terug  begin  verderprepost
[p. 108]

Uit de tijdschriften.
(Jan. - Febr.).

De Gids. Jan.

C. Scharten spreekt in het Overzicht der Nederlandsche letteren ‘over het “werkelijke” in de kunst.’ Aanleiding daartoe gaf het proza van A. van Gogh - Kaulbach, H. Dekking en S. Goudsmit.

Febr. J.N. van Hall bespreekt de jongste en onlangs opgevoerde drama's van H. Heyermans (De schoone Slaapster), Willem Schürmann (Veertig) en Fred. van Eeden (Het paleis van Circe). Hij betreurt het dat Van Eeden's groot talent ‘zóó uit de voegen geraakt.’ - In een Aanteekening polemiseert J. de M(eester) tegen het Beweging-artikel van Is.P. de Vooys: ‘De Kinematograaf in de Litteratuur’. Hij komt op tegen de geringschatting van ‘de beste realistische romans van den laatsten tijd’. - Het Overzicht der Ned. letteren door C. Scharten behandelt Van Eeden's Nachtbruid, een boek dat de criticus ten slotte teleurgesteld heeft, al blijft het eerste gedeelte ‘een omvangrijk stuk zeer bijzondere kunst’.

De Beweging. Jan.

Is. P. de Vooys geeft in een artikel De Kinematograaf in de Litteratuur uiting aan de onvoldaanheid na het lezen van twee bijzonder knap geschreven boeken: Een huis vol menschen van Scharten-Antink en De gelukkige familie van Robbers. Na een inleiding over de verhouding van waarneming en uitbeelding in de kunst, over de realistiese en de romantiese richting, wijst hij er op, dat het realisme grote kunst kan voortbrengen en heeft voortgebracht, b.v. bij Balzac of Tolstoi of Zola. Maar het ‘kinomatografisch realisme’ van tegenwoordig kan dat niet, ‘omdat het niet groot van visie en bedoeling is, doch de kunstuiting zoekt in de verdieping en verfijning der observatie’. Dit ‘uitvieren van 't observatie-talent en van de uitbeeldende woordkunst’ doet knap werk ontstaan, maar is ten slotte niets anders dan ‘de kopieerlust des dagelijkschen levens’. Voor hen die van de tegenwoordige kunst iets meer verwachten, is het een bewijs van armoede. Daarom zien ze

[p. 109]

verlangend uit naar de groei van een nieuwere romantiek die in wording is. - Albert Verwey stelt in de rubriek Boeken, Menschen en Stroomingen de vraag: ‘De Camera een Volksboek?’ Die vraag wordt in dialoog-vorm behandeld en ontkennend beantwoord. Men stelt graag de ‘klassieke eenvoud’ van de Camera tegenover het ‘pretentieuse’ van de nieuwere schrijvers. Daartegenover verdedigt de schr. de stelling dat de persoon en de stijl van Hildebrand pretentieus zijn; onze beste hedendaagse schrijvers juist ‘natuurlijk, volksaardig en klassiek’. ‘De Camera Obscura is geen volksboek, maar een waardevol geschrift van de burgerij in het Nederland van de vorige eeuw.’

Febr. L.T. Durey laat door Een Terugblik zien hoe populariteit en verdienste in de litteratuur uiteenlopen. Dit het Duitse tijdschrift Europa (1804) geeft hij merkwaardige citaten van Friedrich Schlegel over de toenmalige letterkunde, de romanlitteratuur, de poëzie en de kritiek, die hij treffend toepasselik acht op de hedendaagse Nederlandse letterkunde. - Albert Verwey komt, in de rubriek Boeken, Menschen en Stroomingen, op tegen Scharten's Bilderdijk-verdediging, onlangs herdrukt in de bundels Krachten der Toekomst. Hij kiest als opschrift ‘Machten van het Verleden’, en betoogt dat Scharten door ‘een esthetisch afroomen van Bilderdijk's gedichten door de zeef van een hedendaagsch schoonheidsgevoel’ de dichter onrecht doet. In het verheffen van Bilderdijk, ‘die, in zijn eigen tijd al, het verleden vertegenwoordigde’, in verband met een voorliefde voor ‘de goede, jolige, gemiddelde levensdeugd’ ziet de schr. ‘Machten van het Verleden’. - Onder de Boekbeoordeelingen een korte afbrekende kritiek van Pieter Jelles' Friese verzen: Rispinge.

De Nieuwe Gids. Jan.

Kloos bespreekt in de Literaire Kroniek Van Eeden's Nachtbruid.

Febr. In de Literaire Kroniek zegt Kloos, na een lange inleiding over Multatuli's geringschatting van poëzie, zijn oordeel over de vers-kunst van Hélène Lapidoth-Swarth. Hij acht ‘haar kunst klassiek’: ‘ik durf dan ook gerust aan haar verzen een eeuwig leven voorspellen.’ Daarbij inbegrepen haar laatste werk, want ‘haar huidige kunst toch is meestal even kalm-koel, stil-sterk-gedragen en hoogrustig als de eenig-wezenlijk-klassieke, de Grieksche kunst.’ - A. Aletrino prijst de ‘mediese’ roman Vrije Kracht van J. Reyneke van Stuwe, om ‘de meesterlijke wijze waarop zij de psychologie van een vrouwenziel heeft behandeld en beschreven.’

Groot-Nederland. Jan. - Febr.

J.L. Walch laat in het artikel

[p. 110]

Van jonge dichters een reeks jongere en jongste poëten de revue passeren. - Frans Coenen behandelt in de rubriek Dramatische Kunst de jongste dramatiese opvoeringen.

Onze Eeuw. Febr.

G.F. Haspels schrijft in de rubriek Nieuwe Boeken zeer waarderend over De gelukkige familie van Robbers, waarmee hij onze literatuur gelukwenst.

Elseviers Maandschrift. Febr.

Mej. C.C. van der Graft geeft een populair artikel over middeleeuwse Marialegenden, met aardige proeven en interessante illustraties, naar de miniaturen uit een oud-Frans handschrift. - Ary Delen schrijft over Het poppenspel in Vlaanderen. De eerste afdeling handelt ‘over marionetten in 't algemeen’; de tweede over de Antwerpse ‘Poesje’ (d.i. poesjenellenkelder), waar voor de volksjeugd marionettenvertoningen gehouden worden. De stof is voor een groot deel ontleend aan bekende Volksboeken, en dus het laatste overblijfsel der Middeleeuwsche ridderromans. Het artikel is biezonder aardig geïllustreerd. - Robbers bespreekt en prijst Het Ivoren Aapje van H. Teirlinck.

Nederland. Jan.

Sietske, de nicht van Multatuli, uit zijn briefwisseling bekend, publiceert Multatuli-herinneringen, meer geschikt om de persoon dan om de schrijver nader te leren kennen.

De Katholiek. Jan.

L.J.M. Feber over Albrecht Rodenbach.

Dietsche Warande en Belfort. Jan.

A. Walgrave geeft Verantwoording aan Hugo Verreest: Guido Gezelle's zwijgen.

Van onzen tijd. Nummer III.

Henri H. van Calker bespreekt en prijst de verzenbundel Uit Stilte en Strijd van Adama van Scheltema, z.i. ‘de meest-besliste negatie zijner eigene kunstleer’.

Ons Tijdschrift. Des.

L. Bückman vervolgt het artikel In de contramine. Niet minder scherp dan in het eerste gedeelte, veroordeelt hij de Ten Kate-Bloemlezing van Postmus.

Jan. In de rubriek Van Boeken prijst V. de jongste bundel verzen van Edw. B. Koster: Adrastos en andere gedichten.

Den Gulden Winckel. Jan.

I. Esser bespreekt met ingenomenheid Het Leven van Mr. Jacob van Lennep door zijn kleinzoon. -

[p. 111]

Aty Brunt publiceert een interview: Bij Jan Eigenhuis. - G. van Eckeren bespreekt Het Ivoren Aapje van H. Teirlinck. ‘het werk van een ongemeen talent’, al laat het ‘een zeker onbehagen na.’

De Boekzaal. Jan.

H. Robbers schrijft een artikel over H. Teirlinck, waarin hij de ontwikkeling van het talent bij deze vroegontwikkelde, produktieve schrijver schetst.

Tijdschrift voor Ned. Taal- en Letterkunde XXVIII, afl. 3 en 4.

R. van der Meulen Rz. besluit zijn Hollando-Russica, een opsomming van Hollandse woorden in 't Russies. - G.A. Nauta heeft opgespoord wie Durus de Pascolis is, van wie Hooft enkele fragmenten vertaalde. De eigenlike naam van deze auteur is Eberhart von Weihe, kanselier van Holstein-Schaumburg. - W. de Vries schrijft uitvoerig over de Metathesis van korte vocaal tusschen r en den taal en aanneming van o-kleur. Rekking van or voor dentaal. Umlaut van ur. Hij verdedigt ‘een andere opvatting van den omwikkelingsgang’ dan Van Wijk (in Tschr. 27, 16). - F.P.H. Prick van Wely bespreekt de Indiese woorden mangga en manggistan. - G. Busken Huet deelt Iets over Maskaroen mee, ter aanvulling en verbetering van een Amerikaanse dissertatie over dit onderwerp. (Miss Hope Traver: The Four Daughters of God). Hij bespreekt de Latijnse teksten, een Catalaanse versie en de drie Middelnederlandse bewerkingen van deze stof. Een Spaanse oorsprong acht hij niet waarschijnlik, temeer omdat het duivelpleidooi in kern al voorkomt bij Caesarius van Heisterbach (± 1225). Aan het slot van het artikel geeft de schr. ‘een stamboom der verschillende lezingen.’ - N. van Wijk zoekt de oorsprong van de woorden baren en langzaam in het Duits. - K. ter Laan wijst op het woord laar = zode van watergras, in het Gronings. - J.W. Muller vond Een nieuw bericht omtrent Maerlant's leren en werken in een Latijns handschrift uit het einde van de vijftiende eeuw. Daarin wordt Maerlant de auteur genoemd van het gedicht ‘Van den neghen Besten’, en als sterfjaar met stelligheid 1300 vermeld. Verder verhaalt het van Maerlant's optreden aan het hof van de graaf van Holland, en geeft het de tekst van Maerlant's grafschrift. Al deze berichten worden hier uitvoerigkrities ontleed. - J.H. Kern wijst op het Hollands-dialekties woord vulst (vuylst), bij Willem van Hildegaersberch, dat ‘hulp’ betekent, en tot nu toe verkeerd opgevat werd. - W.L. van Helten schrijft Over verscherping en verzachting van mutae, ter omwerking en uitbreiding van wat hij vroeger (in Taal en Letteren V, 229) over dit

[p. 112]

onderwerp meedeelde. - Dezelfde schr. geeft een studie Over de tweeërlei explosieve dentalen. - J.J.A.A. Frantzen knoopt aan Een geschiedkundig gedicht van 1419 interessante beschouwingen vast over de internationale mode, uitgaande van Italië, om met burleske bedoelingen verzen te maken waarin verschillende talen door elkaar gehaspeld werden. Hij haalt o.a. zo'n polyglotte ontboezeming aan van ‘de laatste minnezanger’ Oswald von Wolkenstein (± 1445), waarin een Vlaams liedje verwerkt is.

Museum. Febr.

J.J. Salverda de Grave kondigt een Franse dissertatie aan van G. Oosterhof over La Vie littéraire de Marnix de Sainte-Aldegonde et son ‘Tableau des Differens de la religion.’

Volkskunde. Afl. 1-2.

J. Schrijnen behandelt enige Duivelsnamen. - G.J. Boekenoogen besluit zijn Nederlandsche sprookjes uit de 17e en het begin der 18e eeuw (No. 10-11). - F. van Veerdeghem haalt uit het leerdicht Pegasides Pleyn van de rederijker J. B Houwaert een aantal Oude aardigheden over de vrouwen. - A. de Cock vervolgt de Spreekwoorden, zegswijzen en uitdrukkingen op volksgeloof berustend (nl. de plantnamen Onze-Lieve-Vrouw-bedstroo, Onze-Lieve-Vrouw-Melkkruid, Onze-Lieve- Vrouwen-glazeken, Engelwortel en Engelzoet) en de Geparodieerde Sermoenen. - Ten slotte mededelingen over een weldra op te richten Museum voor volkskunde te Gent.

School en Leven No. 20-22.

Aylva wijdt een drietal artikels aan Allard Pierson. Het eerste beantwoordt de vraag: Hoe was een man als Pierson mogelik?; het tweede: ‘Hoe openbaart hij zich als werkelik liberaal?’ Het laatste behandelt zijn idealisme: hoe volgens Pierson de liberale idee zich moet ontwikkelen tot humanisme.

No. 24. Betsy Polak kritiseert in een fris geschreven artikel Het oude taalonderwijs, in het biezonder in de lagere school en in de onderwijzersopleiding. - A. Scherpenisse pleit voor een ‘inténs, levendig, uit de kinderziel opwellend stelonderwijs, dat in ruime mate de gelegenheid geeft tot zelfuiting.’

No. 25. In een tweede artikel neemt Betsy Polak het oude ‘stelonderwijs’ onderhanden, in verband met de ‘stijloefeningen’, die op examens opgegeven worden. Aardige proeven uit kinderopstelletjes dienen als illustratie.

C.d.V.

prepostterug  begin  verder