terug  begin  verderprepost

Boekbeoordelingen.

Dichters uit Vlaanderen. - Proeve van dichterstudie door Aran Burfs ('s Gravenhage - M. Hols; Brussel - De Vlaamsche Boekhandel - 1909). (Prijs ƒ3.90).

Een boek vol Vlaamse stamtrots, vol Vlaams enthousiasme, waarin de bezadigde Noord-Nederlander wat meer krities onderscheidingsvermogen, wat meer eenheid van samenstelling zou wensen.

Maar ondanks die gebreken, een fris, een sympathiek boek.

De schrijver kiest zeer beslist partij. Gezelle is de vader van de nieuw-Vlaamse woordkunst, die in de Vlaamse bodem wortelt. De natuur ‘is de genadebron der bezieling’. Met de ‘Amsterdamsche Beeldenstormerij van '85’ had de jonge litteratuur in oorsprong niets te maken. Latere invloeden van Noorder- of Zuiderburen beschouwt hij als ‘vreemde smetten’. De ‘Modernist’ is zijn vijand. Een dichter

[p. 98]

als Karel van de Woestijne ‘vertoeft buiten ons Vlaamsche gemoedsleven’, en is dus in eigenlike zin geen Vlaams dichter.

De echte kunst van Vlaanderen is voor hem ook Katholiek. Ook in dat opzicht is het ‘modernisme’, dat ‘gif voor hart en ziel’ bevat, uit den boze.

Deze dichterstudie is dus uit liefde geboren. Het is een betoog, maar meer nog een lofzang. Aangetoond moet worden dat er bestaat ‘eene kunst met Vlaamsch karakter, met eigen ziel en bezieling, eigen geest en geestdrift, eigen beeld en beeldenrijkdom, eigen kleur en kleurenschat’, eenvoudiger maar echter en duurzamer dan de produkten van de dekadente Nieuwe-Gids-school.

Daartoe is het nodig ‘in de Vlaamsche Poëzie der twintig laatste jaren, de sporen van die letterkundige èchtheid na te gaan.’ Maar het hoofddoel blijft: die poëzie nader te brengen tot het Vlaamse volk, liefde er voor te wekken, als voor ‘het innige klokgeluid dat opstijgt uit onzen landschen dorpstoren.’

Niet de kritiek, maar de waardering heeft dus in deze studie de boventoon. ‘Gij weet’ - luidt het in de Opdracht aan Pater Lod. Adriaensen - ‘dat onze letterkunde lijdt door hypercriticisme, en dat onze dichters niet vóóral om hun gebreken dienen gelaakt, dan wèl geloofd om die hoedanigheden waardoor zij - onvolmaakte werklui - de volmaaktheid benaderen van hun dichterlijk oorbeeld.’

Begrijpelikerwijze opent Gezelle de rij van de vijf-en-twintig dichters, waarmee deze studie ons doet kennis maken. Even begrijpelik is het, dat niet alle dichters een plaats kregen, maar dat er een persoonlike keuze gedaan werd.

Uit het karakter van deze studie vloeit voort, dat de dichterlike oogst van het Vlaamse land naar de gewesten wordt binnengehaald. ‘De poëzie der geboortegouw is de meest-suggestieve voor den dichter van onzen tijd.’ De topografiese indeling is dus niet alleerst kompositie-middel. Zozeer is voor Burfs de poëzie gegroeid uit de geboortegrond, dat hij b.v. de afnemende dichtkracht van de Brabander Mercelis daaruit verklaart, dat hij ‘de onuitputbare bron van Poësis, die de “Kempen” heet’, moest verlaten.

Voorop gaat de West-Vlaamse oogst, dan volgen we de Schelde tot Antwerpen, om over de Kempen naar Limburg te reizen. Oudere en jongere dichters ontmoeten we; levende en afgestorvene; talentvolle, middelmatige en onbeduidende. In menige pastoorswoning, waar onze geestdriftige begeleider ons binnenleidt, zweeft de geest van Gezelle. Overal vinden we dezelfde weldadige liefde voor het Vlaamse woord. Deze reis door het Vlaamse dichterland zal dan ook voor de

[p. 99]

Noord-Nederlander, die in het heden en de toekomst van Zuid-Nederlandse letterkunde belangstelt, veel aantrekkeliks hebben. Hij zal er door leren, hoe sterk de weerklank geweest is van de volks-eigen dichtkunst, die in West-Vlaanderen zo plotseling opbloeide. Hij zal verrast worden door uitingen van echt natuurgevoel, door ritmiese schoonheid, klankschildering en uitbeeldingstalent bij dichters waarvan hij zelfs de naam niet kende. Hij zal ook de gids dankbaar zijn voor menige treffende opmerking, en zal ook in de taal van dit boek zelf een bewijs zien, dat de West-Vlaamse beweging levenwekkend gewerkt heeft, en het verschrijftaalde Nederlands, waarin de Vlaming zich zo ongemakkelik bewoog, heeft doen wijken voor een pittig Vlaams, waarin het leven bruist, en het hart zich vrij kan uitspreken.

 

Maar dit boek is voor ons ook een stuk litteratuurgeschiedenis. En als zodanig dient het krities getoetst te worden.

De samenstelling van het boek is niet zonder bedenking. Eigenlik valt het in 25 stukjes, want de topografiese band is wel wat los. Bovendien moet die band dichters bijeenhouden, die naar leeftijd en aard ongelijksoortig zijn. De inleiding spreekt van ‘de laatste twintig jaren’, maar er zijn ook dichters opgenomen die vóór 1890 òf hun beste werk òf alles schreven, b.v. Emmanuel Hiel (geb. 1834), Victor de la Montagne (geb. 1854), terwijl bij Pol de Mont de aandacht vooral valt op zijn werk van omstreeks 1880. En hoe kwam de schrijver er toe, een talentloos uitloper van de oude retoriese school als Hiel op te nemen in de jongere dichterschaar, onder het patronaat van Gezelle? De oplossing van dit raadsel brengt ons tegelijk naar de eigenlike zwakke plek van deze dichterstudie. Aran Burfs is van nature krities: hij heeft een fijn gevoel voor schoonheid van klank en ritme, voor beeldend vermogen van het vers; hij weet de meester van de leerling en de nabootser te onderscheiden. Dat blijkt wanneer hij George Roose's werk als Gezelle-navolging ontleedt (blz. 146 vlg.), als hij Herman Broeckaert, die als een Vlaams Ten Kate-tje Gezelle en de Clercq imiteert, verwijt dat zijn verzen ontaarden in ‘een hinderlijk spel van klanken alléén, een gemaakte cacophonie van bellende, schellende en lellende medeklinkers’ (blz. 124), of als hij een loopje neemt met de Nieuwe-Gids-imitatie van Karel van den Oever (blz. 220 vlg.). Maar zijn kritiese aanleg heeft te worstelen met andere machten. Eerst met de neiging tot overschatting van de nationale letterkunde. Gezelle is voor hem de dichter; zijn ‘goede’ leerlingen hebben alleen in die hoedanigheid al recht op een eervolle vermelding, ook al hebben ze

[p. 100]

bitter weinig talent, gelijk Alphons Janssens (blz. 48 vlg.). Trouwens deze ‘marine’-dichter, bij wie men ‘sporen vindt van eene jammerlijkgemakkelijke zelfvoldaanheid’, krijgt een flinke scheut azijn bij de honing. Maar voor de ‘Gezelle-schoolschheid’ pleiten verzachtende omstandigheden. Victor de Meyere wordt hard gevallen omdat hij ‘te veel aan de mode geofferd heeft’, en ‘bij den vreemde ontleende woorden en rythmen’ gebruikt (blz. 138). Verraadt het lenen van Gezelle's woorden en ritmen dan niet evenzeer een zwak talent? Is een Gezelle-echo in wezen iets beter dan een echo van de Nieuwe-Gids? Verzen als die van Walgrave:

 
‘Vrouw spinne, zeg, waar zit ge daar
 
verborgen in den boom entwaar’ (blz. 58)

bewijzen dat er ook aan een Gezelle-mode geofferd kan worden. Natuurlik is dit kopiëren op zich zelf geen bewijs van onbeduidendheid, mits het on-eigene geleidelik door het eigene overstemd wordt. Maar bedenkelik lijkt mij deze lof, aan Walgrave toegezwaaid: ‘'t is den leerling niet zijn minste eer, dat hij zoo vaak de hand verraadt die hem voor 't letterkundig strijdperk heeft uitgerust!’ (blz. 61). Tot eer van de criticus moet intussen opgemerkt worden, dat bij een dichter als Caesar Gezelle het ‘precieuze’, het ‘gemaakte’ van de Gezelle-verzen ‘in een salonlijstje’ hem niet ontgaat. Wie daarbij rekening houdt met de ‘ietwat hyperbolische manier van spreken’, waarvoor de schrijver zelf ergens vergiffenis vraagt (blz. 199)1), merkt wel dat over zulke dichters niet met dezelfde warmte gesproken wordt als over Delfien van Haute, Omer de Laey of Réné de Clercq. Daar is de waarderende kritiek in zijn volle kracht, prikkelend tot nadere kennismaking.

Overschatting van Vlaanderen ten koste van de voormannen van '80 is ook de verheffing van Prosper van Langendonck, die ‘een klaarder kunstinzicht, een veelomvattender theoretisch bewustzijn’ getoond zou hebben dan Kloos of Van Eeden (blz. 183). Zonder aan Van Langendonck's verdienste in de Vlaamse beweging te kort

[p. 101]

te doen, kan opgemerkt worden dat hij als krities theoreticus een gebaand spoor volgde.

Er is nog een andere invloed, die de kritiese blik van Aran Burfs soms benevelt. Oprechtheid van bedoeling, geloofsinnigheid, rechtschapenheid, of echtheid van natuurgevoel, die hem sympatiek treffen, omstralen voor hem soms onbeduidende of middelmatige verzen met een schijnglans van poëzie. Wij zijn niet in staat een beslist oordeel te vellen over de poëzie van Mercelis of Sauwen, die al niet meer tot de jongeren behoren. Maar de proeven die Burfs hier geeft, hebben ons niet overtuigd dat zich in hun werk ‘een ongewone begaafdheid’ openbaart. Waarschijnlik geeft dit ons ook de verklaring hoe deze Gezelle-vereerder Prudens van Duyse een ‘reuzendichter’ kan noemen (blz. 103) en Hiel ‘een der eerste dichters van Vlaanderen’ (blz. 104). De worsteling van de criticus in Burfs met de nationale lofredenaar is nergens duideliker te zien dan in het hoofdstukje over Emm. Hiel, ongetwijfeld de zwakste bladzijden uit het hele boek. Hier vloekt de lof tegen de blaam. In de inleiding (blz. 9) was al gezegd: zekere stukken van Hiel ‘gaan den weg op der Eeuwigheid’, want zulke poëzie ‘geeft een luiden sterken galm aan de begeesterde stem van onzen stamtrots.’ Maar hoe kan iemand ‘een der eerste dichters’ zijn, in wie tegelijk ‘de libretto-dichter bovenkraait’, die in zijn verzen ‘een gemakkelijke uiting’ geeft aan ‘een gemakkelijk, een onvoldragen gevoel’, die ‘door gebrek aan zelfkritiek’ geboeid wordt ‘in den engen kring van 't middelmatige’? En dan is opeens die poëzie weer ‘rotsensterk en hecht’, en de hulde van 't nageslacht waard! Zijn de kritiek en de vaderlandsliefde hier niet zonderling aan 't stoeien?

 

Ten slotte nog iets over de historiese achtergrond. Al meent de schrijver dat het ‘gemeenplaatselijk wordt in onze litteratuur van Gezelle-invloed te spreken’ (blz. 139), de geschiedschrijver van onze letterkunde zal dit boek voornamelik òm die Gezelle-invloed raadplegen. Een verrassing was voor mij - en waarschijnlik voor de meeste Noord-Nederlanders - de kennismaking met het oudere Limburgs ‘dichterlijk driemanschap’: Lenaerts - Cuppens - Winters, van wie zulke bekoorlik-frisse en pittige proefjes worden gegeven, dat ze naar meer smaken. De natuurpoëzie, ‘zoo veelkleurig als de natuur zelve’, van Gezelle en zijn school is een blijvend waardevol bezit voor Zuid en Noord beide.

Maar was het, tot meerdere eer van die natuurpoëzie wel nodig de beweging van de Tachtigers zó zwart te maken? De Vlaamse

[p. 102]

lezer, die deze beweging niet door eigen lektuur en studie kent, moet er wel een zonderling denkbeeld van krijgen. De drijfkracht was ‘wilde beeldstormerspassie’, het resultaat: ‘bedrog van den schitterenden schijn’, verlopend in ‘rhetorische taalorgie’. De aanhangers ‘vielen met een... “schoone passie” bovenarms op een pas gestorven verleden, om het te besmeuren met de slijkspatten eener kroegentaal, opzettelijk tot dat doel geschapen, - om het te bespotten met de smakeloosheden van een opgedirkt vlegelbent’ (blz. 182). In een slothoofdstuk (blz. 274 vlg.) - ‘niet als essens, maar als accidens bedoeld’ - wordt met behulp van allerlei bondgenoten, in 't biezonder van Adama van Scheltema, betoogd dat het letterkundig geslacht van '80 ‘in zijn eigen buitensporigheden is ten onder gegaan’, en dat de Vlamingen de schrale afleggertjes van het Noorden niet nodig hebben.1) Is dat geen schromelike onderschatting, ja miskenning, van wat de letterkundige beweging tussen 1880 en 1890 ons - ook de Zuiderbroeders! - gebracht heeft aan taalvernieuwing - meer dan ‘een weinigje’ (blz. 288) - en aan poëzie en proza van blijvende waarde? En is het niet ondankbaar tevens? Het is waar dat de West-Vlaamse dichtkunst van Gezelle en zijn kring zich ontwikkelde buiten invloed van de Hollandse ‘modernen’. Maar sedert heeft er geen letterkundige Chinese muur gestaan tussen Noord en Zuid. Zo kon ook de ‘beeldstormerij’ van het Noorden aan de Vlaamse letteren ten goede komen. Dat is op menige bladzijde van dit boek merkbaar. Ik bedoel niet zozeer een klakkeloze nabootsing van Perk als in het gedicht De scheper van Gyssels (blz. 117). Maar verzen als het sonnet van Lod. Adriaensen op blz. 214, die talent maar ook studie verraden, zouden niet geschreven zijn, als Perk, Winkler Prins en Kloos niet vooraf waren gegaan. Proza als van Prosper van Langendonck en de aangehaalde bladzijde van Réné de Clercq (blz. 283), is eer uit de school van Kloos dan van Gezelle.

Vlaanderen heeft gelijk, als het de ‘afleggertjes’ van het Noorden hooghartig weigert, maar dat het, zonder zijn oorspronkelikheid in te boeten, in de laatste kwart-eeuw van Holland geleerd heeft, kan het alleen lochenen, als het zich op eigen verdienste blind staart. En het kan bij de besten van onze dichters nòg steeds dit leren: dat poëzie, spruitend uit ‘liefde voor den kerktoren’, echt en duur-

[p. 103]

zaam kan zijn, maar dat daarin nog niet het hoogst bereikbare ligt. De grote kunst van alle eeuwen zocht wijder horizonnen dan van de geboortegouw.

C.d.V.

Het Schrijven zonder fouten. Eenvoudig Taalboek voor de Volksschool, door J. Stamperius, Schoolopziener te Baarn. 3 stukjes met Handleiding. - Amsterdam 1909. - W. Versluys. (Prijs: 1e stukje ƒ 0.25; 2e-4e stukje ƒ 0.30; Handleiding ƒ 1.25).

Op welk standpunt staat dit werkje?

Herinneren we kortelik:

Het oude systeem van taalonderwijs hield zich aan de ‘grammaire raisonné.’

De vraag was: hoe ziet de geijkte taal-in-schrift er uit, en wat moeten we doen, opdat de leerlingen schrijven, zoals ze het bij de beste, d.i. de vorm-‘vollendeste’ auteurs geschreven zien staan. De dressuur richtte zich op de veelheid en de verscheidenheid van de grammaticale vormen: op de naamvallen; de werkwoordelike uitgangen in alle tijden en wijzen; de spellingverschillen. Heel het taalbekijken en het taal-bouwen stond in dienst van de ‘zuivere’ vorm.

 

Het nieuwe systeem verwerpt de geijkte schrift-vorm als inductiemateriaal; het leert uit te gaan van de waarneming van de klank, en daarmee wordt het schrijven òf een door de schrijftekens te controleren waarnemingsoefening van het gehoor, òf, verder nog, een krities vergelijken van de woordklank met de gebruikelike klankaanduiding, en de vorm broot mag eerst brood worden, als de leerling zich bewust is, dat de d de wel verklaarbare, maar daarom niet minder onjuiste aanduiding is van de klank t.

 

De grootmeesters van het oude regime waren Den Hertog en Lohr; 't is Van Strien geweest, die een onderwijsmethode heeft opgebouwd, welke uitgaat van de waarneming van de klank.

 

De heer Stamperius kon noch vrede vinden met 't ene, noch met het andere. Hij stelde een nieuwe leergang samen. En in z'n ‘Handleiding’ ontwikkelde hij z'n gronden.

 

Kàn dat, tussen de twee bovengenoemde uitersten instaan? Want dit is het, wat bij Stamperius sterksprekend aan den dag komt.

[p. 104]

Op meer dan één plaats. Gaarne zou hij zich b.v. de vereenvoudigingen van een minder doctrinaire schrijfmanier ten nutte maken. Hij, voor zich, zou onbekommerd schrijven: Mijn tante heeft een nieuwen hoed op; ‘'t zijn alleen sommige schoolmeesters en examinatoren, die nog angstvallig aan mijne en eenen vasthouden; in de leesboeken beginnen ze te verdwijnen; in mijn eigen werkjes voor de jeugd worden ze evenmin aangetroffen; en in dit “Eenvoudig Taalboek” zullen we ook zoo dwaas niet zijn, de buigingsuitgangen, die veilig gemist kunnen worden, op te nemen.’ Verder wil hij vormen als hun, hen, haar niet laten schrijven. Hij vindt voldoende: ‘Waar zijn de jongens (meisjes)? Roep ze hier, geef ze een boterham.’ Met des, dezes, mijns, kortom, met de 2de naamval enk. wil hij de leerlingen evenmin lastig vallen; de kans, dat ze 't hondje dezes blinden bedelaars zullen schrijven, is niet groot; en ‘zoo ze de uitdrukking tegen komen, zullen ze toch wel begrijpen, wat er staat.’

Te samen genomen, de hr. Stamperius is niet ongenegen, om waar de ‘spreektaal’ ook de wijze van schrijven geworden is, gebruik te maken van de vereenvoudigde manier van uitdrukken; d.w.z. de oneenvoudige manier van uitdrukken niet langer als voorwerp van onderwijs beschouwen.

Dit nu is te prijzen, en het zou dit nog meer zijn, zo de schrijver van het ‘Eenvoudig Taalboek’, ook indien hij om opportuniteitsredenen niet verder met z'n vereenvoudiging had kunnen gaan dan hij gedaan heeft, altans in z'n redenering konsekwent ware gebleven. Iemand toch, die van de ‘tante’ de vrouwelikheid durft met voeten treden, mag, menen we, ook zonder bezwaar het mannelik-zijn van de vrij wat meer naar de neutrale zone zwevende ‘hoed’ bij z'n schrijven ongerept laten. Maar, volgens de schrijver gaat dit niet aan. Niet òm de Minister, maar ook zònder Minister.1) De autoriteit is bij de hr. Stamperius het schrijvende grote publiek. Aan haar sleur onderwerpt hij z'n inzichten. Hij breekt z'n logica af, zodra de traditie in 't zicht komt. Wat eenmaal is, moet worden goedgepraat. En daarom is deze arbeid, verre van principiëel te wezen, een scholastiese poging geworden, om twee einden aan elkaar te knopen.

[p. 105]

Doch ter zake.

De eerste vraag die de schrijver zich stelt, is terecht: Kan ik, door enkel op de uitspraak te letten, ook tot de juiste schrijfwijze komen?

En, evenzeer verklaarbaar, verandert die vraag, zodra er van die woorden sprake is, die bij de toepassing schrijven - spreken, in hun schriftbeeld afwijkingen zouden moeten vertonen.

De zaak is nu maar, op welke wijze de vraag nu moet veranderen. Als de aandacht, zoals bij de methode-Van Strien het geval is, nu verder wordt geleid op de kwestie, in welke gevallen we bij de schriftelike klankaanduiding concessies hebben in acht te nemen ten opzichte van het gebruik, dan wordt in elk geval, in niets van het vooropgestelde klank-principe afgeweken. Maar dit geschiedt in 't ‘Eenvoudig Taalboek’ niet. Terwijl hierin eerst geleraard wordt, dat het taalonderwijs zo lang mogelik gebruik moet maken van de overeenkomst, waar ze bestaat, in de wijze waarop de woorden worden uitgesproken en geschreven, opdat de kinderen gewend worden scherp te luisteren, en de klanken neer te schrijven die ze zeggen, wordt een ogenblik later diezelfde leerlingen even ijverig voorgehouden, niet hun oren te geloven, maar dat het 't gezicht is, 't welk in honderd gevallen over de juiste schrijfwijze beslist. En daar het vooruit onmogelik te zeggen is, bij welk woord het gehoorbeeld, en bij welk het gezichtsbeeld de doorslag moet geven, is in dit werkje niet alleen een gezond principe grotendeels opgeofferd aan een verouderd doctrinarisme, dat de geschreven vorm laat beslissen, maar is reeds van te voren ook het nieuwe principe in z'n betrouwbaarheid ondermijnd.

 

De wenk: ‘schrijf, zoals je het woord geschreven ziet staan,’ wordt dan ook zo ver mogelik doorgevoerd. Het schriftbeeld is het voorbeeld; het zich-herinneren-hoe de geesteswerkzaamheid. Hoe, is nu de vraag bij de leerling, stel ik me als ik 't woord Frederik voor me haal, de verschillende tekens in hun opeenvolging voor? Hoe, vraagt hij verder, teken ik mij in de voorgeschreven karakters, ansjovis? Want nu is het schrijven letterlik geworden, een uit het hoofd tekenen, en een zelfde werkzaamheid als het, zonder atlas-tekenen van een landkaartje. We willen natuurlik niet betwijfelen, dat het bezit van een goed gezichtsbeeld van een kaartje zijn voordeel heeft, en dat de hand die gecontroleerd wordt door dit scherpe gezichtbeeld, de juiste trekken het beste zal kunnen weergeven. Maar we voegen er uitdrukkelik bij, dat het opgenomen gezichtsbeeld van 't landkaartje het beeld is, en dat dit beeld het recht heeft onveranderlik hetzelfde te blijven. Dit nu is niet het geval met het schriftbeeld van vis,

[p. 106]

van baat of van hout, dat afwisselt naar de dienst, en waarvan de spelling zich naar deze afwisselende diensten heeft te regelen. Het ‘schrijven op het gezicht’ zal dus altijd weer andere vragen met zich meebrengen; bij ‘hout’ b.v., of er van een zelfstandigheid sprake is, en met welke persoonsvorm van 't werkwoord dient rekening moet gehouden worden; bij ‘ras’ b.v. of we hier met een bijv. naamw. of met een bijwoord hebben te doen; bij ‘vis’ komt weer een andere vraag te pas. Of hier nu het vele lesjes-schrijven baten zal? Zou het van meet af geven van grammaties onderwijs niet doeltreffender blijken te zijn? En zou ten slotte, waar de schrijver toch weer betuigt, zijn toevlucht te moeten nemen tot het ‘schrijven volgens taalregels’, en de voorschriften tot niet meer dan enige praktiese ‘weetjes’ worden teruggebracht, het niet beter zijn geweest, zo de hr. Stamperius dit halfslachtig werk had teruggenomen, of, zo deze opoffering hem te machtig ware geweest, althans zìch beter rekenschap had gegeven van de waarde van z'n arbeid tegenover paedagogies zooveel hoger staande beginselen, die ‘oudere’ en ‘nieuwere’ leergangen voorstaan, en die hem niet onbekend kunnen zijn? Ware dit althans niet waardiger geweest, dan, eerst de resultaten van het steeds doorgaande vereenvoudigings-proces onzer taal, voor zover ze hem dienstig zijn, welbehagelik te naasten, en dan, waar de ‘Vereenvoudigers’, in hun schrijfwijze dit proces tegemoetkomende, de officieële schrijftrant achter zich laten, dit streven half verontwaardigd en half smalend van zich te stoten? Hoe komt het dan, dat deze opvoeder, van wie men beter zou verwachten, de ternauwernood uitgestoken voelhorens van z'n gezonde intuïtie, teruggetrokken heeft in de kronkelgangen van z'n versteend slakkenhuisje?

J.K.

Loquela van Guido Gezelle, tot Woordenboek omgewerkt. Amsterdam. - L.J. Veen. 1907-1909 (geb. ƒ 20. -, ingenaaid ƒ 17.50).

Dit werk, waarvan wij de verschijning met grote ingenomenheid aankondigden1), verdient bij de voltooiing nog eens een warme aanbeveling. Het is aangegroeid tot een statig boekdeel van 668 dicht bedrukte bladzijden: een zeldzaam rijke ‘Vlaamse oogst’ van de dichterlike taalminnaar. In een Aanhang vonden een reeks artikeltjes

[p. 107]

en korrespondenties een plaats, die in het woordeboek-verband niet pasten. Wat in de jaargangen van Loquela alleen tijdelik belang had, is weggevallen. Een lijst van Verdietschingen geeft een aardig kijkje in Gezelle's purisme.

Telkens als we in dit aantrekkelik woordeboek bladeren, en verrast worden door aardige vondsten, treft ons de toewijding waarmee de dichter taal waarnam en verzamelde. Dat was voor hem geen ‘materiaal’, maar een stuk van het Vlaamse leven, van de Vlaamse natuur, die hij zo lief had. Meer dan iemand vatte hij het woord ‘taalschat’ letterlik op. Wij zouden allen die in het ‘schrijftaal’-begrip gevangen zitten, geleerden, onderwijzers en leken, tot deze levende bron willen brengen. Bij deze ‘dilettant’ kan menig vakman leren wat taal is. Wanneer Gezelle b.v. spreekt van de 60 ‘wisselgedaanten’ van het woord zene, zenuwe (zeneme, zeluwe, zeleme, zemele, zeruwe, zereme, zemere enz.), dan drukt hij zich wetenschappeliker uit dan de velen die het hebben over ‘slordige uitspraak’ of ‘verbastering’. Die rijkdom verrukt hem: ‘Wat en zullen wij niet te weten komen als eens geheel onze zoo krachtig en prachtig levende tale zal geboekt en geborgen zijn?’ (blz. 592). En elders: ‘Men zoekt en men delft naar de brokken van oude talen, die, op verlegen papyrussen, op pergamenten, op tomsteenen, op scherven en lijkpotten, op half verteerde penningen en munten, te vinden liggen, en men verovert die weigerlijk op de gierige tanden van den Tijd, om ze, allengskens, met onvergeldbaren ijver, weer te boeke en te berde zien te bringen; maar, wat geldt dat tegen de levende en bloeiende oude kracht van eene tale, die, gelijk ons vlaamsch, nog van geen sterven en weet, maar die allicht, ware ze eens geheel en al geboekt, bij de geleerden veel andere taalschatten in wetenschappelijke weerde zou te boven gaan!’ (blz. 607).

In Noord-Nederland kreeg, onder invloed van de universiteit, de klankleer de ereplaats in de dialektstudie. De prijsvragen in Zuid-Nederland wijzen tegenwoordig in dezelfde richting. Gezelle's voorbeeld is een blijvende waarschuwing om het woord niet te verwaarlozen voor de klank. En het woord is des te aantrekkeliker, als lexicografie met het leven in verband blijft, en zich niet met dorre lijsten vergenoegt. Wanneer Gezelle naast De Bo zo'n rijke nalezing kon plaatsen, dan is dat een bewijs dat ook elders de mijnen van de volkstaal niet uitgeput zijn, en niet licht uitgeput raken.

C.d.V.

1)Daarin zullen de jaren wel matiging brengen. Er zijn staaltjes in dit boek, wel geschikt om de schr. tot inkeer te brengen. Is het niet een twijfelachtige lof, van een dichter in ernst te zeggen dat ‘zijn longen zwellen tot orgelpijpen’? (blz. 44). En is de positie van Gezelle ‘op den top van een driedubbelhoogen Himalaya’ (blz. 21) niet wat àl te hoog? - Ook de beeldspraak gaat soms over de schreef. Er wordt b.v. gesproken van een dichter, ‘die zijn zingend hart tot een wierookvat herschept’ (blz. 50), en elders van een poëet, die zijn Muze ‘een vlerkenpaar aanhecht’ (blz. 180).
1)Wij willen hier niet polemiseren, maar vragen alleen: wat moet de jonge Katholieke Vlaming wel denken van onze litteratuur, als hij de samengeraapte proeven op blz. 289-292 leest? Heeft de schr. b.v. De Nieuwe Geboort wel eens in handen gehad, en wat meer van dat ‘sociaal gebazel’ gelezen?

1)Handleiding, blz. 9: Het publiek heeft zich tot nu toe niet voor de Kollewijnsche spelling verklaard; en zoolang dit niet anders wordt, verdient de poging, om de school er voor te spannen, om door middel van de school deze spelling burgerrecht te verschaffen, onvoorwaardelijk afkeuring. Het is goed, dat van hooger hand hiertegen is opgekomen.
En in een noot hierbij, met voldoening: Ook in Indië is invoering der Ver. Sp. op de rijks-scholen verboden.

1)Zie De N. Taalg. I, blz. 280-283.
prepostterug  begin  verder