terug  begin  verderprepost
[p. 29]

Lessen over 't lidwoord.
(Vervolg van blz. 97.)

21. Ik heb je al is voor 't geval gesteld: ‘Met de trein reizen.’ Dat is nogal ingewikkeld, ten minste voor jullie. Daarom iets vooraf. Iemand vertelt: ‘In 'n bosch lag 'n groot kasteel; en daar woonde 'n ouwe ridder.’ Op dat kasteel, niet waar? Maar de verteller zegt: ‘daar.’ Hoe kwam dat? Dat kasteel was 'n ding, zò breed, zò hoog. Zòveel torens en zoveel ramen. Maar dat vergat de verteller enigzins, 't kasteel moest nu 'n woning worden voor 'n ridder, 'n ruimte om in te wonen, 't wordt al abstrakter, 'n plaats. Toen de verteller daar zei, duidde ie 't kasteel aan in zover 't 'n plaats was. Als je aan kleine kinderen vertelt, dan moet je maar dikwels 't woord kasteel herhalen: Daar lag 'n groot kasteel. Op dat kasteel enz. Kinderen luisteren meer als 't over de dingen zelf gaat, dan over 't in hoever. 'n Kind moet schoentjes hebben met kwastjes en figuurtjes, 'n volwassene moet schoenen hebben die passen. 't In zover is 'm meer waard dan 't ding zelf. Zelfs grote meisjes houden van bandjes die niets binden en van brosjes die niets vaststeken. 'n Meisje hoeft 't in hoever niet zo streng in 't oog te houden als de jongen. Als die later buiten de huiselike kring tobt, dan moet ie zorgen door de grote hoop de kluts niet kwijt te raken. Door dikwels te denken en vlug te weten in hoever. Als men zegt ‘met de boot reizen, of “met de trein” of “met de tram,” dan denkt ie aan die dingen, vooral in zover ze dienen om er mee te reizen, als reisgelegenheden.

Praat iemand me van “met de tram”, “met de trein”, “met de boot” en dan ineens van “'n boot”, dan schuift er ineens een voor m'n geest en blijft daar 'n paar sekonden liggen: lang, scherpkantig, wit, pijp. Jullie ondervond die verrassing misschien zo nog niet? Vergelijk is: “De trein is duurder dan de tram” en “'n trein is kostbaarder dan 'n tram.” 't Laatste gaat over de dingen zelf, 't eerste over de reisgelegenheden. “Op de fiets ben je er in 'n uur.” “Op 'n fiets ben je altijd 'n stukje groter.”

[p. 127]

Wat ik in “de trein” ook nog voel? Iets van de gemeenschap. 'n Soort genitief-betrekking. Dat ding hoort er tegenwoordig bij, 't is 'n onmisbaar ding geworden in onze maatschappij: “Verbeeld je is, dat we de hond moesten missen!” zegt 'n huisgenoot. “Verbeeld je is, dat we de trein niet meer hadden!” zegt 'n reiziger. De Duitse keizer gaat elk jaar naar Noorwegen niet met de boot, maar met 'n boot: zijn boot is geen gelegenheid voor 't publiek, de gemeenschap. 'n Fietsrijder kon wel de tram bijhouden, maar niet 'n auto: 't Eerste is 'n sociale gelegenheid.

Hoe meer de gemeenschap aktief wordt, hoe meer de's we krijgen. Toen er nog maar één boterfabriek was in ons land, konden alleen de boeren uit de omtrek daar zeggen: “De meeste melk gaat naar de boterfabriek.” En dan bedoelden ze de hunne. Maar nu kunnen alle kranten schrijven: “De meeste melk gaat naar de fabriek.” En dan is de fabriek 'n nieuwerwetse instelling in onze maatschappij, iets van de tegenwoordige gemeenschap.

In 'n verhaal: “Hij raakte aan 't zwerven en kwam in de gevangenis terecht.” Welke gevangenis? 't Is 'n ding van de gemeenschap, liever nog: 'n instelling ervan. De een voelt hier meer de genitief-betr., de ander meer de abstraktie, de gevangenis niet als stenen gebouw maar als strafplaats.

In 'n huisgezin: “Van avond komt de dokter,” de - gen. betr. of bekendheid tussen de dokter en 't huisgezin.

In 'n trein: “Wel, als iemand zo iets mankeert, dan moet je direkt 'n dokter raadplegen.” Maar 'n ander die meer gemeenschapsgevoel heeft, spreekt van “dan moet ie direct de dokter halen.” Hij gebruikt 't sociale de.

Draag is aan 'n tekenaar op, de dokter, een van de voornaamste personen in onze tegenwoordige maatschappij, in beeld te brengen! 't Wordt 'n dokter. Laat 'm is tekenen: De tram heeft 't hier druk! 't Wordt 'n plein vol trammen. De is abstract, 'n of meervoud konkreet, plasties. Sommige personen, 't gewone volk en vooral kinderen gebruiken betrekkelik weinig van die de's, veel 'n's en meervouden. Ze zijn plasties.

22. Na 't lezen van 'n sensatie-bericht: A. “De mens is nu eenmaal zo!” B. “'n Mens is nu eenmaal niet anders.” C. “De mensen zijn niet meer zoals vroeger.” D. “Alle mensen zijn eender; maar deugen doet er geen een.” Dat betekent allemaal precies 'tzelfde nietwaar? In de spraakkunst staat ook: “de” betekent hier “alle”; de generaliseert. In de wìskunde ja. De moraal-filozoof die er 'n redevoering over houdt, zegt denkelik: “De mens is nu eenmaal

[p. 128]

zo”; dat schrijft ie ook zo in z'n boeken En in 'n minder alledaagse bui kan 'n ander dat ook zo zeggen en schrijven. “De mens”, 't wonder uit Gods hand, 't raadsel der filozofen etc., allemaal de of 't. Waar zijn de armen en benen gebleven? Waar de hoed en de schoenen? Ik denk niet zozeer meer aan 'n mens, zo groot, zo 'n gang, zo 'n stem. Zo was 't ook met B. gesteld, alleen 'n beetje minder abstrakt; hij spreekt al van 'n. Maar hij is nog niet zo plasties als C. Die praat van “mensen”. Dat is nog zo dom niet: er zìjn er toch ook meer. Datzelfde had ie bereikt met “Mensen zijn nu eenmaal etc.”; maar dan blijft 't sociale “de” weg, 't klinkt kouder. Menheer D zat op z'n paardje. Hij was bang dat er ook maar een aan z'n slagen zou ontkomen; hij moet ze alle treffen. C had 't ook wel over alle mensen, maar daar dacht ie zelf zo niet aan. Wie z'n de met alle gelijkstelt, legt iets in C z'n taal, wat niet van C ìs.

Dat “de” van C maakt de mensen tot medespelers op 't wereldtoneel. Datzelfde gemeenschapsgevoel ligt uitgedrukt in: de aarde, de hemel, de hel, de vogelen, de vissen, de bloemen, de dieren etc., allemaal beste kennissen: onze moeder de aarde, ons toekomstig vaderland de hemel. In 'n middeleeuws verhaal las ik zelfs van onze broeders de vogelen. Men spreekt van “de landbouw beoefenen”, “de veeteelt etc.”, dat bedrijf van onze boeren, dat middel van bestaan op deze aarde. Daarom hebben al die woorden 't sociale de.

't Is niet zeker, dat A, B, C en D alles precies zo gevoeld hebben als ik. Ik ben geen gedachtelezer. D'r kan ook napraten van die mensen in 't spel zijn, gewoonte, opvoeding, onbewuste herinnering aan schrijfvoorbeelden etc. Er zijn honderden invloeden die op iemands taal inwerken. Ik beoordeel de taal van de mensen op slot van rekening naar mijn eigen taal. In de meeste gevallen zal er wel gelijkheid zijn, in enkele biezondere gevallen verschil.

Iemand van jullie schreef in d'r opstel: Vooral toen naast veeteelt (geen de) ook akkerbouw (geen de) uitgeoefend werd, kozen de nomadenstammen 'n vaste woonplaats.’ Kijk, die weglating van de klonk mij wetenschappelik, statisties; ‘de veeteelt’, ‘de akkerbouw’ klinkt voor mij meer belangstellend, meer bewijs, dat men er ìn zit. Door dat ‘gemeenschapsidee’ wordt 't ‘soort’ idee zwakker; ten minste dat laatste voel ik weer sterker als 't lidw. wegblijft.

23. Ze hebben de gewonde op 'n bed gelegd en zo vervoerd. ('n) ‘Waar is de kleine?’ ‘Die ligt 'n uurtje op bed.’ (geen lidw.) 'n Bed is 'n ding, zo lang, zo breed, zo dik, langwerpig vierkant en daar de zieke in de lengte midden op. ‘Op bed’ is niet zo dik, zo breed etc. 't Is 'n plaats om te slapen. Hier geld weer 't in hoever,

[p. 129]

niet 't ding als ding. De gewonde moest op 'n bed vervoerd worden, beslist op zò'n ding, anders leed ie te veel van de schokken. En de kleine? Als die maar opgeruimd is; is ie niet zalig, dan is ie toch van de vloer, zeggen ze bij ons. En 't rustigst is ie als ie slaapt, dus op bed.

Ik keek toevallig naar 'n huis, dat zo blonk omdat 't pas geverfd was ('n - ‘huis’ als ding). Op de stoep van dat huis zijn 'n paar vreemde kinderen aan 't spelen. Een loopt er weg. ‘'k Ga naar huis!’ zegt ie (geen lidw). Dat kind dacht niet zozeer aan 't huis waar ie woonde. 't Zag in de geest moeder in de huiskamer, met 'n gezicht dat mis was, omdat 't al zo laat werd; en 't zag de tafel klaar met de anderen d'r omheen. 't Is hier weer: In hoever: 't huis als woonplaats, nog enger: de woonkamer, als plaats van 't huisgezin. ‘Waarom kom je zo laat tuis,’ zei moeder. Die dacht helemaal niet aan 'n huis. Ze zegt niet meer zoals vroeger ‘te huis’ maar ‘tuis’. Wat is dat voor 'n ding? Onzin! dat begrijp je nu zeker wel.

Men zegt dat er 'n tijd is geweest, dat de z.nw. geen lidw. hadden. Als dat waar is, dan begrijp ik wel, waarom ‘bed’ en ‘huis’ er hier later geen gekregen hebben. Op en bed, te en huis waren al één geworden. 'n Knappe jongen die daar nog 'n woord tussen schuift.

'n Hele kleine jongen ging mee in pension op 'n villa midden in 'n bos. Toen ie daar binnen alles gezien had, vroeg ie of ie op straat mocht. De anderen lachten. Op straat! Niets dan tuin en bos. Maar de kleine had niet helemaal ongelijk. Hoe klein ook, hij kon al abstraheren, deed 't nog sterker dan de groten. Hij moest 't tegengestelde hebben van ‘binnen, in huis’ n.l. daar buiten, bij de mussen en de hondjes. Dat was voor hem op straat. Dat is op straat voor de groteren ook wel. Maar tegelijk denken ze nog aan meer andere dingen: straatstenen, rijen huizen. 't Materiele is bij de grotere levendiger gedacht.

Verder: ‘Aan tafel’: kringetje, wit tafellaken, langs de kant witte schijven met glanzende cirkeltjes, dampende schotels, gerammel met borden en lepels, als de katjes muizen, dan mauwen ze niet. Aan tafel moet je niet zo hangen, luie jongen!

Maar ‘aan de tafel’: Als je dat kunstje wil doen, moet je 'n pook aan de tafel hangen.

Hij gaat al ‘op school’: Boeketas, lezen, schrijven, vorderingen, moedertrots, zoet zijn.

Maar: De leiedekker zat ‘op de school,’ op dat grote ding.

‘Is ie er al? Neen, maar ie is op weg.’ 'n Weg verbindt twee uitersten, daar is ie nu middenin en nadert de bestemming. Midden

[p. 130]

op 'n hei, zonder weg of steg, kun je ook ‘op weg’ zijn. Weg bet hier geen ding; we gebruiken geen lidw. Maar: ‘Die doos lag zo maar op de weg.’

In ‘op bed’ is 't idee ‘ding’ zeer zwak geworden, ook in: ‘op straat, tuis, op school, aan tafel.’ Ook in: ‘we hebben van middag kip,’ allemaal zonder 'n.1)

24. ‘Je komt hier nooit meer over de vloer, aap van 'n jonge! Geen voet meer over de drempel, asjeblief! De deur uit!’ Over ‘de’ vloer: in zover die vloer bij de huiskamer hoort. Als later de vertoornde verhuisd is, mag je gerust op die vloer gaan staan. Dito de drempel, dito de deur, in zover die 'n ingang en uitgang van de huiskamer is. Toch gebruikt men 'n lidw. Ja, maar geen 'n. Dan krijg je weer 't ding als ding. ‘Ik stond met de rug tegen 'n deur’; (tegelijk denk ik hier aan een uit meer) ‘In die kamer ligt 'n nieuwe vloer.’ Verder: ‘In de kerk moet men ingetogen zijn’: godsdienstoefeningen, stilte. Maar: ‘In 'n kerk is 't zomers koel’: hoge muren, stenen vloer, gebouw-idee, 't ding als ding.

‘Op 't veld: boven lucht, onder vlakte, fris, vrij. Maar: “Op 'n veld”: vierkant, langwerpig stuk grond. Plasties: Stel u voor, dat u op 'n veld staat.2)

25. “Dat zal Jan wel in orde brengen!” “Jan?” “Ja Jan!” Is ie dan timmerman?’ Let op: ie.

‘Wat was dat voor iemand die daar de deur uitging?’ 't Is 'n timmerman, geloof ik. Kijk maar naar die bak (met gereedschappen). Let op: niet ‘ie’ maar ‘'t’ is 'n timmerman.

[p. 131]

In de eerste zin stond Jan levendig voor de geest, ten minste als persoon, hij was 'n ‘ie’ of 'n ‘hij’. Eigenlik was ie Jan, maar die naam was pas genoemd. Maar die man, in zin 2, die ik niet kende, die 'k misschien maar half gezien had, is 'n 't; dat kun je van veel dingen zeggen: ‘'t Is van mij’ ('n appel); zelfs van geen voorwerp: ‘'t Is verkeerd’ (die daad). Maar die appel is dan maar alleen beschouwd als bezitting, als iets dat de gemoederen in beweging brengt; de daad wordt alleen beschouwd als 'n punt van overweging, en de man, die de deur uitging als iets dat m'n nieuwsgierigheid prikkelde. Maar dat 't, voorlopig zo iets in m'n geest als 'n nevelvlek, moet tuisgebracht worden. We zetten onze gedachten scherp. Door 'n teleskoop wordt de nevelvlek duidelik 'n massa sterretjes. Zo wordt dat 't, eerst 'n abstraktie, 'n ding, 'n timmerman, in elk geval 'n 'n. 't Is 'nne, 'nne.... ik weet 't niet precies, zegt men soms. Men weet er toch iets van! n.l. dat 't 'n 'n is, 'n voorwerp.

In zin 1 ‘Is ie timmerman’ zegt dat ‘ie’ al, dat 't over 'n 'n gaat. D'r staat al 'n persoon in m'n geest. Maar die persoon moet vollediger aangegeven worden: ‘Hij is timmerman.’ Nu blijft 't lidw. weg. Ook in: ‘Hij is smid,’ ‘kok’ (beroepen). Hij is burgemeester, notaris (ambt). Hij is lid, voorzitter (verhouding tot 'n vereniging). Hij is Nederlander, katoliek (verhouding tot de wet, de godsdiensten, de staatkunde). Is ‘smid’ ook 'n verhouding? Zeker! tot de maatschappij, 't is 'n maatschappelike positie. En burgemeester, en burger? Verhouding tot de stad, tot de natie, de wet. En ‘dief’? B.v. ‘Hij is dief geworden?’ Dat klinkt komies. In 'n geregelde maatschappij is dat geen ambacht, geen positie. ‘De berooide graaf werd roofridder.’ Dat klinkt. Dat was in die tijd ook 'n bestaan. Bij ‘zijn’ (‘worden’ en ‘blijven’) blijft hier 't lidw. weg. 't Komt weer uit: in zoverre die woorden 'n verhouding uitdrukken; ze duiden geen ding als ding aan.

Zo gekleed, zo'n allures: ‘Nu ben je helemaal 'n Engelsman.’ Pilo broek, duimstok etc.: ‘Nu ben je helemaal 'n timmerman.’ Geen 't als onderwerp en toch 'n in 't gezegde. Natuurlik! ‘'n Engelsman’ niet in z'n verhouding tot naties, wetten, rechten etc. maar 'n Engelsman als 'n ding, 'n beetje vreemd ding. Zo ook 'n timmerman, als iemand met zo'n pakje aan, 'n heel alledaags, maar toch goed te kennen ding.

‘Als je katoliek ben, dan kun je met die wet niet instemmen’: ‘katoliek’ betekent hier: belijder van 't kat. geloof, aanhanger van de kat. staatspartij, dus 'n in zoverre; maar: ‘Als je 'n katoliek ben, dan aanvaard je 't nieuwe niet zonder voorbehoud.’ Hier geldt 't geen geloofsartikel of staatkundige stelregel, maar 'n taktiek, die met 'n kato-

[p. 132]

liek vergroeid is, 'n katoliek is hier 'n mens, met vlees en been, 'n 'n.

‘Moet Jan dat doen?’ Ja, Jan. Hij is toch timmerman. ‘'t Is me 'n timmerman!’ Eerst ‘hij’: Jan staat levendig voor de geest. Daarna: 't en ‘'n timmerman’ Bij die ontboezeming wordt zo sterk aan de vereiste bekwaamheid gedacht, belichaamd in ‘'n timmerman’, dat Jan zelf er door op den achtergrond raakt: Hij wordt maar 'n ‘'t’.

Wordt diezelfde ontboezeming tegenover 'n persoon geuit die vlak voor je staat, dan ‘Je bent me 'n timmerman!’ De aangesproken persoon wordt nooit 'n 't. Dan zou ie gaan denken, dat je 't over 'n ander of over iets anders had.

26. ‘De oudste jongen zorgde voor z'n broers als 'n vader,’ (let op: 'n) d.i. liefdevol maar streng op z'n tijd, zorgvuldig maar ook nauwkeurig: lief, streng, zorgvuldig, nauwkeurig, 't zijn allemaal mooie dingen, die pas goed uitkomen als ze belichaamd worden in 'n persoon. Als je iemand over schoon wil spreken, doe dat dan met 'n roos in je hand of 'n beeld naast je, neem 'n mooi ding. Noem 'n persoon, die lief en streng is, 'n vader. Je kunt daarom ook zeggen: ‘Die jongen was 'n vader voor z'n broers.’ Als je zegt: ‘Hij was vader over z'n broers’ dan verandert de zin van betekenis: Hij oefent dan dezelfde rechten uit als iemand die tot 'n ander staat in de verhouding van vader en zoon. In 't eerste geval komen de eigenschappen van 'n vader meer uit, in 't tweede geval meer de vaderlike rechten en beschikkingen.

‘Als vader was ie verplicht voor die jongen op te komen.’ Hier heb je weer de verhouding van vader tot zoon, 't in zoverre komt weer voor de dag, dus geen 'n. Men spreekt hier van: ‘in hoedanigheid van vader.’ Best. Maar in de les zijn we gewoon 't woord hoedanigheid juist anders op te vatten. Bij ‘die jongen als 'n vader’ was meer sprake van hoedanigheden, zoals we gezien hebben. Tweeërlei geheel verschillend gebruik van 'n zelfde term in 'n zelfde vak vertroebelt de kwesties.

27. D'r was ergens 'n nieuwe meid. ‘Is Janse al geweest?’ vroeg mevrouw. ‘Janse? Wie is dat?’ ‘Wel, de bakker!’ Eigennamen als Janse, Hendriks, etc. kortom familienamen, kunnen enkel dienst doen in zeer beperkte kring. ‘De bakker’ zegt meer. 't Is dezelfde persoon als Janse, maar ‘bakker’ geeft daarenboven 'n kwaliteit aan, en ‘de’ de verhouding tussen hem en 't huisgezin. ‘De bakker’ is ook 'n soort eigennaam. Met nog 'n bijbetekenis. Datzelfde krijg je als je voor andere z.nw. 't bep. lidw. zet: De smid, de meid etc. Maar - met 't bep. lidw. Want er zijn meer mensen die bakker, smid of meid zijn. Maar staan die personen vlak voor je, zodat er

[p. 133]

geen vergissing met andere bakkers mogelik is, dan kan 't lidw. wegblijven: ‘Zo, bakker! koud van morgen!’ ‘Bakker’ kon zelf ook wel wegblijven. Maar wie 'n beetje notitie van de man neemt, zegt er onwillekeurig dat woord bij. Hij vindt 't ook aardiger, onverschillig of 't eenvoudig uit beleefdheid gebeurt of daaruit voortvloeit dat je behalve aan je brood ook nog speciaal aan de bakker denkt. Aardig, dat ze niet alleen dat laatste, die aandacht, attentie noemen, maar ook de misschien niet gemeende beleefdheid. 't Is zeker oorspronkelik één geweest.

Toen ik hier pas was komen wonen, kwam er dikwels 'n schooiertje voorbij m'n raam, tegen schooltijd. Hij was de schrik van de honden, de katten, de kleine meisjes. ‘Daar gaat 't boefje’, zeien we altijd; ('n soort eigennaam, net als de bakker) Nu is 't 'n beleefde jongen, allang op werk; toch noemen we 'm nog 't boefje, niet om z'n streken, maar uit gewoonte. Soms zeggen we eenvoudig: ‘Daar gaat Boefje’: we laten zonder erg 't lidw. weg, zoals voor echte eigennamen, namen zonder bijbetekenis, zoals Boefje nu voor 'n lange goeie slungel ook geen zin meer heeft. Dezelfde analogie heeft misschien de echte eigennaam (Jan) Bakker doen ontstaan uit de geïmproviseerde, (Jan) de bakker, waarmee een van de voorvaders was gedoopt.

Voor huisgenoten bestaat er maar één vader, één moeder, soms maar één oom of één oome Jan. 't Lidw. hoeft van vader etc. geen eigennaam te maken, 't is er al een. De andere eigennaam van ‘vader’ bv. Jan, mogen kinderen niet gebruiken, omdat de namen ‘vader,’ ‘moeder’ veel te prakties aan aanhankelikheid en gehoorzaamheid herinneren, om ze ongebruikt te laten. 'n Bewijs, dat die eigennamen ‘vader,’, ‘moeder’ nog 'n bijbetekenis behouden hebben net als ‘de bakker.’ Maar niet zo levendig. De bakker en z'n broden zijn één, de bakker blijft voor de huisgenoten in hoofdzaak de persoon die voor hun de broden bakt, maar vader heet ook ‘vader’ als ie naar 't kantoor gaat, hij blijft ‘vader’ heten als ie binnen met vreemden praat en de kinderen in 'n andere kamer moeten. Zo gaat van die eigennaam ‘vader’ de bijbetekenis enigzins verloren. Moet die sterk opleven, dan zegt moeder vermanend: ‘'n’ of ‘de’ vader is 't hoofd van 't huisgezin.

28. ‘De President is dood.’ Welke? Die van Frankrijk of van Amerika? De maakt van president nog geen voldoende eigennaam, zoals in de bakker. Dergelike noodzakelike toevoegingen heeft men ook in ‘de ontvanger Janse’, ‘'t huis ter Aa,’ de heer B. In zulke gevallen voel ik bij de of 't al dat er nog 'n bepaling moet volgen, de wekt 't idee ‘nadere aanduiding’; ook zo in: 't dorp A, 't meer

[p. 134]

Genezaret. Toch hoort men ook ‘'n menheer Janse’, ‘Ik ontmoette daar 'n ingenieur B.’, ‘We kwamen aan 'n dorpje C’: 't idee ‘onbekendheid’ is hier zo sterk, dat 't de andere idee's die 't bep. lidw. zouden vragen, verdringt.

‘Hij is 'n notaris zoals je er weinig vindt.’ Nu wordt 't idee ‘nadere aanduiding’ gewekt door 't lidw. 'n, zoals daar juist in ‘'t huis ter Aa’ door 't bep. lidw. Die notaris wordt er nu tegelijk een uit meer, maar een die zich van de anderen onderscheidt: 'n versterkt daardoor tegelijk 't hoedanigheidsidee: ‘Je bent er me eentje’, zei men tegen iemand die wat te sterk sprekende hoedanigheden bezat.

In 'n stadje woonden verschillende Meier's. Die naam werd dus 'n onvoldoende eigennaam. Men ging nu spreken van koperslager Meier, borstelmaker Meier, maar - zonder lidw.: de bijgevoegde z.nw. dienen enkel ter onderscheiding, niet in zoverre ze zelfstandigheden maar biezonderheden aangeven: 't lidw., dat aan zelfstandigheden als zodanig doet denken, blijft daarom weg.1)

De burgemeester, de dokter zijn lui in hun kring bekend; 'n andere burgemeester, 'n andere dokter heet in diezelfde kring 'n dokter, 'n burgemeester. Zo betekent 'n ook hier onbekendheid. Nog sterker in: ‘D'r was ook 'n Janse en die had van alles aan te merken.’ De persoon die dat zei, had die Janse op 'n vergadering ontmoet en - niet gekend. Misschien ook wìlde-n-ie 'm niet kennen, omdat ie 't 'm lastig maakte: Onbemind maakte hier onbekend. Dat 'n kan daarom ook geringschatting uitdrukken. (vgl. 10).

29. We hebben al gezegd dat vader zo iets als twee betekenissen had: op die nevelvlek gaan we onze teleskoop nog is zetten.

Voor 'n open raam zaten twee kinderen. Jan begon te plagen, Piet schreeuwde toen: ‘Vader!’ (eigennaam). Jan: Als je niks tegen vader zegt krijg je wat. Let op: vader bleef hier 'n eigennaam. Tegelijk kwamen twee vreemdelingen voorbij. ‘Dat kind schreeuwt om z'n vader’, zei de een. Let op: vader werd hier 'n soortnaam: De vreemdeling denkt bij vader aan 'n vader, aan 'n man zoals alle mannen die kinderen hebben. Die vreemdeling had bij vader 't idee ‘soort’, maar Jan dacht aan 't individu: hij stelde zich 'n heel bekend gezicht voor en ònder dat gezicht nog 'n bekende vervaging van lijf en armen.

'n Kind zei in 'n verjaringsversje: ‘Met recht noem ik u Vader.’ Met recht: Vader was ook 'n vader: de beide idee's ‘individu’ en ‘soort’ zijn tegelijk uitgedrukt. En als vissers zeggen: de Anna is

[p. 135]

vergaan? Dan hebben ze behalve 't individu-idee ‘Anna’ ook nog 't soort-idee ‘boot’. Dat soort-idee wordt uitgedrukt door de: voor echte eigennamen komt 't lidw. niet (Jan, Piet) wèl aanhoudend voor soortnamen: de klanken de en 'n zijn a.h.w. met 't idee ‘soort’ vergroeid, lid geworden van de soortnaam.

Ook in: de Rijn, de Mont-Blanc wordt door de 't idee ‘soort’ gewekt: rivier, berg. Tegelijk drukt dat de bekendheid uit (de Anna) of gen. betr. (de Rijn). En in Den Bosch? Men zegt: ‘'t vrolike Den Bosch’. Dat zouen dan twee lidw. zijn: Den is 'n deel van de eigennaam geworden, dus - met 'n hoofdletter! Men zegt ‘de dorre Sahara’ naast ‘de Sahara is groot’. Dat is dus 'n ander geval.

‘Wat zou 'n Sokrates in dit geval gedaan hebben?’ vroeg 'n klassieke meester vermanend. Dat 'n Sokrates betekent 'n man als S. en wel: niet de eerste de beste man; naast 't idee ‘individu’ (Sokrates) is 't idee ‘soort’ uitgedrukt en wel door 'n. Boven deed dat de. Maar 'n brengt ook nog de uitstekende eigenschappen van S. naar voren; 'n doet hier dezelfde dienst als in ‘Hij is 'n notaris zooals enz.’ en ‘Je bent me 'n notaris’ (Zie 28).

‘Toen ging Sokrates naar buiten’. Nu blijft 'n weg: Maar nu wordt S. ook niet als 'n biezonder man voorgesteld.

30. Iemand had 'n partijtje antikiteiten aangekocht, stalde ze op 'n tafeltje uit: 'n beeld en 'n vaas en 'n schotel en nog 'n paar van die dingen. De meid moest 't toen afstoffen. Dat was iemand die van afwerken hield. Ze nam 'n plumeau en waaide over de hele boel 'n paar maal op en neer. Zij zag geen tien verschillende 'n's, maar eenvoudig rommel, werk voor haar. Maar de andere zag 't. ‘Meisje, één voor één de dingen in je handje nemen.’ Toen werd elk ding 'n ding afzonderlijk; ze stofte nu 'n beeld, ze stofte 'n vaas, 'n schotel enz,

Iemand vertelde: ‘Alles lag in 'n ogenblik vol stof: tafel, stoelen, kast, kleeren, 't was verschrikkelijk.’ Die houdt ook van afwerken, niet bij 't stoffen, maar bij 't vertellen. Zo min als de meid eerst stuk voor stuk met de plumeau geheel omwuifde, neemt hij veel notitie van elk ding afzonderlik. Had ie dat gedaan, dan had ie toch niet gezegd ‘'n tafel’ maar ‘de tafel, de stoelen, de kast.’ Maar voor die gelegenheid blijft de gen. betr. onvermeld; er moeten zoveel dingen in 'n zelfde zin vermeld worden, en niet als hoofdzaak; de hoofdzaak is dat de stòf overal op kwam!

Bij 'n ander waren de dingen zelf hoofdzaak. Die vertelde: De tafel is geverfd, en de kast is oòk geverfd enz.; hij stelt zich al die dingen levendig één voor één voor. De volgende was vooral onder den indruk: 'k Heb 'n pen gekregen, enne - 'k heb 'n potlood ge-

[p. 136]

kregen, enne - 'k heb 'n inktpot gekregen, enne -. In z'n Sinterklaas-weelde vergat ie de stijlregel, dat men geen twee dezelfde woorden vlak achter elkaar mag gebruiken.(!)

31. Man en vrouw voor 'n winkel. Zij: Daar staat 't: ‘beeld met zuil - f20.’ Hij: ‘Hoeveel zou 't beeld alleen kosten?’ Zij: ‘Ik zou 't beeld en de zuil allebei nemen.’ Ze denken nu sterk aan elk van de twee dingen afzonderlik, vandaar dat bij elk afzonderlik de onderlinge gen. betr. onwillekeurig en passant wordt vermeld: 't beeld en de zuil. Maar de winkelier is 't vooral om de f20 te doen en zijn aandacht is dus vooral op 't stel gericht, 't komplex ‘beeld en zuil,’ dat 'm die f20 bezorgen kan; vandaar 't prijskaartje zonder lidw. Bij de een is 't komplex-idee sterker dan de gedachte aan de samenstellende delen, bij de anderen net omgekeerd.

Bij ‘stoelen, tafel, kast, alles lag direkt vol stof’ werd de gen. betr. niet genoemd voor de verschillende dingen, omdat die te gauw en dus te vluchtig in de geest werden waargenomen.

Bij ‘beeld met zuil’ werd de gen. betr. voor de verschillende namen onvermeld, omdat 't sterke komplex-idee de gedachte aan de samenstellende delen verduistert. Dus twee oorzaken van weglating.

‘De wind sloeg de hele boel de dijk af: kar en paard!’ Vooral op landbouwtentoonstellingen vormen ‘kar en paard’ 'n stel.

Daarjuist stond ‘man en vrouw’ voor de winkel. Alles moet misschien uit één portemonnee betaald worden: ‘man en vrouw’ zijn één. Vooral hier is 't komplex-idee sterk: geen lidw.

In van ‘top tot teen’ vermeldt men ook de gen. betr. niet, en toch vormen top en teen geen eenheid, geen paar; integendeel. Maar van die kwestie ‘gescheiden of bijeen’ kan hier geen sprake zijn: ‘van top tot teen’ wil in hoofdzaak zeggen ‘helemaal’. Denkt men sterk aan 't hoofd en de voeten, dan gebruikt men de lidw.: ‘van 't hoofd tot de voeten’ zegt men dan.

‘De liefde en achting.’ Hier gebruikt men één lidw. van de twee. Dat zou men met ‘kar en paard’ niet moeten doen. Zo gauw ik voor ‘kar’ ‘de’ zeg, denk ik sterk aan dat ding afzonderlik en ‘'t paard’ wordt dan van zelf ook iets afzonderliks, en vraagt rechtvaardigheidshalve ook de lidwoord-attentie. Maar de liefde is geen stoffelik ding zoals 'n kar, en krijgt door 't lidw. niet zo direct relief in m'n geest. 't Lidw. kan daar veilig gebruikt worden om de gen. betr. uit te drukken, zonder daardoor direkt te worden gescheiden van de achting, die er bij hoort.

Bij ‘bruid en bruigom’ kan men zelfs drie nuancen onderscheiden: ‘Een toost op bruid en bruigom’ (zeer bijeen: de clou van 't feest.)

[p. 137]

‘De bruid en bruigom verlieten de zaal.’ ‘De bruid en de bruigom werden elk afzonderlik toegesproken.’

32. Iemand schetste de indruk die de zomer op 'm maakte: ‘groen landschap, blauwe lucht, zonneschijn!’ Die liet ook 't lidwoord weg. Ook door de haast zoals 't stoffende dienstmeisje? Dat is niet zeker. Hij was misschien artiest en liet dat onwillekeurig aan z'n tekening zien.

Kinderen tekenen ook weleens. 'n Paardje met allebei de ogen aan één kant: Ze weten dat 't beest twee ogen heeft. Ze tekenen niet; maar pràten met d'r potlood. 'n Geoefend tekenaar doet 't beter. Hij tekent alleen wat ie op 't oogenblik ziet. Maar de artiest-tekenaar tekent de dingen dikwels om de schoonheid die ie aan de dingen ziet, alleen de dingen in zover hij ze schoon vindt. Als ie 'n bloempot schildert, kijkt ie door de haartjes van z'n ogen; wat donker is wordt nog donkerder; wat licht is wordt nog lichter; hij gaat dan op in de weelde van de lichteffekten, van de lijnen, van de tinten. Wil die al die weelde samenvatten in één woord, dan zou ie dat kunnen doen door artistiek te spreken van ‘bloempot’, niet ‘'n bloempot’. Ook gewone mensen spreken zo. 'n Vissersjongen had als matroos 't laatste gedeelte van z'n diensttijd opgesloten gezeten, voor straf, in 'n donker, muf hok. Toen ie daarop tuis kwam, riep ie o.a.: ‘Twee dage zee, zée, zée - en 'k ben weer de ouwe.’ (Op Hoop v. Zegen. 4e dr. blz. 40).

Wat dacht en voelde die jongen? De frisheid van de zee, de uitgestrektheid, de vrijheid op zee. De indrukken die de zee op z'n zintuigen maakte, waren sterker dan 't ‘ding’-idee. 't Lidw. 'n, dat 't ‘ding’-idee uitdrukt, bleef weg.

Ary Prins schrijft: De zon (kijk, dat vat ie op als 'n ding: de zon) in krans (dat betreft maar lichteffekten van die zon: geen lidw.) van koudlichtflitsen.... bol (dat is maar de vorm van die zon: geen lidw.) in 'n lucht enz. Een man (opgevat als 'n ding) met hand (dat hoort bij de tekening van die man) door wit omwonden enz. (Tweem. Tijdschr. I ‘In Rusland’.) In plaats van ‘wit’ had de auteur nog kunnen schrijven ‘iets wits’, ook 'n schilderende uitdrukking voor 'n zwachtel. Maar neen, hij moet hier niets van 't idee ‘zelfstandigheid’ hebben; hij wil geen ‘ding’ om die hand zien, alleen de kleur wit, die als 'n lichte plek helder afsteekt tegen de donkere kleur van de kleding. A. Prins is dikwels in die stemming. 't Is of ie z'n verstandsoog dat de dingen ook als dingen wil zien, sluit om alleen met z'n lichamelike ogen te kijken. Z'n zinnelike voorstellingen zijn abnormaal levendig. 't Realisme dat alleen in de werkelikheid 't materiaal voor z'n kunst zocht, bracht dat soms mee.

[p. 138]

33. Nu zouen we over de definitie van 't lidw. gesproken hebben en we hebben 't gehad over aanw. vnw., bez. vnw., lidw. en telwoorden. Zo leert men ook de mensen het beste kennen in hun omgeving, bij verwanten en kennissen. We hebben alleen sprekende gevallen behandeld, maar talrijk zijn de gevallen, waarin de verschillende betekenissen van die of de en 'n of een ineenlopen. Daarom is ook niet altijd precies te zeggen of een 'n telw. of 'n lidw. is. Als we is helemaal niets meer te doen hebben, zullen we op die kwestie verder ingaan. Onthoud nu maar dit: Als men op een 'n klemtoonteken schrijft, dan is 't 'n telwoord, anders 'n lidw. Als er 'n partitieve genitief op volgt, dan heet 't in jullie spraakkunst 'n onbep. vnw. En als ik ‘een’ afzonderlik zeg, en er dan hard op druk, dan is dat 'n teken, dat ik wil hebben, dat je ‘telwoord’ zegt.

 

Aanvulling. Aan 't slot van § 7 gelieve men in te lassen: Als men van deze vokatieven die of de weglaat, dan kan de hoorder zelf zich die ongunstige termen aantrekken. De (of die) is hier dus tegelijk 'n middel om tweede en derde persoon te onderscheiden. De derde persoon is 'n meer of minder afwezige en zo kon die, dat plaatsbetrekking aangeeft, voor die funktie om te onderscheiden, in aanmerking komen.

Ph. J. Simons.

1)Vgl. ‘met 'n lamme hand kan men niet schrijven’ (ding-idee) en ‘met sierlike hand geschreven’ (hoedanigheids-idee) ‘met 'n kromme rug’ (ding-idee) en ‘met gekromde rug’ (=slaafs: hoedanigheids-idee) ‘iemand met 'n zwakke borst’ en ‘uit volle borst zingen’; met vroom gemoed, met kloppend hart, met gebogen hoofd, al die uitdrukkingen zonder lidw. hebben 'n zwak ding-idee en 'n sterk hoedanigheidsidee.
2)De gen. betr. kan aan 'n zelfstandigheid nieuwe biezonderheden geven: veel dingen die van mijn kamer gelden, kunnen niet van 'n kamer in 't algemeen gezegd worden. Daardoor wordt de kans op betekeniswijziging waarbij een biezonderheid naar voren schuift en de hoofdbetekenis wordt, groter. Daaruit besloot ik dat uitdrukkingen met 't bep. lidw., dat òok gen. betr. uitdrukt, 't meest aan betekeniswijziging blootstonden. Ik nam de proef met de uitdrukkingeverzameling van Dr. Stoett (kleine uitgaaf). M'n leerlingen, die niet wisten waar 't eigenlik om ging, vonden in die verzameling 547 bep. lidw. en 297 onbep. Uit deze ongekontroleerde statistiek durven we natuurlik zo maar geen konklusie te trekken.
1)Op dit geval was Dr. de Vooys zo goed me te wijzen.
prepostterug  begin  verder