwisselend du en ghi gebruikt. Zoo spreken hooggeplaatsten gewoonlijk1) hun minderen aan met du; eveneens meestal1) de ouders hunne kinderen (niet in den Floris ende Blancefloer); deze laatste daarentegen de ouders met ghi. Opmerkelijk is het, dat afwezigen meermalen1) “gedudijnd” worden, tegenover wie men, wanneer men hun aanspreekt, ghi gebruikt. Floris en Blancefloer bijv. zeggen tot elkander ghi, doch over elkander, in zich zelf sprekende, gebruiken ze du. Zie verder Vor der Hake t.a. pl.’ d.i. bl. 226. Wie aan de hier gegeven regel het gebruik der aanspreekvormen in de Floris toetst, vindt herhaaldelik afwijkingen, maar op bl. 77 in hetzelfde boek lezen we V.d. H's samenvatting van het onderzoek naar 't gebruik van du en ghi in de Floris en dan wordt Diederic van Assenede recht gedaan over de keurigheid, waarmee hij de 2e personen gebruikt: ‘Floris' vader en diens echtgenoote zeggen ghi tot elkaar; de koning gebruikt het ook tot zijn zoon, doch in twee gevallen maakt hij een uitzondering; als zijn zoon nog een kleine jongen van vijf jaar is, is dudijnen gewettigd; en bij het afscheid van Floris, als er van den kant der ouders gevoeld wordt, dat dit een afscheid voor goed is, gebruikt de vader in dit teeder moment du (1420-35). Fijn gevoeld! Du zeggen tot haar zoon is het recht van Floris' moeder èn in de taal van moederlijke berisping (1234-75) èn in die van moederlijke teederheid (b.v. 1317). Ghi gebruiken Floris en Blancefloer tot elkaar, maar in hun afwezigheid van elkaar over elkander sprekend, is du het pronomen, dat ze gebruiken (b.v. 799 vlg., 1136 vlg.). Dit doen ze ook, als ze over zich zelf spreken (b.v. 2099

[p. 143]

vlg.). Met du worden de Nijt (762 vlg.) en de Dood (1178 vlg.) aangesproken. De barsche poortwachter van des amiraels paleis spreekt Floris, die voor het gebouw blijft stilstaan, onbeleefd met du aan (2668-2672) maar als hij verneemt, dat deze het gebouw zoo nauwkeurig opneemt, omdat hij met het plan rondloopt zelf een dergelijk te laten bouwen, “dan begeeft hi thant sine sere worde” en spreekt met ghi. “Keurig!”... Slechts drie onnauwkeurigheden, alle drie met zeer geringe verandering te herstellen (1458, 1564, 3484)’. Ook bij de vereiste beknoptheid zou toch wel een nauwkeurig weergeven van dit onderzoek mogelik zijn geweest.

Hoewel de Schr. Paul's Prinzipiën, dat dikwijls wordt aangehaald, en allerlei dialectstudiën heeft gebruikt, wordt toch ook het nieuwnederlands veelal als een eenheid, de voortzetting van het middelnederlands beschouwd. Waar de betere weg wordt ingeslagen, is het wel eens maar halverwege1) en deze halfheid komt in de terminologie uit2). Een ander gevolg er van is, dat de middeleeuwse taal bekeken wordt door de ogen van een 19e eeuws grammaticus3). Uitdrukkingen als: ‘evenals thans’,4), ‘in strijd met ons taalgebruik’5), ‘het verschil werd nog niet in acht genomen’6), ‘ver-

[p. 144]

warring van constructies’1) wijzen hier op. Eveneens: In zeer vele gevallen kan een pronomen worden verzwegen, waar dit in de tegenwoordige taal ‘niet geoorloofd zou zijn’2); een herinnering aan deze constructie bewaren wij nog3) en: comen, dat wegens zijne beteekenis uitsluitend perfectief moest zijn4).

De middelnederlandse taalstudie kan juist van zoveel belang zijn om de tegenwoordige taal te begrijpen, wanneer men niet voor middelen nieuw-nederlands één vorm aanneemt en het andere afwijkingen of fouten noemt. Een enkel vb.: In veel grammatika's wordt nog altijd afgekeurd: ten mijnen huize, ten mijnent, enz. In de Bekn. Middelned. Spr., Etymologie § 156 zegt Dr. Stoett ook nog: ‘De fout, die tegenwoordig dikwijls wordt gemaakt nl. in ten mijnen huize, ten mijnent bestond ook reeds in de middeleeuwen blijkens: ten sinen huse, ter uwer name.’ In deze Synt. lezen we § 93: ‘Geen lidw. van bepaaldheid schuilt in ten of ter, dat we thans nog aantreffen in ten mijnen huize, ten zijnen kantore, ter uwer verjaring en dergelijke. Het voorzetsel heeft hier onder invloed van het volgend woord de n aangenomen.’ Een parallel vinden we in § 277 opm. 1. Er is echter ook nog een andere verklaring mogelik nl., dat we hier te doen hebben met ‘schrijftaal’ vormen5). Ook op § 50 zou ik de schrijvers van nieuw-nederl. spraakkunsten wel opmerkzaam willen maken. We moeten vergelijken taal in dezelfde omstandigheden gesproken of geschreven uit dezelfde streek, want het taalgebruik is behoudend. Zo zouden allerlei belangrijke kwesties aan de orde kunnen worden gesteld; b.v. invloed van het frans in de hoofse taal der ridderromans, van het latijn in de kerkelike en misschien ook wel andere geschriften. Is er b.v. al een kanselarijtaal en in hoever heeft die invloed gehad?6). Het zou onbillijk zijn te eisen, dat ze in dit boek beantwoord worden; daarvoor is er nog te weinig voorarbeid verricht; maar we zouden wel wensen, dat ze tenminste gesteld en onder de ogen waren gezien7) en de eerste stap daartoe zou al weer zijn: bewijsplaatsen.

[p. 145]

Wanneer we b.v. voor de volgende vbl. uit § 71: ‘Ghi vrouwen, die in den spiegel gipen om die iogedelike liere. Ghi heren ende ghi wise vroede, die in steden sijn geset. Ay ghi diet sullen lesen. Ghy heren, die scepenen sijn. Wee ju lieden, die sijn gelike den grave. Ghy die hier sitten of staen’ oostelike herkomst mochten aannemen en ze verklaren als Van Helten, Mnl. Spr. § 212; ‘Wie machtu sijn, die mi dus spreket an’ beschouwen als in § 210a van dezelfde Spraakkunst (z.o. Stoett, Synt. § 202 opm.) en weglaten: Ic bin dijn dienstmaerte, die u so devotelijc hebbe ghedient, dat hier niet behoort, blijven er niet meer dan zes voorbeelden over, waarin zoals de Schr. zegt ‘men overeenkomst vindt tusschen het relativum en het gezegde’. Dit is onnauwkeurig uitgedrukt voor niet-overeenstemming in persoon van het relativum en zijn antecedent.1)

Erger is het, wanneer de weinige vbl., die gegeven worden, allen aan twijfel onderhevig zijn, omdat ze in het rijm voorkomen2), of we slechts één vb. vermeld vinden, zoals in § 141 opm. 2. Me dunkt, dat we hier ook wel met een fout van de (af)schrijver te doen kunnen hebben en in de Theophilus, waaraan dit voorbeeld zeker is ontleend, is het vele gebruik van ende opmerkelik. Ook de twee vbl., die volgen van eer in plaats van dan zouden op zich zelf niet voldoende zijn en hier had het Mnl. Wb. II, 557, waar tal van vbl. te vinden zijn, aangehaald moeten worden.

Zo zijn we telkens geneigd vragen te stellen, die we bij een andere inrichting van het boek hadden kunnen beantwoorden of tenminste de beantwoording nader brengen3). Nu wordt het belemmerd, doordat

[p. 146]

dikwijls verschillende verschijnsels naar schijnbare overeenkomst samengebracht worden of gelijksoortige gescheiden.

Dit is in hoge mate het geval in het Hoofdstuk over Ellips §§ 206-230. Al dadelik in de eerste der aangehaalde §§ worden allerlei vbl. gegeven, waarin iets ‘uitgelaten’ is, terwijl er toch van geen ellips sprake is. De Schr. zegt in de opm., dat de vbl.: Te Sente Baves, enz. ook een andere verklaring toelaten en in § 218: Van een eigenlijke ellips is hier geen sprake, daar in het Mnl. het pronomen in dit geval niet behoefde te worden uitgedrukt.

Maar waarom deze gevallen hier dan vermeld?

Slechts schijnbare overeenkomst hebben we ook in de gevallen, § 2091). Evenals in de eerstvermelde vbl. is een opvatting als samentrekking (één keer uitdrukken van hetzelfde woord) mogelik in: Daer mochte men horen mesbaren desen jaghen, den ghenen vlien ende met wapenen wonder ghescien (horen = vernemen Mnl. Wb. III, 592). Nu warie gerne met hem bleven ende hem gehouden (houden, intrans. = aanhangen, als hoofd erkennen, Mnl. Wb. III, 642, 4). Ook in: Hi es altoos den Saracinen onderdanich gheweest ende tribuut ghegheven, zou ik willen aanvullen: es. Zie ook § 365.

In andere vbl. hebben we eenvoudig bepalingen, die op een minder gewone plaats staan; So vele hers hebbic te waren, so rike van selvere ende van goude = hebbic, die so rike bem2) Evenzo: Want menich in meniger stede lach gekaerkert ende gevaen uten lande gegaen3).

Iets dergelijks vinden we in § 244, waar allerlei vbl. staan, waar de opvatting als praesens historicum zeker onjuist is. b.v.: Hine conste niet ghepeinsen wel hoe hi best ten coninc gaet, Doe gaf hi te kennene daer dat mer die eene zone es zine, Dat was een dinc, dat niene diet (iets dat niet helpt, baat, iets onnuttigs.) Van de andere

[p. 147]

vbl. zouden we graag weten, of ze in rijm voorkomen en in hoever dit invloed kan hebben gehad. Ik heb daarvan bij Maerlant1) veel vbl. aangetroffen en Dr. S. heeft in § 340 dezelfde gevallen aangenomen van niet-overeenstemming in 't gebruik der tijden van hoofden bijzin.

Zou er ook niet veel rijmdwang zijn in de vbl. uit § 247?

Had niet het laatste voorbeeld uit § 68 een afzonderlike bespreking nodig?

Is er werkelik een weglating van het onderwerp ‘het’ in: En rout mi niet here, dat gi mi mint dus sere en het volgende vb. uit § 36 of zouden we hier en ook moeten opvatten als een samentrekking van et en (zie § 230)?

Is: ‘Salich sy dy als u die menschen vermaledyen om my’ op zijn plaats in § 25 opm.? (zie v. Heltfn, Mnl. Sprk. § 218) en is: ‘Dat ic niet min des drover bem’ een voorbeeld van een dubbele comparatief (§ 139)?

Ook het omgekeerde: behandelen van analoge verschijnselen bij verschillende §§ of scheiden van gelijksoortige verschijnselen over enige §§ komt voor. Een gevolg daarvan is onnodig veel verwijzingen Zo hadden in het Derde Hoofdstuk, door de Schr.: Substantief en Adjectief getiteld vele verspreide opmerkingen uit andere §§ ondergebracht kunnen worden. Het behandelt immers eigenlik het gebruik van deze woordsoorten (zelfstandig en bijvoeglik) en ditzelfde komt telkens weer ter sprake. Hier was een geschikte gelegenheid geweest om het overgaan van de ene woordsoort in de andere aan de voorbeelden toe te lichten. Te meer was dit wenselik geweest, daar de Schr. nog door uitdrukkingen als: echte en onechte voorzetsels2) of door een beschouwing over de woorden op -like3), waarin ‘men geen bijv. nw., maar bijwoorden ziet,’ de oude woordsoortenindeling in de hand werkt. Hoe de Schr. het woord vele beschouwt, zal men niet kunnen opmaken uit de verschillende §§, waarin dit woord behandeld wordt4). Een uitvloeisel daarvan is ook zeker, dat de gevallen van pleonasme5) naar de woordsoorten verdeeld worden.

Ik ben nog niet aan het eind van mijn aantekeningen, maar heb de beschikbare ruimte zeker al lang overschreden en ik wil niet

[p. 148]

eindigen, voor ik de Heer Stoett dank heb gebracht voor zijn werk, dat hoe veel er ook nog in aan te vullen is, nu in een bepaalde behoefte voorziet. Dat er nog zooveel voorarbeid verricht moet worden, moge menig taalbeoefenaar opwekken de Syntaxis zowel van onze oudere als van de jongere taal tot een onderwerp van studie te nemen. Ze hebben in dit boek met de uitvoerige en voor zover ik heb kunnen nagaan nauwkeurige registers een werk, waarin de problemen te vinden zijn en de litteratuur aangegeven is en dat ieder die middelnederlands studeert, voortreffelike diensten kan bewijzen.

Rotterdam.

G. Engels.

Het Leven van Mr. Jacob van Lennep, door Jhr. dr. M.F. van Lennep (Amsterdam, P.N. van Kampen en Zoon - 1909; 2de druk: 1910).

Over Van Lennep is al heel wat geschreven en het heeft zijn voordeel, dat het meeste hiervan nu is verwerkt in één boek met een behoorlik register, dat de onderzoeker de weg kan wijzen in die uitgebreide literatuur. Bovendien is die literatuur er in verrijkt met een groot aantal bijdragen, afkomstig uit de in het familie-archief bewaarde korrespondentie. Ofschoon de schrijver, zoals begrijpelik is, met sympathie over zijn vereerde grootvader spreekt en het meer dan eens met warmte voor hem opneemt tegen onbillik schijnende beoordelaars b.v. tegen Busken Huet, maakt zijn boek de indruk van eerlik, waarheidlievend en onbevooroordeeld. Alle belangstellenden in onze geschiedenis kunnen hem dankbaar zijn voor dit met zorg samengestelde werk, waaraan veel en nauwgezette arbeid is besteed.

De waarde van het boek ligt, naar het mij voorkomt, vooral in de rijke verzameling dokumenten die het bevat. Telkens horen we Van Lennep zelf aan het woord, tenzij de beurt is aan een van de vele mannen van betekenis met wie hij in briefwisseling heeft gestaan. Ik noem hier slechts Da Costa, Tollens, Mevrouw Bosboom, Douwes Dekker, Beets, Geel en wijs b.v. op een paar brieven van G.v.d. Linde (vooral II 119) die vol zijn van dezelfde vermakelike onzin en dolle grappen die we kennen uit zijn gedichten. Een macht van kleine levensbiezonderheden, op zichzelf van minder belang, helpen het mogelik maken ons een heldere voorstelling te vormen van Van Lennep en zijne omgeving. Het is dan ook geen miskenning van de waarde die dit boek ongetwijfeld heeft, als hier ook wordt gezegd

[p. 149]

aan welke verwachtingen het niet beantwoordt. De talrijke gegevens voor een biografie zijn in een omstandig verhaal wel met elkaar in geregeld verband gebracht, maar een biografie uit één stuk, zoals men van Van Lennep zou wensen te bezitten, is het daarom nog niet geworden. Daarvoor is het m.i. te wijdlopig en te anekdoties, mist het te veel de grote lijnen en zijn de bijzaken te weinig aan de hoofdzaken ondergeschikt gemaakt. Ook ontbreekt daarvoor te veel de achtergond die een algemeen beeld zou moeten geven van de maatschappij waarin van Van Lennep opgroeide en leefde, horen we te weinig van de geestesstromingen van zijn tijd waarin toch ook hij werd opgenomen en waartussen hij zijn richting koos. Het boek dat voor ons ligt is minder het werk van een geschiedschrijver, dan van een geschiedvorser en compilator.

Als zodanig zal het echter op prijs worden gesteld door de beoefenaars van onze geschiedenis en niet alleen van onze literatuurgeschiedenis. Van Lennep heeft wel de meeste tijd van zijn biezonder werkzaam leven aan letterkundige arbeid besteed, maar hij heeft er zich nooit uitsluitend aan gewijd, ook wanneer men zijn eigenlike ambtsbezigheden buiten rekening laat. Dit getuigen zijn hoewel korte staatkundige loopbaan, zijn latere correspondentie met verschillende staatslieden, vooral zijn deelneming aan het openbaar leven te Amsterdam. Zo nemen de geschiedenis van zijn kamerlidmaatschap en die van het tot stand brengen van de Amsterdamse waterleiding een ruime plaats in. Uit kultuurhistories oogpunt is heel merkwaardig het uittreksel uit het dagboek van een reis, die Van Lennep met D. van Hogendorp (zoon van G.K.) in 1823 maakte. Zou dat journaal niet waard zijn in zijn geheel te worden uitgegeven? De indrukken die een paar ontwikkelde jongelui kregen van de toestanden in onze Noordelike provinciën, zouden, naar datgene te oordelen wat er hier van wordt meegedeeld, daartoe belangrijk genoeg zijn. Trouwens het hele boek is uit kultuurhistories oogpunt belangwekkend, de schets van het leven van een maatschappelik en intellektueel hoogstaande familie uit de eerste helft van de vorige eeuw is dat vanzelf. Brievenverzamelingen, zoals dit er voor een goed deel een is, hebben iets van de bekoring van een historiese roman; minder kunst weliswaar, maar meer waarheid. Men kan er enigszins op toepassen de woorden die Ter Gouw aan zijn vriend schreef om hem te beduiden waarom hij met historiese romans niet op had: ‘Een oude rekening, een oud keur, een oud charter in het schrift van den tijd, met verbleekte inkt en bemorst met het stof der eeuwen, is voor mij schilderachtiger dan de fraaist gekleurde roman. Dit is echte waar - de roman slechts namaaksel.

[p. 150]

Als ik met zulk een oude rekening enz. in de eenzaamheid zit, dan treden daaruit voor mij de mannen van voorheen levend te voorschijn; dan begint het te woelen en te krioelen om mij heen, en 't kan zo levendig worden, dat ik overluid begin te spreken en te roepen en opspring in mijn stoel.’ (II 255).

Wie verwacht veel nieuws te vernemen over het ontstaan van Van Lennep's grote gedichten en romans, zal wel teleurgesteld worden. Over de opzet van zijn werken en de wijze waarop ze zijn gegroeid tot wat ze zijn geworden, schijnt hij zich in zijn korrespondentie niet te hebben uitgelaten. Er zijn wel enkele trekken: hij noemt b.v. personen uit Klaasje Zevenster die naar bepaalde modellen zijn getekend, en de Van Lennep die Bouke in De Pleegzoon die onuitputtelike voorraad spreekwoorden in de mond legt, leren we al kennen uit de brief die hij als gymnasiast aan zijn weinig oudere tante schreef. Zijn historiese kennis put hij uit zijn enorme lektuur, niet uit archiefstudiën; om naar archieven en bibliotheken te lopen, daarvoor was hij ‘te hokvast en te lui’ schreef hij aan Ter Gouw. Wel ging hij zich persoonlik van de plaatselike gesteldheid op de hoogte stellen in Friesland, voor zijn Roos van Dekama, waarin trouwens ook herinneringen aan zijn bovenvermelde reis zijn verwerkt. Belangrijk zijn veel brieven die beoordelingen bevatten van zijn werk door zijn letterkundige vrienden. Daaronder treft een schrijven van Da Costa, die zijn ingenomenheid betuigt met Ferdinand Huyck, behalve op dit ene punt, dat aan personen in een roman, zij het dan ook zonder zweem van gebrek aan ernst, bijbelteksten in de mond worden gelegd; voor Da Costa was dit al profaneren.

Van Lennep's betrekkingen met Da Costa dateerden al van de akademie, en toen hij pas getrouwd was, raakte hij sterk onder diens invloed. Zo kwam hij er toe een uitvoerig gedicht van Louis Racine te vertalen en onder de titel De Genade, met een voorrede waarin nogal wat getheologiseerd werd, in het licht te geven (1827). Dit verwekte een hele beweging tegen hem, velen namen hem kwalik dat hij, op zo jeugdige leeftijd nog wel, zich in diepzinnige dogmatiese kwesties op een standpunt plaatste, en zijn vader keurde zijn volgen van Da Costa af als gevaarlike geestdrijverij. En hij zelf? Zijn houding was zo, dat het duidelik bleek dat hij ‘meer overreed dan overtuigd’ was geweest; hij had spijt van wat hij gedaan had; de omgang met Da Costa hield op, hoewel de vriendschappelike verhouding bleef bestaan, en zijn denkbeelden wijzigden zich tot opvattingen die meer met zijn eigenlike aard overeenkwamen. Da Costa zelf had hem al van te voren beter gekend dan hij zichzelf, als blijkt uit

[p. 151]

wat Van Lennep in een dagboek aantekende: ‘De voorrede mijner Genade, hoe schoon ook in zijne oogen, had hem toegeschenen al te hevig en te sterk te zijn voor iemand, wien hij geen bevindingen noch licht genoeg toeschreef om zoo iets te kunnen denken.’ Later schreef Da Costa hem op hartelike toon naar aanleiding van het verschijnen van Ferdinand Huyck; daaruit zijn deze treffende woorden: ‘Meen niet dat ik U gedwongen fijn, of orthodox, of iets dergelijks wensche. Maar dat moet ik vragen: hebt Gij, deze namen vliedende, gevonden hetgeen waarlijk en eeuwig waarheid blijft?’

Evenals deze correspondentie zal die met Douwes Dekker de aandacht trekken; hier zijn namelik een aantal brieven gepubliceerd die bij de uitgave van de Brieven van Multatuli niet in het Van Lennep-archief waren gevonden en die licht geven over het misverstand naar aanleiding van de uitgave van de Max Havelaar. Douwes Dekker wilde van zijn boek ‘een beroep op het volk’ maken, en daarvoor was een goedkope uitgave nodig; Van Lennep wilde, zoals men begrijpen kan in de patriciër die met demokratie weinig op had en alle demagogie verfoeide, hiertoe niet meewerken. Bovendien was het auteursrecht door tussenkomst van Van Lennep en in het belang van Dekker aan een uitgever verkocht en Dekker was te veel spontaan denkend mens en te weinig koopman om zich te kunnen schikken in de voor hem harde omstandigheid, dat hij over zijn eigen werk niets meer te zeggen had.

Hiermee zijn enkele zaken aangewezen die van deze levensbeschrijving een te waarderen bijdrage voor de literatuurgeschiedenis maken. Het boek bevat ook een bibliografie met vermelding van alle drukken en ook van al wat nog in hs. in het familie-archief berust.1) Wat hier is aangehaald zal hoop ik opwekken tot lezing; voor hen die hun kennis van literatuurgeschiedenis alleen uit handboeken hebben, lijkt mij het bestuderen van een werk als dit uiterst leerzaam. Ik heb gezegd waarom ik meen dat het als biografie geen superieur werk is te achten. Er zijn er, die zelf kunstwerk zijn geworden, en die gelezen worden niet alleen om de persoon in kwestie maar vooral ook om de biograaf. In zulke boeken echter wordt de lezer licht gesuggereerd om het leven van de betrokken persoon met de ogen

[p. 152]

van zijn levensbeschrijver te gaan zien; het boek over Van Lennep blijft lager bij de grond, maar geeft dan ook meer gelegenheid om zelf te oordelen.

Den Haag.

D.C. Tinbergen.

Ernst en Luim. Eene bloemlezing uit de werken van Pater Adrianus Poirters, bezorgd door J. Salsmans (Amsterdam - C.J.L. van Langenhuysen - 1909).

In dit royaal uitgegeven deel heeft de verzamelaar ‘het schoonste en bevalligste uitgesnipt, wat nu nog recht genietbaar is, en dit in een hedendaagsch pak gestoken.’ De bloemlezer had voornamelik Vlaamse lezers op het oog, bij wie Poirters altijd populair gebleven is. De eerste druk was dan ook ‘buitengewoon spoedig’ uitverkocht. Maar ook in het Noorden verdient deze keuze uit Poirters een plaats naast de Cats-bloemlezing van Hettema. Nu het vooroordeel tegen Cats geweken is, zal ook zijn Brabantse geestverwant meer open oren vinden. En dat verdient hij ten volle: die oude volkstaal, die oude volkswijsheid is nog zo fris. En de guitige Brabander, die zijn volksaard niet verlochent, heeft soms meer vat op de tegenwoordige lezer dan de ‘deftige’ Cats.

Het grootste deel van dit boek (blz. 1-126) is ontleend aan het hoofdwerk, Het Masker van de Wereldt afgetrocken; de rest (blz. 127-200) aan zeven latere werkjes. De keuze kan alleen iemand beoordelen die de hele Poirters kent, maar in elk geval is hier veel goeds en karakteristieks samengebracht. De reproduktie van de oorspronkelike plaatjes vermeerdert de waarde en de aantrekkelikheid van dit boek. Alleen hebben we een bezwaar tegen de wijze waarop Poirters in ‘een hedendaagsch pak gestoken’ is. Dat men in een volksuitgave de oude spelling laat varen, is begrijpelik. Maar bij vergelijking van een paar bladzijden bleek mij dat de verzamelaar met de taal wat al te vrij omspringt. Wij bedoelen niet de vervanging van een verouderd woord door een nieuw (b.v. simme door aap), hoewel elders oude woorden gehandhaafd blijven, en in een noot verklaard. Maar waartoe is het nodig, dat Poirters' volks-eigen taal, zozeer passend bij zijn volks-eigen kunst, naar onnatuurlike ‘schrijftaal’-regels verwrongen wordt? Waarom wordt ‘niemand niet’ verbannen en ‘verbeterd’? Waarom moet als na een komparatief dan worden?

[p. 153]

Waarom een imperatief enkelv. gaet veranderd in ga, het afhankelike daer in waer, hij wilt in hij wil, een in eene, u in uw, de acc. van het betr. vnw. die in dien, enz.? Zou het ‘volk’ daardoor die taal beter begrijpen? Mij dunkt dat Gezelle, door de schrijver als gezaghebbend aangehaald, daar anders over zou denken! Verder is herhaaldelik de zin omgezet, waardoor natuurlik het hele ritme anders, en vaak niet beter wordt. In 't biezonder geldt dat voor verzen. Zo heeft de voorrede Tot het Boeksken in mijn oude exemplaar (13de druk): ‘Want daer is over al soo menigh vies verstant.’ Daarvan maakt Salsman: ‘Want menig is er vies uit kieschheid van verstand,’ een ongemotiveerde verslechtering, omdat het enige woord dat moeielik zou kunnen zijn, nl. vies, er in blijft. Sommige uitlatingen zijn òf ongemotiveerd òf slordig. De weinige bladzijden die ik vergeleek zullen wel niet de enige voorbeelden opleveren1). Wie dus deze uitgave zou willen gebruiken om de taal van Poirters te leren kennen, dient op zijn hoede te zijn. De schrijver doet de welkome mededeling dat hij ‘binnenkort in de Leuvense tekstuitgaven het een en ander uit Poirters wetenschappelijk hoopt te behandelen.’ Misschien geeft hem dat aanleiding om bij een herdruk van de volksuitgave het quasi-wetenschappelike taal-‘zuiverings’-standpunt te verlaten.

C.d.V.

Een daad van eenvoudige Rechtvaardigheid. Studie's over onze 18e Eeuwsche Dichters met Bloemlezing uit hun Werken, door Willem Kloos. (Amsterdam - S.L. van Looy - 1909). (Prijs ƒ 1.90; geb. ƒ 2.40).

De achttiende-eeuwse letteren, zegt Kloos (blz. 52), zijn als een kast met oud porcelein-werk in een museum-van-oudheden. De nietkenner loopt er glimlachend langs. Maar met schoonheidsliefde bekeken, geven de vreemde aantrekkende bevalligheid der fijne kontoeren, de zachte kleuren een stil genot. De lezer, die nu door een bewonderende gids geleid hoopt te worden langs een verzameling letterkundig keur-porcelein, zal zich bitter teleurgesteld zien. Dit boek heeft alle

[p. 154]

gebreken van zijn voorganger.1) De causerie wordt voortgezet: alle bêtes noires worden als ouwe koeien niet eenmaal, maar herhaaldelik uit de sloot gehaald.2) En terwijl hij bladzijde aan bladzijde volpraat, klaagt hij telkens over gebrek aan ruimte (blz. 43, 91, 153), en stelt hij de eigenlike bloemlezing, die de kern van het werk zou zijn, tot ‘later’ uit (b.v. blz. 91, 138, 235).

Verschilt nu de voorstelling die Kloos ons geeft, in wezen zoveel van de pessimistiese schildering door de gesmade Jonckbloet? Is de hoofdlijn van de litteratuurgeschiedenis werkelik verlegd? Wij horen dat de 18e eeuw bij ons ‘allerminst een tijd van letterkundige slapheid is’, maar ‘een mooie tijd van ernstig willen en degelijk kunnen, van dikwijls krachtig voelen en breed-klaar zien’ (blz. 12), voor een hedendaags lezer eigenlik sympathieker dan de drukke 17e eeuw. Maar deze bewering van het ‘zeer konstruktieve inleidinkje’ (blz. 13) wordt door het werk van de schrijver zelf weerlegd. Hij zegt, soms onomwonden, soms ronduit, dat het waardevolle opgevist moet worden uit een zee van verveling en geesteloosheid. Het werk van Rotgans bevat grotendeels ‘stijl-exercities’, die ‘maar een merkwaardigheidsbelang’ hebben (blz. 18). Hoogvliet toont een ‘vermakelijk gebrek aan smaak’ (blz. 109). De oogst uit Poot is schraal (blz. 146). Onno Zwier van Haren is niets waard. Het hoofdwerk van Smits, de ‘Rottestroom’, is ‘een maar half verstaanbare curiositeit’ (blz. 175); zijn overige werk is grotendeels onbeduidend, vooral zijn ‘geleuter’ over de Parnas (blz. 187). De Lannoy schreef ‘onleesbare lyriek’ (blz. 195). Lucretia van Merken is ‘te bedaardbijna-verstandelijk, te gemoedelijk-wijdloopig’. En de genoemde auteurs behoren (behalve Van Haren) tot de ‘uitgelezen’ dichters, die elk een afzonderlik hoofdstuk krijgen. Zij gelden dus als hoofdvertegenwoordigers van die ‘mooie tijd van degelijk kunnen’. En als de schrijver prijst, dan is het soms een blijkbare overschatting, een opgeschroefde bewondering, b.v. wanneer Poot's gedicht De Maan bij Endymion boven het werk van Hooft gesteld wordt, maar meestal

[p. 155]

een koele waardering. De Lannoy's Gastmaal, dat geheel wordt afgedrukt, noemt hij een ‘kalm-hekelend beeld van een beschavingstoestand’ (blz. 198), waar de lezer ‘pleizier om hebben kan’; een ‘belangrijk dokument’. Dus niet een ‘bloeiend produkt van de binnenziel des kunstenaars’ (blz. 5).1) Het genot dat Dirk Smits geeft, wordt vergeleken met de heerlikheid van in een ‘automatische roeiboot (!)’ een half uur over het harmonische golven en deinen van een kalm-pleizierige menschenziel te glijden (blz. 169). Geen wonder dat daarbij van ‘geestdrift’ moeielik sprake kan zijn. Uit het werk van Schermer is een bloemlezing te maken van 180 bladzijden. Moonen is als dichter ‘een waardige zoon van Vondel’. Jammer dat deze beweringen niet voldoende zijn om ons van hun betekenis te overtuigen.

Natuurlik heeft deze studie van Kloos ook een goede zijde. De klakkeloze veroordeling, vooral bij napraters van Jonckbloet, moet plaats maken voor een kunstgevoelig ziften. Daartoe heeft Kloos het zijne bijgedragen, door op allerlei détail-schoon opmerkzaam te maken bij minder bekende dichters, en door werken als de Boerekermis en Het Gastmaal naar voren te brengen. Maar de omvang van deze studie werd onevenredig aan de betekenis, de ‘daad van eenvoudige rechtvaardigheid’ werd een schermen in de lucht, de uitwerking van een vooropgezette overschatting, doordat de schrijver, turende op één onderdeel van onze litteratuur, alle verhouding uit het oog verloor.

 

C.d.V.

Brabantsch Sagenboek, door A. de Cock en Is. Teirlinck. Eerste deel: Mythologische Sagen - Duivelsagen. (Gent - A. Siffer - 1909. (Pr. fr. 4).

Op deze belangrijke folkloristiese uitgave van de ‘Koninklijke Vlaamsche Academie’ vestigen we voorlopig de aandacht. Na de verschijning van het tweede deel komen we er op terug.

1)b.v. § 172 vlg. behandelen de datief; in de gevallen, waarin dat. en acc. in vorm samenvallen, is het niet uit te maken, met welke naamval we te doen hebben; § 152 vlg. handelen over de genitief, maar heel veel vbl. ook uit andere §§ kunnen onder § 154 gerekend worden.
In § 68 is de naamval van die in ‘Die sielen int helsche dal, die Lucifer beghiede, dat ware sine maisniede’ niet te bepalen; evenmin in 't volgende vb.; enz.
2)I, 135 vlg.
3)Zie v. Helten, Mnl. Spr. passim en Franck, Mnd. Gr. 2e druk, Vorwort en § 3 en elders.
4)De Schr. zegt wel eens, dat iets uitsluitend of vooral in later mnl. voorkomt, b.v. § 63 opm., § 75 opm., § 249, opm. 2, maar zonder dit nader te bepalen.
5)Zie b.v. Tschr. XXV, 196 over de conjuncties want en thent, ook aangehaald in § 314.
6)Zie Dr. Vor der Hake: De Aanspreekvormen in 't Nederlandsch (I De Middeleeuwen) en de beoordeling daarvan in dit Tijdschrift.
7)Zie Middelnedl. Marialegenden uitg. De Vooys II Inl. LXXXV, vlg.
8)b.v. § 42, § 76, § 128, § 131 opm. 1, § 164 enz.
1)Deze woorden, ook elders b.v. § 199, zijn tekenend voor de manier waarop de Schr. zijn regels formuleert. (Zie ook Kollewijn in Museum XIII, 56). Eveneens het vermelden van ‘enkele uitzonderingen’ b.v. § 273 of: bij de meeste der hier genoemde werkwoorden, uitgezonderd bij de verba van beweging, kon ook, vooral in lateren tijd, de infinitief met te volgen, bij sommige is dit zelfs de gewone constructie § 281 opm. 1; nu en dan § 294 opm. 1, somtijds § 43, § 97 opm. 1, § 100, § 198, § 360, opm. 2, (waarop dan volgt: in den Brandaen) herhaaldelijk § 63, § 104, § 362; een enkele maal § 45, opm. 1, § 88. § 96 opm. 2, § 199, § 200 opm. § 348 opm.; meermalen § 45 opm. 2, § 49, § 300 opm., § 349, § 351.
We zouden hier zo graag minder vage aanwijzingen hebben, zoals de Schr. zelf b.v. geeft in § 47.
1)Deze woorden, ook elders b.v. § 199, zijn tekenend voor de manier waarop de Schr. zijn regels formuleert. (Zie ook Kollewijn in Museum XIII, 56). Eveneens het vermelden van ‘enkele uitzonderingen’ b.v. § 273 of: bij de meeste der hier genoemde werkwoorden, uitgezonderd bij de verba van beweging, kon ook, vooral in lateren tijd, de infinitief met te volgen, bij sommige is dit zelfs de gewone constructie § 281 opm. 1; nu en dan § 294 opm. 1, somtijds § 43, § 97 opm. 1, § 100, § 198, § 360, opm. 2, (waarop dan volgt: in den Brandaen) herhaaldelijk § 63, § 104, § 362; een enkele maal § 45, opm. 1, § 88. § 96 opm. 2, § 199, § 200 opm. § 348 opm.; meermalen § 45 opm. 2, § 49, § 300 opm., § 349, § 351.
We zouden hier zo graag minder vage aanwijzingen hebben, zoals de Schr. zelf b.v. geeft in § 47.
1)Deze woorden, ook elders b.v. § 199, zijn tekenend voor de manier waarop de Schr. zijn regels formuleert. (Zie ook Kollewijn in Museum XIII, 56). Eveneens het vermelden van ‘enkele uitzonderingen’ b.v. § 273 of: bij de meeste der hier genoemde werkwoorden, uitgezonderd bij de verba van beweging, kon ook, vooral in lateren tijd, de infinitief met te volgen, bij sommige is dit zelfs de gewone constructie § 281 opm. 1; nu en dan § 294 opm. 1, somtijds § 43, § 97 opm. 1, § 100, § 198, § 360, opm. 2, (waarop dan volgt: in den Brandaen) herhaaldelijk § 63, § 104, § 362; een enkele maal § 45, opm. 1, § 88. § 96 opm. 2, § 199, § 200 opm. § 348 opm.; meermalen § 45 opm. 2, § 49, § 300 opm., § 349, § 351.
We zouden hier zo graag minder vage aanwijzingen hebben, zoals de Schr. zelf b.v. geeft in § 47.
1)Enkele vbl.: § 208 en 211 bespreken een ‘ellips, die in levendigen stijl voorkomt.’ § 121 waar de voorzetsels behandeld worden: b.v. of(van, uit: alleen in Friesche streken, en thans nog in West-Vlaanderen); egen (jegens; thans nog in 't Westvla). Er wordt echter niet onderzocht, of het vroeger ook uitsluitend in dit dialekt gebruikt werd. § 273 opm. II, waar staat: ‘In strijd met het tegenwoordig taalgebruik is het bezigen van het hulpww. sijn in de onpers. uitdrukkingen: het is gesneeuwet (zoo nòg in het Antwerpsch, waar men ook zegt: het is dezen nacht gevrozen)’; zonder dat onderzocht wordt, of het in het mnl. ook misschien brabants is. En is het nu in strijd met het tegenwoordig taalgebruik, als het nòg Antwerps is? Ook opm. 3 bij dezelfde §: ‘Het tegenwoordig geldend onderscheid tusschen hij heeft vergeten en hij is vergeten (mnl. ook mi es vergeten) werd in de middeleeuwen niet in acht genomen. Gewoonlijk werd vergeten vervoegd met hebben, zooals thans nog uitsluitend in het West-Vlaamsch.’ Maar in de buurt van Rotterdam is hij is vergeten de énig gebruikelike vorm, voor zover de leerlingen het niet uit de grammatika anders geleerd hebben. Ook bij § 242 en § 252 moet men, meen ik, op dialecties verschil opmerkzaam zijn.
2)Zie noot vorige pagina.
3)Zie Dr. Muller in Taal en Letteren III, 171 vlg. Vgl. ook Kollewijn, Museum XIII, 52 vlg.
4)§ 40, 41, 46, 52, 75, 79, 122, 135, 141, 153 opm. 4, 170, 199, 226, 227 opm. enz.
5)§ 87, 197, 198, 199, 273 opm. 2.
6)§ 273 opm. 3.
1)§ 153 opm. 3, 171 opm.
2)§ 218.
3)§ 218 opm. 2.
4)§ 272.
5)Zie Marialeg. Dl. II, p. LXXVI en de daar aangehaalde literatuur, waarbij nog te voegen is Van Helten, Mnl. Spr. § 276* en Vondelgr. § 65.
6)Zie § 218 en opm. 1.
7)Zou het b.v. niet van belang zijn geweest na te gaan, bij welke ww. de datief niet uitsluitend voorkomt, in plaats van enkele mededelingen in § 172 en de opm. ‘Dat bij de in deze rubrieken genoemde ww. in plaats van den datief ook wel eens de acc. of de gen. wordt aangetroffen spreekt vanzelf.’ Bij Maerlant heb ik de genitief alleen aangetroffen bij verba met de betekenis ‘ontkomen’.
Ook zouden we graag weten of de vbl. in § 141 waar na een comparatief als(e) voorkomt allen in jongere teksten staan en of dit de enige zijn, vooral wanneer we in de daar aangehaalde plaats uit het Nedl. Wb. (II 246) lezen: ‘Nevens het oorspronkelijke dan achter den comparatief is in de 16e eeuw ook als in gebruik gekomen, dat allengs toenemende, vooral in de volksspraak, zoozeer is doordrongen, dat het thans nog in de spreektaal, in Noord en Zuid, de meest gewone uitdrukking is. In de schrijftaal bleef dan zich handhaven; doch ook daar moest het veelvuldig door den invloed der spreektaal voor als wijken, dat in de geschriften der drie laatste eeuwen tallooze malen wordt aangetroffen.’
1)Zie Dr. Muller in Taal en Letteren III, 186.
2)Zie § 198 en de opm.
3)B.v. Is het éne vb. in § 164 (de eerste der twee aldus genummerde §§) ‘Si en dorsten hem niet doden van sijn vader,’ een omschreven genitief en te vergelijken met: Ik mag niet van mijn vader? Het laatste laat zeker ook een andere verklaring toe; men denke aan: Ik heb geen verlof van mijn vader.
Komt ‘Nyemant en es hier of hi en weet wel,’ 't enige vb. uit § 232-236 (bl. 162) (zie de Toevoegsels en verbeteringen pag. 275) in later middelnederlands voor, zoals we licht kunnen opmaken uit wat in II opm. 1, onder dezelfde § gezegd wordt?
1)Eerste druk § 456. Het aantal voorbeelden is veel vermeerderd, vooral met zinnen, waar hetzelfde woord, dat in twee zinnen zou voorkomen, slechts eens is uitgedrukt, terwijl weggelaten is het aan Nederl. Proza ontleende vb., waar de Schr. nu zeker ook gestorven als substantief = doden heeft opgevat.
2)Dit vb. staat nog eens in § 210.
3)Wat zou de bedoeling zijn van: Nog sterker ellips... § 212?
1)Zie: Over het Gebruik van den Conjunctief en de Casus bij Maerlant § 5 opm. 1c, § 6 opm. § 8 opm. 1c § 12 opm. 1 b, § 15 opm. 1, § 18 opm. 1b, § 24 opm. 2b, § 27, opm. 1b.
2)§ 121 en opm. 1.
3)§ 112 en § 133, opm. 2.
4)§ 19, 99, 153 opm. 3. Zie v. Helten, Mnl. Spr. § 378.
5)§ 360.

1)Ik miste daarin de opgave van de twee korte autobiografieën op blz. 6 vermeld, en het dagboek dat Van Lennep hield in de dagen van zijn geloofstrijd (zie blz. 104); ook: Vermakelijke Anecdoten en Historische Herinneringen, een nalatenschap van Mr. J. Van Lennep, Amsterdam Gebr. Kraaij 1870, met zijn portret in staalgravure.

1)In de uitlegging van de titelprent (blz. 12, r. 10) is b.v. om onbegrijpelike redenen een zin weggevallen. Op blz. 28, r. 12, ontbreekt een zin waardoor de volgende met ‘Maar’ onduidelik wordt.

1)Zie de bespreking in De Nieuwe Taalgids III, blz. 263.
2)Jonckbloet b.v. wordt weer ‘onder handen genomen’ op blz. 2, 8, 17, 34-38, 42, 51, 53-62, 63, 70, 72-75, 79-82, 118, 156-158, 161. Op blz. 13 laat Kloos de lezer zeer terecht opmerken: ‘Ware het in-waarheid niet verstandiger geweest, indien hij Jonckbloet had gelaten op de plaats, die deze inneemt, en uitsluitend zijn eigen meening was gaan zeggen?’ - Ook de dominee-dichters, de gedachten-dichters, de socialistiese dichters worden niet met rust gelaten.
1)Meer bevreemdend nog, vooral bij de vijand van ‘gedachten’-dichters, is het slot van het hoofdstuk over Zeeus (blz. 105). De bladzijden 192-193 schijnen weggelopen uit een werk van Jan ten Brink. Anders zijn ze door hem geinspireerd.

prepostterug  begin  verder