terug  begin  verderprepost
[p. 113]

Opmerkingen bij Coornhert's ‘Beatus ille’.

I.

Wie van Vondels rijmloze vertaling van Horatius' lierzangen, - de Oden worden door hem ‘Zangen’, de Epoden ‘Toezangen’ genoemd, - de twede ‘Toezang’ opslaat,

 

‘Geluckigh is hij, die verre van alle handeling, gelyck de eerste werelt, de vaderlijcke ackers met zijne eigene ossen ploeght, die vrij van allen woecker is, en niet, als de soldaat, door de moorttrompet geweckt wort; die oock niet voor de verbolge zee yst; de vierschaar en hoovaardige poorten der rijcke fockeren schuwt; den hoogen populier aen den volwassen wijngaert huwt, en onnutte rancken met zijn snoeimes afsnijdende, vruchtbaerder enten daer op zet; of in een boghtigh dal zijn loeijende koeien dwaelen ziet,....’

 

zal beginnen z'n oren te spitsen, en zich afvragen, waar hij dergelijke trekken elders zal hebben gehoord, en zich bijtijds herinnerende, wat Poot in z'n ‘Akkerleven’ als een wellust bezong:

 
Of syn gladde mellekkoeien
 
Even lustigh, even bly,
 
Onder 't grazen, van ter zy
 
In een boghtigh dal hoort loeyen, (3de strofe).

zal hij, doorgaande met Vondels beschrijving:

 

‘... of gepijnden honigh in zuivere kruicken giet, of de teere schapen scheert; of.... zich verheught met ge-ente peeren te plucken, en druiven, die....’

 

of, even verder:

 

‘... lust het hem onder eenen ouden galnotenboom te leggen, nu in het lange gras: terwijl het water van de steile klippen afschiet. De vogels tierelieren en de bronnen ruischen met vlietende beecken: waer door hy gemackelyck in slaap valt,’

 

telkens deze toetsjes weer in Poots arbeid terug kunnen vinden; hij ontmoet er het

[p. 114]
 
Appels enten, peereplucken,
 
. . . . . . . . . . .
 
Schaepenscheeren, . . . .

ook:

 
Hemelwaerde wyngertrancken
 
Vullen dan met wyn syn' ton.

of, omtrent die duttende boer in z'n rustieke omgeving:

 
Want des zomers, na veel zwierens,
 
Neemt hij, om zich goed te doen
 
Onder 't loof een slaepje in 't groen.
 
Daer de vogels tierelieren,
 
Daer een levendige vliet
 
Van de steile rotsen schiet.

Om niet te spreken, van wat we ongemerkt passeerden, maar wat nu, al lezende, voor en na, onder onze aandacht valt. Zo bij Vondel ‘het schuwen van de vierschaar,’ wat bij Poot wordt: Laet de drokke pleitzael woelen | Menigh vreezen, dat de schael | Van de vierschaer ryze of dael' | Voor de strenge rechterstoelen, enz. De ‘vaderlycke ackers’, en de ‘eigene ossen’, die berijmd zijn in de overbekende strofe: Als een boer zijn hygende ossen | 't Glimpend kouter door de klont | Van syn erffelyken gront | Voort ziet trekken, enz.

En dan van 't ‘jagen’ en 't ‘vissen’, en de ‘kinders en zijn wijf’ en van wat verder nog in 't ‘Akkerleven’ voorkomt en niet allemaal uit te zoeken is.

 

Nu kan de lezer de vraag stellen: Ei zo, is dit nu alles ‘ontleend’? En evenzeer kan het antwoord gegeven worden: Eerlik gesproken, ja; dit alles is on-oorspronkelik werk en aan het voorbeeld ontleend. Maar Poot was de enigste niet. Grotere geesten dan hij hadden reeds precies hetzelfde gedaan, en zouden na hem nogmaals hetzelfde doen. Bij alle volken en in alle eeuwen is er op die wijze ‘overgenomen’. De lijst kon 10 maal groter zijn. Doch wij wijzen op enkele illustre voorbeelden. We noemen Ronsard, Du Bellay, Boileau, Rousseau, Hugo en Musset in Frankrijk, Opitz, Gottssched, Hagedorn, Klopstock, Wieland, Herder, Schiller tot Hölderlin in Duitschland; in Engeland een reeks, die bij Milton begint en over Dryden, Corvley en Pope voortloopt tot Byron; in Italië namen als van

[p. 115]

Petrarca, Dante, Ariosto, Sannazaro, Tasso, Testi en Foscolo. Wat dit alles bewijst? Dat in de werken van honderden auters herinneringen worden gewekt aan de gedichten van Horatius. Zeer waar, nu en dan, zoals in de 16e en 17e eeuw bij de Westerse volken, dienden z'n kernachtige en op eeuwig-menselike bodem staande uitspraken tot sieraad, om aan de verzen zijner bewonderaars het cachet van achtbaarheid of geleerdheid te geven. Doch later, en vooral van Klopstocks tijden af, waren het niet langer de vormen en de woorden, maar veelmeer de geest van z'n werk en 't wezen van z'n poëzie, die in te dringen begonnen in de geest van hen die hem lazen en in de dichterziel van hen, die hem herkenden en bewonderden. Het ene bij het andere heeft bewerkt, dat Horatius het gemeengoed is geworden van de moderne volken. En nu moge men aan de ene kant betreuren, dat in de genoemde 16e en 17e eeuw, waarin de Renaissance de heerschappij over de geesten overdroeg aan de cultuur der Oude Wereld, vele natuurlike loten van eigen nationaal leven en nationale poëzie onder de exotiese kunstteelt werden verstikt, er valt naast dit tekort evenzeer een belangrijke winst te boeken. Vooreerst hebben de metriese vormen van deze bij allen geliefde lyriese zanger de poëzie beoefenende geesten tot de grootst mogelike inspanning geprikkeld, wat van een niet af te meten betekenis is geweest voor de daardoor noodwendig geworden uitbuiting en naarstige beoefening van het nationaal idioom dezer zangers. En wat wellicht nog meer zegt, de fijnbeschaafde geest van de hoogstaande Romeinse poeët heeft z'n veredelende invloed uitgeoefend op het artistieke kunstbegrip in z'n volledigste zin; het fijne samenstel van Horatius' lyriek leerde z'n beoefenaars de harmonie vinden tussen de vorm en de inhoud, tussen de maat der voeten en de stemming van de geest; en het gevolg is geweest, dat hij door het voorbeeld zijner scheppingen zijn beste verstaanders tot het voortbrengen van gelijkgeaarde lierzangen van de zelfde organiese volkomenheid heeft vermogen op te wekken.

 

En nu nog, niet gewonnen lezer, over het ‘stelen’. En daarbij denken we nu ditmaal niet aan het oneindig vele malen vertalen van Horatius in proza en poëzie, 't zij op z'n half-Middeleeuws, in rijmelarij met tussenzetsels van hele regels lapwerk, 't zij op de manier, als moderner geesten deden, rakelings gaande langs de woorden van de oorspronkelike tekst heen, en daardoor een veel inspannender en veel hoger staande arbeid. Waar wij het nu over hebben, geldt de talrijke reminiscenties in de gezamenlike litteratuur, die aan Horatius doen denken; aan de omwerkingen, de navolgingen, die de

[p. 116]

verdenkingen oproepen, als zou een auteur, met half bedekte en half openlike plunderingen uit de schatten van de Epistelen, de Satyren, en van de Oden vooral, zich laten voorstaan, met eigen werk voor den dag te komen. En wat wou men nu zeggen? Zal men in de eerste plaats toegeven, dat al het opsporen van paralellen tussen Klopstock en Horatius, Ronsard of Pope en Horatius daarom een verdienstelik werk zou zijn, omdat zulk een onderzoek leren kan, in hoeverre een modern dichter oorspronkelik mag worden genoemd, om te onderscheiden wat van hem is en wat niet van hem is, en wat eerlikheidshalve, als een eenmaal geschonken lauwerblad wèl, en wat niet in z'n erekrans z'n plaats mag behouden? Voorwaar, met zulk een doel voor ogen zouden dergelijke vergelijkingen weinig waarde hebben. Wat erger is, ze zouden voet geven aan averechtse opvattingen. Want onbillik zou het zijn, het oog te sluiten voor het verschijnsel, dat zich op verschillende, en zelfs eeuwen van elkaar verwijderde tijden dezelfde stemmingen en dezelfde kunstrichtingen kunnen openbaren; ja, dat onafhankelik van de een of andere kringloop in het cultuurleven der volken, onafhankelik zelfs van het opmerkelik feit, dat twee op de grootst mogelike afstand van plaats en tijd van elkaar verwijderde geesten, niet alleen wat hun innerlik leven, maar ook wat hun temperament, bij totaal dezelfde voorwaarden van in- of uitwendige beroering betreft, volmaakt de gelijkaardige producten kunnen zijn van de overeenkomstige factoren, dan blijft ook nog altijd het zielkundig verschijnsel ons verrassen, dat we, ook in onze beste ogenblikken, woorden aan onze pen zien ontvloeien, die onze geest zelf niet in staat is met eigen-bewuste woorden te achterhalen. Vele vragen dringen zich hierhij op; onder meer, wat toch eigenlik de mens uit zich zelf heeft, daar van zijn geboorte af de wereld op hem in gaat werken! En ook als we ons bepalen bij het talent van de schrijver: Naast hij niet wat hij kan en woekert hij niet met wat z'n eigendom is geworden? Goethe zei reeds: ‘Wat mogen we anders ons eigen noemen dan de energie, de kracht, de wil!’ En Heine verklaart kortweg: ‘In de kunst bestaat geen zesde gebod; de dichter mag overal grijpen, waar hij materiaal vindt; en ganse zuilen met fraaibewerkte kapitelenkronen mag hij zich toeëigenen, zo maar de tempel, waaraan ze tot steun verstrekken, een heerlik bouwwerk wordt.’

 

Hoe is dit nu het geval bij Poot?

Immers, als een bouwwerk tot opgetogenheid zal stemmen, dan moeten de tempelwanden en de zuilenrijen, in grondstof en in bewerking, in vorm en in afmeting, tot één ongestoorde harmonie

[p. 117]

geworden zijn. En evenzeer, als iemand het zoet van 't landleven wil beschrijven, en voor z'n hoorders de werkzaamheden en de genoegens, die het landleven hem bereidt, in dankbare zelfgenoegzaamheid optelt, dan dient hij zich bij z'n opnoeming ook te houden aan de dingen, die in dit levensbeeld tot één logiese werkelikheid zijn geworden; want ook in het landleven zijn volgens een natuurlik proces, de bezigheden, de beslommeringen die ze geven, en de genoegens, die er uit voortvloeien, tot één organies bestaan samengegroeid. Zulk een beschrijving zou dus in geen geval toevoegsels mogen bevatten, die onmiddellik de indruk geven, dat de verhaler zich bij z'n schildering heeft laten afleiden door voorstellingen, die in z'n totaalbeeld niet passen, en die b.v. op toestanden wijzen, die hij zelf niet beleefd heeft, maar die, onder andere geografiese of klimatologiese voorwaarden, wellicht elders door anderen beleefd zouden kunnen worden. Bij Poot nu, vindt men, naast vele wel-doorleefde, ook niet-beleefde ervaringen. Als de dichter zich vermaakt met het ‘peeren plukken’, dat hij als landman jaarliks doet, zien we hem geheel binnen het kader van het Hollandse levensbeeld, dat hij gaat ontwerpen; het ‘appels enten’, het ‘uiers drukken’, het maaien, het uitrusten in de schaduw, het zitten aan de winterhaard, de tijdkortingen in z'n gezinsleven, aanvaarden we als het wezenlike en kenschetsend materiaal voor de opbouw van z'n in beeld gebrachte werkelikheid, ook al mogen vóór hem Horatius en honderd anderen deze en dergelijke trekken van het boereleven in dicht en ondicht bezongen hebben. Zelfs zou men er vrede mee kunnen hebben, als de Abtswouder bouwman zich bij z'n arbeid van ploegossen, in plaats van werkpaarden bedient; en dat hij in de vroegte van den morgen nu en dan ‘vliegend wild’ in z'n netten vangt: een lief hebberij nochtans, waarmee hier de koren- en veeboeren zich al bitter weinig plegen in te laten. Maar hiermee zijn wij ook op de grens van de werkelikheid. Doch als die zelfde landman ‘druiven’ perst tot ‘most’; als hij z'n runderen laat weiden in een ‘bogtig dal’; als hij indommelt aan de rand van ‘hoge bossen’, en in de nabijheid van ‘klare bronnen’, terwijl het water huppelt van ‘steile rotsen’, dan heeft zich voor het echte beeld van 't Hollandse landschap een film geschoven, welke genomen werd van het Latijnse provincieleven ergens bij Tivoli of elders anders in de vóórbergen der Appenijnen; dan is de werkelikheid, al is het dan ook bij kleine tussenpozen, onderbroken door niet reële beelden; men zou kunnen zeggen, dat het dichtstuk niet overal harmonieert, of, om bij de spreektrant van Heine te blijven, dat het bouwwerk kapitelen vertoont, die door hun,

[p. 118]

van de grondgedachte van 't geheel afwijkende motieven, al te zeer het opvallend kenmerk van hun ‘ontleende’ herkomst tentoonstellen.

Doch zo tijden, zo zeden. Poot behoort tot de Renaissance, en juist een van de kenmerkende eigenschappen van de Renaissance is haar zucht geweest, om eigen scheppingen te versieren met een elders gevonden dekoratieve kunst.

Of dit al of niet gepast of geoorloofd was, - een vraag, die in de 19de eeuw heel druk is gesteld geworden, - daar bleef men buiten; de Renaissance had, evenmin als de Middeleeuwen, enig besef van litterair eigendom; meer nog, terwijl de Middeleeuwse wijze van naasten van rijp en groen gedragen werd door een, wel naïeve, maar dan toch grootse, en altans onpersoonlike kultuuropvatting, lieten de Renaissance-poëten hun zelf bewust pronken met een andermans veren maar al te veel strekken tot hun eigen verheffing. De doorluchtigste van deze nieuwe mannen zijn allesdurvende en roemdragende roverkoningen geweest. Ze kaapten, wat ze wilden. Het was hun taak en hun trots. Zij dichters, hadden de opdracht het verleden als een erfdeel aan de toekomst te legateren. Zij, legden daarmee de grondslagen van de opbouw ener nationale kunst. Veel is er, onder deze leus, onder geestdriftig volgen der ouden, en 't koesteren van eigen roem, te pas en te onpas soms, de onmondige Westerse wereld op dit en andere terreinen, binnengedragen. Maar zo dit een verwijt mocht zijn, hun, 16e en 17e-eeuwers treft het niet alleen. Wat de zo zeer smalende 19e eeuw op haar beurt, in onze vaderlandse bouwkunst, en dan nog welbewust, met een betekenisvolle overdracht, te werk heeft menen te moeten stellen, - men sla het oog op onze regerings- en rechtsgebouwen: de zo sterk tekenende comitia en praetoria van een op nieuwe Frans-Romeinse codices gevestigde magistratuur.

II.

Poots ‘Akkerleven’ is een vrije, berijmde bewerking; Vondels ‘IIe Toezang’ een trouwe proza-vertaling. Trouw, omdat hij woord voor woord de betekenis van de zin weer tracht te geven. Dit wil niet zeggen, dat een vertaler nooit zou falen in 't bepalen van de betekenis van een woord of uitdrukking. Dan is de zin niet altijd ‘juist’; niettemin blijft de vertaling ‘getrouw’. Wie daarentegen ‘vrij bewerkt’, heeft geheel andere plichten, dan toe te geven aan de eis, als zou hij moeten laten horen, of hij de zin der woorden één voor één duidelik heeft verstaan. Hij houdt zich onverplicht aan 't gevonden woord, en kan in dit opzicht toegeeflik voor zich zelve

[p. 119]

zijn. Doch waar hij zich op z'n beurt aan te houden heeft, is de eis, dat hij zich toe moet leggen op het leveren van een organies geheel, als een ‘eigen’ werk, dat weliswaar van de geest van een zeker auteur of dichtstuk doordrongen mag zijn, maar onafhankelik van die geest- of gedachteverwantschap, de stemming, de ziel van de conceptie als geheel, woord voor woord terug moet spiegelen. Nu is niet de kunst het trouwe volgen, maar het sterke concentreren en het fijne construeren. De trouw aan 't model is geworden de gehoorzaamheid aan zich zelf.

Tussen de trouwe vertaling van Vondel en de vrije navolging van Poot ligt Coornherts berijmde vertolking.1) Dit is dus een vertaling en tevens een gedicht. Is de vertaling getrouw? - Geensins. - Uit gebrek aan een goed inzicht in de tekst? Evenmin. - De afwijking geschiedde moedwillig. En dit gebeurde niet uit een kwalik begrepen inzicht, dat de auteur beter werk dacht te kunnen leveren dan Horatius. Coornhert was een man die even goed z'n eigen plaats als die van Horatius kende. Maar de bezwaren, die hij bij zich zelf liet gelden, om hier en daar z'n trouw aan Horatius te verzaken, bleven er niet minder gewichtig om. Misschien drukken we deze gemoedsbezwaren het beste uit, met te zeggen, dat Horatius een Heiden was, en Coornhert een goed en streng-zedelik Christen. En dit neemt niets weg van het feit, dat ook Coornhert in de gelederen stond van hen, die ijverig de geschriften van die Heidense Ouden navolgden. Hij ook is een der eersten van onze Renaissancemannen. Maar ook dit Renaissance-zijn wees hem de weg, die hem van 't Heidendom verwijderde. Door studie en inzicht, door vrijheid van blik vooral ‘los’ geworsteld van z'n modellen, heeft hij z'n ‘onafhankelikheid’ voelen groeien, zodra hij, ook toen hij aan 't werk teeg Horatius in gebonden spreekvorm terug te geven, zich z'n geconcentreerd gevoelsleven en z'n hogere stemmingssfeer bewust werd, en hij in z'n geestverheffing te helderder het diepst van z'n wezen herkende. En in het diepst van z'n wezen was Coornhert de reine

[p. 120]

ethicus met het liefdevolle hart van de Christen-filantroop, die 't eenvoudige kleed van de gepaste armoe liever zou dragen dan 't rijke gewaad van de zorgeloos levende gegoede man; die voor zich zelf geen ander ideaal begeerde dan te wandelen in de voetstappen van de Zoon des Mensen, maar daarnaast zich geroepen voelde, om den volke, in voorbeeld en in geschrifte, te verkondigen, hoe men zich de gemoedrust kon verzekeren, door 's werelds schijnvreugden en schijngoederen te verzaken, en de geest te sterken tegen de vreze voor de dag des Oordeels: - kortom, de moraliserende asceet, 16e eeuwer weliswaar, maar de lijnrechte afstammeling van een Middeleeuwse nationaal-gevoelende ethies-didactiese groep.

En heeft deze man, - vraagt de lezer allicht, - zich willen bezig houden, met Horatius aan te bieden aan z'n gelovig, goed-Christelik en al wat Heidens was, verre wegwerpend volk?

Ja, dat heeft hij. Maar, - 't was de Twede Epode.

 

Maar wie was dan Horatius?

De zanger van de ‘Oden’ is de zanger van de liefde en de vriendschap, van de genoegens van 't leven, en van de afwisselingen, die de bedrijvigheid van een rumoerige wereldstad aan de zinnen biedt. In zoverre onderscheiden de Oden zich van de ‘Satyrae’ en de ‘Epistulae’, die een ernstiger materie behandelen, in dier voege, dat deze ingaan op de zedelike toestanden van z'n omgeving, en de vele en veelsoortige praktijken aanroeren, waarvan de grote massa, in een samenleving van een twijfelachtig gehalte, zich in de grote wedloop naar eer, vorm en stoffelike middelen, bedient. In 't vertonen evenwel van deze beeldenreeksen van Romeins leven, blijft Horatius zelve het middelpunt; al die gebeurtenissen trekken zich samen in zijn geest, laten zijn innerlik er zich in spiegelen en dragen het wezen van z'n persoonlikheid in zich mee. Zo vertoont zich in z'n poëzie de geestesrichting van een man, die, gevoed met de wijsbegeerte van griekse denkers en dichters, en die, gevormd in de harde school van een veelbewogen leven, nu eens vervolgd, dan weer als een vorst gevierd, ten slotte tot een vaste bestemming gekomen, ook in z'n binnenste tot een evenwichtige rust is geraakt, en tot een kalmer leven gekeerd, met zelfbewuste kennis van z'n innerlike gesteldheid, in staat, en welwillend bereid is, zoo de wereld moeite wil doen om hem aan te horen, haar zijn voor praktiese doeleinden dienstige levensmoraal, aan te bieden. Deze moraal nu, is niet geheel zonder bedenking; ze is namelik niet veel meer dan de uitspraak van een welbegrepen eigenbelang. Ze is niet van een kracht, om aan een geheel leven

[p. 121]

een vaste richting te geven, maar veeleer een soort opportunisme, dat tracht aan te geven, wat in dit of dat geval het beste zou zijn, om zich en anderen de minste last te veroorzaken, en is dus meer wereldwijs dan beginselvast. Zulk een wijze van beschouwen, die eerst zich zelf in 't oog houdt, kan zich niet koersen op de deugd als zodanig als doel; wel kan ze deugd als middel in 't oog vatten, om een doel te bereiken. Feitelik wordt door zulke niet de vraag gesteld: hoe zoek ik het goede, - maar de vraag: hoe ontkom ik het kwade; hoe reken ik op een voorzichtige manier uit, volgens welke gedragslijn, ik, tussen de uitersten door, een gemakkelike en behoorlik ruime uitweg voor mezelve vrijhoud. Van zelf heeft iemand, die zo redeneert, geen zin in opofferingen zijnerzijds; maar zoveel te meer aandacht voor de manier, waarop hij van de voorrechten die 't leven aanbiedt, gebruik kan maken; zo iemand heeft niets te zeggen tot hen, die van alle middelen ontbloot, in zak en asse in het moeras van hun ellende blijven steken; hoogstens zal hij leren, dat het ten slotte nog wijsheid is, wanneer men, bij 't bekomen van 't minste deel, zich tracht te vergenoegen met wat het tegenwoordige geeft. In elk geval is de gegeven levenswijsheid zo sterk geconcentreerd op eigen welzijn, dat ze zelfs het verlies van de gelijkmoedigheid van geest als een ramp aanmerkt en de noden van de samenleving en de behoeften van het vaderland terug laat wijken voor het zorgvuldig gekoesterde gevoel van een passieve voldaanheid met het bescheiden deel. Voor een dergelijke moraal is maar één verontschuldiging, n.l. deze, dat ze Romeins is, en dat ze, - we zeggen niet noodwendig, maar dan toch op verklaarbare wijze, van de bovenbeschreven egoïstiese natuur heeft moeten worden. Het plichtgevoel ener strenge zedelikheid moet al zeer sterk zijn, zo het niet gedragen wordt door de religieuse idee van een gemeenschap, of wel, door het zedelik bewustzijn van een in religiesferen opgevoede maatschappij; en dat dit besef van zedelike plichten tegenover de gemeenschap te hebben, in het toenmalige Rome niet krachtig kon zijn, komt ons niet moeielik voor in te denken, wanneer we op de algemeene vermoeidheid en zatheid in de dagen van 't Keizerrijk na de grote evolutiën der burgeroorlogen, letten, en de zelftucht en kracht van de Romeinse geest snel en zichtbaar zien verslappen. Horatius nu was zulk een Romein, ofschoon een van de besten, die ondanks z'n betrekkelik wufte moraal, een diepe blik had op de roerselen en drijfveren van 't menselik hart, en op het beklagenswaardige in de noden en de worstelingen van het zo moeitevol voortgesleepte menselik leven.

 

Deze Horatius nu werd omstreeks het midden van de 16e eeuw,

[p. 122]

bij 't opleven van de Antieken op de bodem van het Westers-Europa, weer in z'n oude litteraire roem hersteld. De aandrang begon in Frankrijk, door de opkomst van de ‘Plejaden’ een zevental dichters, die, onder de bescherming van Katharina van Medicis, geestdriftig de handen ineensloegen, om door de verzustering van de nationale met de antieke litteratuur, de franse taal en poëzie te zuiveren, te verfijnen en tot de hoogste volmaking te brengen. Frankrijk was er het aangewezen land voor; de meeste Horatius-handschriften waren daar bewaard gebleven; de Franse geest bovendien paste het beste aan bij de Romeinse geest. En inzonderheid destijds. Nergens dan daar was het nationaal bewustzijn zo sterk; over een polietiek krachtig en economies welvarend volk regeerde een hoog-beschaafd vorstengeslacht met een koninklike geest en ongewone begaafdheden; naar dit hof werden de schitterendste talenten getrokken; een roemrijke en fiere adel leidde er, bestraald door de glans van een kunstvolle pracht, en een roemvolle geleerdheid, een weids en feestelik bestaan. Hier heerste een ongekende zin voor alle wetenschappen en kunsten, een oor en een oog voor vormenschoon als slechts door enkele Italiaanse hoven werd geëvenaard. Het was dit geslacht van geestelik hoogstaande mannen, dat zich, met talent en met liefde, wierp op de meest kenmerkende auteur van de hoog-beschaafde samenleving in 't Romeinse Keizerrijk. En zowaar, dat wat in Horatius het meest onmiddellik, in de ontboezeming, de hulde, de toewijding, de ode, de behagelike en feestelike zijde van het leven beroerde, ‘Wein, Weib und Gesang’, dat zelfde, klonk ook weer in de liederen van de voormannen der Nieuwe beweging, in de zangen van Du Bellay en Ronsard. Dit was navolging, zeker, maar uit een verwantschap, waarvan de ware natuur onmogelik te lochenen valt. Ook zij, de Plejaden, roemen hun vaderland, omdat het groot van roem en machtig in z'n daden is. Ook zij vereren hun koningen en hun beschermers, omdat zij zingen mogen onder de schaduw hunner hoge daken. Ook zij smalen op de Britten, de erfvijanden, zoals het Horatius deed op de Parthen en de Iberieërs. Wel doen zij meer, en met duidelik uitgesproken theoretiese zin, en praktiese verstrekkende resultaten.1)

[p. 123]

Maar zo ze zich dichter voelen, vrij en onafhankelik, zingen zij bij voorkeur hun zangen van levensgenot, van de vrouwen, de vriendschap, en van de onvergankelijke dichterroem.

Wat Du Bellay en Ronsard, de voormannen van de ‘Plejade’ in Frankrijk doen, volvoeren Weckherlin en Opitz in Duitsland. Ook zij zijn warme vereerders en navolgers van hun Latijnse meester, en Opitz geeft in z'n ‘Poetery’ (1624), evenals Du Bellay, ook voor een nieuw-Duitse school z'n opzienbarend program. Ook hij bejaagt een nationaal doel; ook hij wil z'n voordeel doen met de modellen der Ouden, om de verwaarloosde en onbeholpen geworden duitse poëzie te louteren en ze tot die hoogte op te voeren, die de Italianen en Fransen bezig waren, of altans beloofden te zullen bereiken; ook hij, doet een beroep op de edelsten des lands, om niet langer zich blind te staren op de Antieken alleen, maar ook vertrouwen te stellen in de vermogens van hun eigen taal. Maar hoe opmerkelijk! Terwijl de Humanisten in Frankrijk, vol trots en vermetele moed, de beker opheffen, en nooit moe worden in schier speelse brooddronkenheid de wijn, de min en de poëzie te loven, wordt Opitz aangetrokken door de levenswijsheid en de berusting in de Satyren en Epistelen, en is het Horatius' passieve moraal en z'n in schone spreuken verstoken ernst, welke de Duitse hoofdman aan de beoefening van deze Meester bindt. Wat kon toch hij een vaderland prijzen, dat verscheurd lag door een allesverwoestende polietieke en godsdienst-oorlog; wat kon hij een koning roemen, waar alle gezag verbroken was; wat kon hij van levensgenot zingen, waar uit alle dorpen en steden het noodgeschrei zich ten hemel verhief! Somber was de duitse horizon en diep ernstig het gemoed van de duitse dichter. Wie weet wat voor opgewekte, vurige levenslust ook de oden van deze eergierige, fijnbeschaafde en plooibare jongeling zou hebben doortrild, wanneer ook hij had kunnen neerzitten in de schaduw van een troon, zingende van een vredevorst, die de heirscharen der oprukkende vijanden had teruggeslagen, en de macht van z'n tegenstrevers binnen z'n rijk had gefnuikt!

 

Wat voor invloed het lot van een volk kan hebben op de stemming, die zich in de onverbloemde uitingen van het diepere geestesleven openbaart, blijkt wel uit onze eigen historie, omtrent de tijd van de vestiging der Republiek. Wij, die op een afstand van drie à vier eeuwen van die wordingstijd staan, en meer gewoon zijn ons te verblijden over een uitkomst, die een uitwendige ommekeer deed zien, dan ons in te denken in een worsteling, die een duister gistings-

[p. 124]

proces verborg, kunnen ternauwernood beseffen, hoe de onenigheden dier tijden, de twijfelingen, de onvastheid der leidende meningen, en de wankelbaarheid der overheidsmachten de harten met bekommering en vertwijfeling hebben vervuld. Bijna nergens was het doenlik, de financieën en het rechtswezen behoorlik te handhaven, laat staan, om nieuwgetroffen regelingen met krachtige hand in te voeren; de oorlogstoestand, die op de ene plaats de macht verslapte, maakte elders diefstal en afpersing mogelik onder de vlag van het krijgsrecht; en de zwakheid van 't bewind moest personen en zaken ontzien, om in kleiner kring de zo onontbeerlik geworden lieve vrede te kunnen bewaren. Daarbij verkeerde men steeds in 't onzekere, wat de toekomst brengen zou. Ook nog, toen de Nederlandse vrijstaat gevestigd scheen, brachten de heilloze twisten tijdens 't Bestand een herhaling van wat men vroeger tientallen jaren beleefd had, terwijl eenzelfde onzekerheid de geesten als met verlamming sloeg. Dat land en volk er ten slotte boven op kwamen, geschiedde hierdoor, dat enkele voormannen wisten te behouden, wat er te houden viel, en vooral, dat zij over de fondsen beschikten, die hen in staat stelden, zich, op welke wijze dan ook, de beslissende stemmen in 't kapittel, en bij de uitvoering, de nodige manschappen en weermiddelen te verschaffen. Want geld, zeer veel geld leverden de buitengewone krijgslasten; de landzaat prospereerde in de weldra van vijanden gezuiverde dorpen en steden. Hoe veel dit wil zeggen, waar in de staatkundige ontwikkeling van een volk, een vaste lijn onzichtbaar blijft, kunnen wij zelf het beste weten, die leven in een tijd, waarin gelukkig, geen fiscale onregelmatigheden of verkeerde rechtspraktijken ons gemoed verstoren, maar we dan toch wel, een ‘beginselen’-spel als regerings-‘vorm’ het karakter van het regeringsbeleid in gevaar zien brengen, terwijl ondanks deze onzekere toestand land en volk stoffelik snel vooruitgaan, en tevens, meer dan ooit in onze historie, in de ontwikkeling van het maatschappelik en intellektueel bestaan van de brede volkslaag, een ongewone stijging valt waar te nemen. Wat deze tijden mede duidelik laten zien, is, dat met zulk een stoffelike prosperieteit, wel verre dat ze aanleiding zou geven tot een luchthartiger opvatting van het leven, zich zeer goed laat verenigen een neiging tot het ingaan op vraagstukken, die de oorsprong, het wezen en de bestemming van de mens betreffen. Welnu, in het tijdperk tussen 1550 en 1600 was dit ook, en zelfs veel meer dan in deze dagen, het geval. De diepgaande geloofsverschillen toentertijd leidden een betrekkelik brede laag van denkende geesten tot een rusteloos onderzoek van al wat door de Christelike kerkvaders

[p. 125]

en zelfs vóór hun tijd, door de Heidense wijsgeren, over de verhouding van de mens tot het Opperwezen, over de onsterfelikheid van de ziel, en over de grondbeginselen van deugd, levensplichten en mensenliefde, geleraard was, om in al deze oude geschriften een steun te zoeken voor eigen meningen, of wel, om in de vermoeiende strijd dier meningen, zich zelf een vaste geloofs- en levenslijn voor te schrijven. Nu bieden de geschriften der Antieken, waarin zich natuurlikerwijze niet alleen het ernstige denken, maar heel de levensbeschouwing en tevens het ganse leven in z'n vele en bonte vormen afspiegelt, een rijke verscheidenheid van ernst en luim, van verheven gedachten en aanschouwelik leven. Maar niet alles was even welkom. Het meest er in behaagde wat de strekking van het onderzoek kon dienen. En zo zocht men dan bij de Latijnse, en zo mogelik bij de Griekse, dichters en schrijvers, allereerst naar de ernstige leringen, naar de spreuken vol levenswijsheid, naar hun beschouwingen over het wezen van de mens, over 't Goddelik beleid, over de voorwaarden van ons geluk, en over onze houding tegenover de dood.

Een van die zoekers in de geschriften der Ouden is ook Dirk Volkertszoon Coornhert, die de Stoa zocht te verzoenen met het Christendom, de Oudheid met de Bijbel, die het praktiese leven als een door wijsgerige kunst bewandelde weg wilde beschouwd zien, welke kunst van wel te leven haar beginsel en doel in zich zelve zou vinden, en die tot zulk een harmoniese volmaaktheid moest worden gebracht, dat het verlies van alle tijdelike have, ja zelfs het afsterven van geliefde panden, met kalme berusting kon worden gedragen; kortom, waarin elke teleurstelling, die zonder de steun van z'n leer, op het menselik hart met bekommering zou drukken, door de oefening van z'n levenskunst een soort toets zou worden, waarop de door droefheidsnevelen aangeslagen geest zich zelf weer onbekommerd sterk en als rein in haar beginsel staande, zou herkennen. En deze man, zeiden we reeds, zou de dichterlike vertaling van Horatius' 2e Epode op zich nemen.

(Wordt vervolgd).

J.K.

1)Wij wijzen hier nog op een berijmde parafraze van de ‘Beatus ille’ (Bauw-heers Wel-leven), in Den Nederduytschen Helicon, p. 233, door een onbekende, die echter sterk-sprekende karaktertrekken gemeen heeft met H.L. Spieghel. Altans het is zijn taal, zijn levensblik, zijn eenvoud-predikend ascetisme, zijn afkeer van ‘kercken-twist’ en waan-geloof. Daardoor is het een typies-nationaal stuk geworden. De stof is meesterlik beheerst, geheel zelfstandig verdeeld en verbonden, en moraliserend uitgewerkt. In dit opstel echter, kon, tot schade van het geheel, een bredere karakteristiek geen plaats vinden.
1)Grandichan vertaalt de Ars Poëtica (1541), eveneens Peletier (1545); in 1549 verscheen de ‘Deffenze et illustration de la langue françoise’, het manifest van de ‘Pléjade’; in 1549 verliet de vertaling van de ‘Satyrae’ en ‘Epistulae’ (door Habert) de pers, en in 1579 die van de Oden door Mondot. Vgl. E. Stemplinger. Das Fortleben der Horarischen Lyrik seit der Renaissance, Leipzig, 1906.
prepostterug  begin  verder