terug  begin  verderprepost
[p. 84]

Lessen over 't lidwoord.1)

1. Ik heb weleens gedacht: Waarom moest ik vroeger de definitie kennen ‘'t bepaalde lidw. drukt uit dat de daarop genoemde zelfstandigheid bepaald is, en 't onbep. lidw. dat enz.’, 't omgekeerde natuurlik. In m'n dageliks leven is me dat later nooit te pas gekomen. Maar toen ik zelf hier taalles moest gaan geven, heb ik me die vraag dikwels gesteld. Met ernst. Want jullie moeten al zoveel leren. Over 'n jaartje kom je zelf voor de klas te staan en elk kostbaar uurtje onprakties doorgebracht, is dan verloren. Niet voor je zelf, want je wordt dan per jaar betaald, maar voor de kindertjes. Daarom moeten jullie leren wat prakties is, nù vast leren uit je eigen doen en laten. Als je soms 't nut van een of ander niet inziet, dan vraag 't maar gerust. Waarvoor leer je nu die definitie? Is dat misschien om de termen bepaald en onbep. lidw. te verklaren? We zullen zien.

2. Je loopt langs 't Hollands Diep te wandelen en zegt: ‘Kijk is! Daar gaat 'n trein over de brug.’ 'n trein: onbep. lidw. Is dat nu 'n onbepaalde trein? En je ziet dat ding met eigen ogen daar aankomen, zoveel wagens enz. Maar misschien is 't 'n onbekende trein, en dan is 'n bekende trein de trein, bv. de trein van Parijs. Maar als je dan zegt: ‘Ik zou ook wel weer is met de trein meewillen,’ is dat dan 'n bekende trein? Je bedoelt toch enkel maar: ‘als ik er maar weer is tussen uit was’? ‘de’ bet. hier niet bepaald, en bekend ook niet. - Goed, je bent er tussen uit, komt in 'n vreemde stad op de markt en hoort: ‘Mense, 'k heb hier 'n doossie enz.!’

[p. 85]

Dat doosje zie je nu vlak voor je, niet zoals die trein daar juist in de verte. Wat bet. nu 'n? Onbepaald of onbekend? En dan dit: ‘de kam van 'n haan is rood’ ‘de kam’, en precies 't zelfde ding: 'n hanekam is rood. 't Zit 'm misschien in de bepaling: de kam van 'n haan. Maar dan: 'n veer van 'n haan?

Kijk is! Als iemand 'n boek en 't boek zo los naast mekaar geschreven op bord vergelijkt, dan kan ie tot de konklusie komen: 't boek is toch bepaalder dan 'n boek. Zeker, maar wat heb je daar aan? Als je van twee knechts de eene de blonde en de andere de zwarte noemt, dan is dat 'n middel ter onderscheiding, maar niet om elk naar waarde te beoordelen.

De taal is 'n uiting van ons leven. Daarom zeggen ze weleens: de taal is de ziel van 'n volk. In de lidwoorden zit 'n stuk van die ziel, 'n deel van onze gedachten en gevoelens. Dat zullen we nagaan. Je leert zielkunde in de pedagogiekles; hier kun je dat toepassen.

Of dat dan nuttig is? Al wat psychologies is, zielkundig, leert je kijken in je zelf. Zolang als jullie nog zo precies moeten weten hoe 'n varken er van binnen uitziet, moet je me niet vragen, of 't nuttig is in je eigen ziel te kijken. Wat 't zwaarste is, moet 't zwaarste wegen. Zoals je eigen gedachten werken, werken ook de gedachten bij de kinderen; en dat moet je precies kunnen nagaan, om later goed te kunnen onderwijzen.

3. Iemand vertelt: ‘Ik liep 's op 'n lange weg’ ('n weg). Wie stelt zich nu die weg voor, bijna precies zoals die is? De spreker of de hoorder? Wie kent die weg? De spreker. Maar de hoorder niet. De spreker richt zich naar de hoorder en zegt ‘'n weg.’ Als ik voor iemand 'n boek meebreng, dan zeg ik: 'k heb 'n boek voor je meegebracht: ik heb 't nog niet over dat boek gehad, 't is als 't ware aan de hoorder nog onbekend. Als ik er expres de aandacht voor vraag, dan is 't: 'k Heb dat boèk voor je meegebracht.

We gaan door met dat verhaal over die lange weg: ‘Langs die weg stonden hoge bomen;’ ‘die weg’, omdat de hoorder pas van die weg gehoord heeft. De spreker houdt dus weer rekening met de hoorder. Dat is beleefd; dat is ook prakties.

Laatst hoorde ik 'n spektakel onder m'n raam! ‘Dat heb je gestolen,’ riep de ene jongen, ‘'k heb 't gezien, 'k heb 't gezien, 'k heb 't gezien!’ Als 'n ratel, die driekeer vlug werd rondgedraaid. Die jongen hield niet precies rekening met de hoorder: één keer was genoeg geweest; maar de jongen was zo vol van 't feit, dat ie pas tot zich zelf kwam, toen ie 't dikwels gezegd had. Z'n sterk gevoel maakte 'm egoïsties. Ik ken mensen, opgewonden standjes,

[p. 86]

die alles tweekeer vertellen, vlak achter elkaar, vervelende mensen, overduidelik.

Je hebt weleens iets gelezen van L.v. Deyssel. Die auteur heeft dingen geschreven, die weinig menschen begrijpen. Hij was ook zo met zich zelf bezig, ook erg subjektief, maar daardoor niet overduidelik, maar onduidelik. Niemand houdt hier 't juiste midden. Dat brengt variatie in 't leven.

4. Iemand vertelt: ‘D'r was 's 'n kasteel. (Je weet waarom 'n). Op dat kasteel woonde 'n ridder. (Je weet waarom dat en 'n). Die ridder had twee zonen (die). Een daarvan zou later 't kasteel erven.’ Nù gebruikt men meestal 't. 't Geldt geen eerste kennismaking meer. 't Nieuwtje is er af; de voorstelling is in m'n geest al door veel andere verdrongen. Onthoud: 'n kasteel - onbekend, 't kasteel - al lang bekend, dat kasteel - pas bekend aan de hoorder.

Den Hertog gebruikt in z'n voorbeelden direkt na ‘'n kasteel’ 't kasteel. Hij maakt dus niet zoals wij, onderscheid tussen recente kennismaking en oude. Dat komt omdat ie ‘schrijftaal’ bespreekt. Schrijftaal is soms 'n euphemisme voor boeketaal; die maakt soms zo'n fijne nuanceringen niet als de omgangstaal. Schrijvers, die die nuanceringen ook schrijven, lezen prettiger. Des te levendiger wordt die geschreven taal. Dan is 't of je niet alleen denkt maar ook hoort. Tegenwoordig maakt die hoorbare stijl nog soms de indruk van kinderachtig of ongeletterd, omdat onbestudeerden ook in de regel erg natuurlik schrijven. Maar dat zal wel slijten; de geleerdheid of degelikheid van de auteur zal wel uit andere dingen blijken. Des te beter blijken.

5. ‘Geef die sinaasappel is in die kast!’ ‘in die kast’ geeft de plaats aan. Maar die voor ‘sinaasappel’ duidt oòk nog op 'n betrekking van plaats: ‘daar’; dat is de levendige voorstelling van de spreker: overduidelik. 't Kan ook zijn, dat ie erg duidelijk is uit berekening: dat de hoorder 'm zeker begrijpen zal. Zo iets gebeurt dikwels: we voldoen aan 'n verlangen, 'n behoefte, 'n neiging, en zijn door dat voldoen tegelijk prakties: denk maar 's aan lekker eten.

Minder levendig zou daarjuist geweest zijn: ‘Geef de sinaasappel is, die etc.’ Dan geeft men zich ook minder, 't klinkt minder gemoedelik ook; 't komt veel in boeken voor.

Daarjuist zei ik: ‘die’ vóór ‘sinaasappel’ duidt op 'n betrekking van plaats. Hij ligt in 't gezicht. Dat heb je ook in: ‘Diè hond hier moet je hebben, niet die (daar)’, maar hier is ‘die’ uitdrukkeliker. Tussen die hond en de spreker bestaat 'n betrekking van plaats, uitgedrukt door die. Toen ik zoeven vertelde van 'n ridder

[p. 87]

en vlak daarop zei ‘die ridder’, had ik 'm pas genoemd, pas, dus er was tussen de hoorder en 't besprokene 'n betrekking van tijd en wel 'n nauwe betrekking van tijd. Die drukt 'n nauwe betr. van plaats of tijd uit. Die verdwaalde zin in je spraakkunst: ‘Die maatregelen hebben niet geholpen’ hoort hier ook tuis. Er is pas over die maatregelen gesproken; pas: nauwe betr. van tijd.

6. Als 'n jongen aan 't knippen is geweest en z'n kunstenaarsbehoefte voldoende bevredigd is, dan kan ik zeggen: ‘Ruim die snippers 's op!’ Maar 'n timmermansbaas zegt tegen 'n jongen: ‘Jan, jij raapt voortaan de krullen op!’ Die krullen liggen toch net zo goed vlak bij 'm als die snippers bij den ander.

'n Timmerman is bij me aan huis geweest, komt daarop weer aan de bel, ik kijk door 't raam wie 't is, en zeg: ‘daar heb je die timmerman weer.’ Maar 't karweitje duurt enige dagen; ten slotte heet 't nu: ‘Daar is de timmerman!’ 't Nieuwtje is er weer af, door de gewoonte. De baas van daarjuist is ook gewoon aan die krullen in de winkel. Veelvuldige nauwe betrekk. van plaats of tijd wordt uitgedrukt door 't bep. lidw.

Zo spreekt men van de bakker (elke dag komt ie), de slager, de meid (die zie je honderd keer op 'n dag). Van 'n boer heet 't afkeurend: ‘Die is weer over de koeien bezig’ (waar we al zo dikwels van gehoord hebben), maar in 'n gesprek ‘En wat deed ie toen met die koeien?’

Men zegt, dat dat de vroeger die is geweest. Dat is te begrijpen. Hoe sterker ik me 'n potlood of zo iets voorstel, hoe lichter en met meer klem daar die of dat vóór komt: ‘Moet ik nu met dàt potlood schrijven? met zo'n prul?’ Maar dingen die gewoon zijn, interesseren zo niet meer, 't die wordt zwakker, ook 't dàt. 't Wordt de en 't. Zeg maar 's: ‘Wat dùnkt je van die schrijver?’ Als je sterk op dunkt drukt, wordt die door gebrek aan adem zwakker. Dan kun je zo'n tussenvorm tussen die en de opmerken. In volksliedjes hoort men nù nog dat vroegere die: al op die hei, in die auto, al op die bergen, Laat die molen dan maar draaien: in liedjes is de adem meer gelijkmatig over de lettergrepen verdeeld.

7. ‘Die schurk! die dief!’ Dat die heeft niets met plaats of tijd te maken. Bij ‘Moet ik nu met dàt potlood schrijven!’ zag ik dat ding ten minste nog voor me. Maar dat sterke ‘dàt potlood’ werd toch vooral zo sterk door de levendige voorstelling. Wie 't nu over 'n schurk heeft, die 'm benadeeld heeft, is ook erg onder den indruk. Dat die is niet voor de duidelikheid, maar om z'n gemoed te luchten. Mensen, die op 'n afwezige schelden, gebruiken veel die's. Met de

[p. 88]

wordt ook gescholden: De schurk! Dat is 'n beetje meer ingehouden. 't Hangt natuurlik niet alleen van de toestand, maar ook van de hele persoonlikheid af.1)

8. Mevrouw zei 's tegen de meid: ‘Laat de hond 's uit!’ (de - veelvuldige nauwe betr. van plaats). Maar d'r dochter kwam juist de stoep op en 't dolle beest sprong voor de zoveelste maal tegen d'r lichte rok op. Toen ze nu binnenkwam, zei ze tegen d'r ma: ‘Ik wou dat u die hond maar opruimde.’ De dochter ziet die hond ook dikwels genoeg om de te zeggen. Zeker, maar nu is ze met 'm gebrouilleerd; ze wil 'm niet meer kennen als huisgenoot. Als men de zou verwachten, klinkt die minder waarderend. Dat geringschattend element zat misschien ook wel in ‘die schurk!’ Dat is ook geen bevriend persoon. Die timmerman die bij me aan huis 'n karwei had, zal ook liever horen dat ik tegen 'n huisgenoot zeg: ‘Daar heb je de timmerman’ als ‘die timmerman’. Nog liever zou ie horen: ‘Daar heb je onze timmerman’, dat is nog minder op 'n afstand; hij is dan als vast in onze dienst, als famìlie kompleet. Zo zei 'n vader

[p. 89]

van 'n zoon die krullejongen was: ‘Daar heb je nu onze timmerman.’ Die, de en onze vormen hier 'n klimax.1)

9. Wat doe je daar met die jongen? ‘Z'n hand verbinden.’ ‘Wat doe je daar aan die deur?’ ‘De knop vastmaken.’ Z'n klinkt hier niet: 'n deur is geen jongen, is geen mens. Maar ànders zou 't zijn: z'n knop vastmaken. Dieren laten d'r kop hangen en rozen d'r blaadjes. 't Zijn toch ook geen mensen. Maar 't zijn levende wezens. De deur bezit geen knop, maar de knop hoort er bij. 't Bez. vnw. drukt ook dikwels 'n bijeenbehoren uit: Z'n woning. Dat bijeenbehoren noemt de spraakkunst genitief-betrekking. De in ‘de knop van de deur’ drukt die gen. betr. ùit. 'n Jongen maakte altijd rommel, die jongen en rommel hoorden bij elkaar: ‘Denk je dat ik jou rommel opruim?’ zei de meid. 's Avonds als de markt afgelopen is, wordt de rommel opgeveegd: markt en rommel gaan samen.

Waarom vond die timmerman onze (zie 8) zo aardig? Onze drukt 'n bijeenbehoren uit en wat is vriendeliker dan bijeenhoren. Mensen die altijd ruzie hebben, horen niet bij elkaar, zegt men wel.

In 'n vertelling: ‘D'r was 's 'n schip. De kapitein was in z'n hut en de stuurman stond op 't dek.’ We waren in 'n vertelling gewoon bij eerste kennismaking 'n te gebruiken (zie 4). Hier ineens: ‘De kapitein’ ‘de stuurman’, ‘'t dek’. Maar dat hoort allemaal bij 'n schip: gen. betr. Zo ook ‘de kam van 'n haan’. In ‘de meid’, ‘de bakker’, ‘de slager’ voel ik ook iets van dat bijeenhoren: 'n Huisgezin kan er niet buiten.

Op straat zien we 'n ongeluk met 'n rijtuig. 'n Kwartiertje later ontmoeten we datzelfde rijtuig in 'n andere straat. ‘Kijk!’ zeg ik nu, ‘daar heb je dat rijtuig weer.’ Ook ‘'t rijtuig’? Neen, nooit! Toch is 't bekend, en bepaald er bij.

't Is te lelik weer om zo'n end naar 't station te lopen. Ik ga 'n rijtuig bestellen. 'n Half uur later komt 't voor. ‘Daar heb je 't rijtuig al,’ zegt iemand, die 't nog nooit gezien heeft: 't Is 't rijtuig waar we ìn moeten: 't hoort bij onze gang naar 't station: genitief-betrekking.

[p. 90]

Ik zeg tegen iemand: ‘Ga is n spoorboekje voor me kopen.’ 'n Tijdje later als ik er al niet meer aan denk, komt ie bij me en zegt: ‘Hier is 't spoorboekje.’ Hij bedoelt: ‘dat u besteld heeft.’ Hier is juist niet van gen. betr. sprake, maar van bekendheid.

Iemand die met me op reis gaat, vraagt bij 't station ineens: ‘Heb je 't spoorboekje niet vergeten?’ Hij bedoelt: dat je altijd meeneemt, dat bij de reis hoort als 'n geweer bij 'n soldaat: ‘'t’ drukt gen. betr. uit.

Wat bijeenhoort is aan mekaar bekend en wat aan mekaar bekend is, gaat bijeenhoren. De twee diensten van de, n.l. niet-recente bekendheid en gen. betr., zullen dikwels dooreenlopen. B.v. ‘We brachten verder de dag in aangename onderhandeling door.’

10. Lokaaltrein Zwaluwe - Den Bosch. Coupé 3e klas. Buiten - betrokken lucht. Binnen - ‘wat 'n lucht! 'k Heb ten minste maar 'n paraplu meegenomen.’ Is dat 'n onverschillige? 't Zou kunnen, maar de spraak alleen maakt hier niet bekend. 'n Besje: ‘Ik vertrouwde 't niks. Me dochter zei ook: ik zou me paraplu maar meenemen.’ Hier zou ‘'n paraplu’ niet echt klinken: Dat besje is gehecht aan haar kamertje, haar meubeltjes, haar koffiepotje, haar poes; haar paraplu is niet 'n paraplu. 'n Bejaarde schoenmaker: ‘Ik heb ook de paraplu maar meegenomen.’ Die lui houden van onder ons; mijn, mijn, jou, jou is te scherpkantig, te Hollands. ‘Waarom heb je de vrouw niet meegebracht?’ klinkt 't bij voorkeur. Iemand die de vrouw is in haar huisgezin, heet daar ook bij 'n ander ‘de vrouw’. ‘'k Zal de pijp is aansteken’ klinkt daar huiseliker dan ‘'k zal is 'n pijp aansteken’.

Iemand loopt rond te kijken in gebogen houding ‘Wat zoek je?’ ‘'k Ben 'n paraplu kwijt.’ Dat is 'n onverschillige. Ik zou zeggen, me paraplu; de gen betr. is hier van belang: wat men mist, waardeert men 't meest. Maar dat die paraplu die weg is, toevallig van hèm is, dat bomt niet, wil die zeggen. Misschien is ie wel zo rijk dat ie op geen paraplu hoeft te kijken.

Onder huisgenoten: ‘Ga je mee naar 't park?’ Er zijn meer parken in die stad, maar ze bedoelen 't park in hun omgeving: gen. betr. ‘Ik ben er ook in 'n park geweest’, zei iemand die 'n stad had bezocht, waar maar één park was. Hij had 't te veel over zich zelf en dacht niet aan de gen. betr. 'n Ander bezoeker wèl. Die had 't meer over de stad: 't Park was er mooi, zei die. ('t: gen. betr. tussen park en stad).

11. ‘Wat is d'r met die jas?’ ‘D'r is 'n knoop af.’

Er is tussen die jas en die knoop net zo goed 'n gen. betr. als tussen de deur en de knop; toch: 'n knoop, niet de.

[p. 91]

Gelukkig is de hele rij d'r niet af, maar één is gedeserteerd. Als ik dat zo zeg, komt dat één uit meer al heel sterk uit; 't wordt één tegenover meer. In 't gewone geval: ‘D'r is 'n knoop af’ voel ik die tegenstelling niet zo; ik voel die een naast de andere: 'n bet. hier in elk geval, met of zonder klem, een uit meer.

Als ik 't over die knoop heb, ben ik me tegelijk, al is 't nog zo zwak, bewust, dat er nog meer aan staan. In elk geval denk ik daar sterker aan dan dat die knoop aan de jas hoort; die gen. betr. wordt ten minste niet uitgedrukt.

‘De indruk van die rede was 'n machtige’. Die indruk had er ook een kunnen zijn, zoals zoveel indrukken, n.l. zeer zwakjes; maar nu was 't 'n machtige: 'n bet. een uit meer.

‘Deze taalbeschouwing is logies’ d.i. goed beredeneerd. ‘Deze taalbeschouwing is 'n logiese; ik houd meer van 'n psychologiese’. 'n bet. ook hier weer een uit meer, 't verwekt 'n sterk soort-idee. Men zegt dat dat oorspronkelik Duitse konstrukties zijn. Maar toch raken ze hoe langer hoe meer in gebruik: misschien omdat ze 'n nieuwe betekenisschakering hebben geschapen, die men is gaan onderscheiden zonder dat bewust te zijn.

12. ‘Mét 'n stok in de hand,’ de hand is 'n deel van 't lichaam als de knop van de deur: de - gen. betrekk. Maar er is meer dan één hand, zoals er daarjuist meer dan één knoop was. Toch de.

Tegen de metselaar: ‘Zeg, je moet 's aankomen. De schoorsteen is verstopt.’ Maar er zijn drie schoorsteenen aan ons huis. Toch gebruik ik geen een.

Tegen dezelfde metselaar: ‘D'r ligt ook 'n pan los.’ Die pan hoort net zo goed bij 't huis als de schoorsteen. Maar 't wemelt op 't dak van pannen. 't Getal-idee is zeer sterk, die pan is er een uit meer. Als je tegen de man zei: Je moet 's naar de pan komen kijken, zou ie misschien aan de koekepan denken: de pan, die hoort in de keuken, en daar zijn er niet zooveel als op 't dak.

Ik hoorde ook 's van 'n fietsrijder: 'k kan niet verder, de band van me fiets is kapot. Die dacht ook niet aan een band uit meer banden; toch waren er twee. Maar dat getal-idee is te zwak om zich op 't ogenblik te handhaven tegenover de sterke attentie voor de kapotte band: de gen. betr. tussen die band en de fiets wordt wèl uitgedrukt.

‘'k Heb in m'n vinger gesneden.’ Dat is zelfs een uit tien. Als iemand tien honden heeft, kan ie moeilik zeggen: 'k Heb m'n hond verkocht; dat is te duidelik 'n hond, een uit meer. Misschien dat 'n lichaamsdeel als deel van ons zelf zò interesseert, dat 't getal-idee

[p. 92]

soms helemaal verdwijnt. Als 't eene idee sterk is, is 't andere zwak; dat komt dikwijls uit. b.v. A: ‘m'n schoen zit zo los’. B.: ‘Dat zal wel, de veters hangen los!’ (gen. betr.). A: ‘Die vervelende veters!’ De levendige voorstelling van de veters afzonderlik sluit 't oog voor de gen. betr. (zie 7).

13. Plaats nu nog 's ‘'n pan’, 'n dakpan, een uit 'n groot gezelschap, heel scherp tegenover ‘de pan’, de koekepan, die tijdens 't gebruik geen lotgenoten heeft: de gaat dan maar één betekenen.

Vreemdeling, in 'n dorp: ‘Zouden we niet 'n rijtuig nemen?’ Hoofd van de school: ‘Zeg maar 't rijtuig’ (of het). Dus niet 'n, een uit meer, maar 't, één, alleen. Men zou kunnen zeggen: 't bet. hier alleenheid. ‘Isolement’ heet dat in de krant. De kracht van die koetsier ligt in z'n isolement. Hij is daar de koetsier, zonder konkurrentie. Wie doet 'm wat?

Als er na verloop van tijd 'n tweede koetsier bijkomt, dan kan toch de ouwe de koetsier blijven. Maar dan ligt z'n kracht niet in z'n alleenheid, maar in z'n deugdelikheid, z'n promptheid, z'n goede naam. De is dan synoniem met echte, beste, enige. ‘We hebben maar één organist’ zeien ze in 'n stadje. En ze hadden er twee. Die eene was de beste, hij was de organist. Eén en de ontmoeten hier elkaar.

14. Toen je over de dijk langs 't Holl. Diep liep, zei je: ‘Daar komt 'n trein aan’ of ‘kijk 's 'n trein!’ Achter reed 'n kar, links voer 'n schip, rechts lag 'n sloot en bij die sloot graasde 'n koe. Als je nu met diezelfde stem van daarjuist had geroepen: ‘Kijk 's, 'n sloot!’, dan had de ander gezegd: ‘'t Is van belang!’ en misschien gedacht: ‘Wat is dat nou? 'n sloot die kan je hier overal in de hele buurt zien. 'n Trein, dat is iets anders, die zie je niet in 't vlakke veld: 't Is 'n drukke stadse menheer midden in 'n veld met suikerbieten, of 'n stadse dame op hoge hakjes tussen de koeien en melkemmers. Dàt is iets biezonders. Niet 'n sloot, 'n koe, 'n schip!’ Dat 'n betekent niet een uit meer. Er zijn wel meer sloten, meer koeien, maar daar dacht die andere helemaal niet aan. 'n Trein was daar iets biezonders en wel 'n biezonder ding, 'n biezonder voorwerp. 't Biezondere wordt uitgedrukt door trein en dat dat biezondere 'n voorwerp is, 'n ding, dat zegt 'n. 'n Ander zou dat zonder dat 'n toch wel weten, maar we zeggen 't toch nog maar is. Vóór ‘water’, vóór ‘wijn’ komt geen 'n; dat zijn geen voorwerpen, geen dingen. Ze hebben geen eigen lijnen; de fotograaf heeft niets aan d'r te doen.1)

[p. 93]

15. 'n Kind heeft 'n groen glas te pakken gekregen en bestudeert daardoor z'n broertjes en zusjes: alles groen. ‘Wel’, zegt de andere, ‘door groen glas zie je altijd alles groen, en door rood glas alles rood.’ Niet ‘'n groen glas,’ maar ‘groen glas.’ Toch is er 'n voorwerp, 'n glas. Maar daar letten ze op 't ogenblik niet op. Is glas hier nu voorwerpsnaam of stofnaam? In je spraakkunst staat iets van met bepaalde of zonder bepaalde grenzen. 'n Glas heèft bepaalde grenzen, maar die zijn op 't ogenblik niet van belang. Wel als je drinkt. Je drinkt uit 'n glas, zò diep, zò wijd. De taal houdt hier juist geen rekening met 't ding zelf, maar met wat ons aan 't ding interesseert. Interesseert 't glas als ding, dan ook 'n glas, maar interesseert de vorm totaal niet dan glas.

‘We hebben van middag kip,’ zei iemand. Toch kwam er 'n kip op tafel. Maar de lijnen, de omtrek waren niet van belang, hij moest toch stuk. Maar de smàak, de gèur, die had de ander al te pakken voor ie aan tafel kwam. Als er veel aan tafel zitten, wordt ook 't gewicht, de massa van belang; maar daardoor wordt 't geen voorwerp: ze eten met d'r allen kip, net als vlees, groente.

‘D'r ligt vis in de keuken,’ zegt iemand die d'r van houdt. ‘D'r legge vissies’ zei 'n ander tegen 'n jongetje, dat graag naar die dingen keek. 't Idee ‘ding’ wordt hier niet uitgedrukt door 'n, maar door de meervoudsuitgang.

'n Koopman die op straat om oud ijzer schreeuwt, laat ook duidelik horen dat 'm de dingen als zodanig niet interesseren. Aan 'n oude schop of schaar ziet ie niet de lijnen, alleen de roest als teken dat 't ijzer is: de voorwerpen zijn in zijn geest maar stof: geen lidw.

16. 't Lidw. 'n kan dus betekenen een uit meer, òf wel 't idee ‘voorwerp,’ ‘omlijning’ uitdrukken. We nemen nu 'n willekeurig geval om dat tuis te brengen: ‘Is menheer niet tuis?’ ‘Neen, 'k heb 'm met 'n hond de weg op zien gaan.’ 'n hond, een uit meer of voorwerpidee? Niet om 't gewicht van die kwestie zelf, maar om is te laten zien, hoe moeilik 't is in de taal te klassificeren. Als jullie nu werden opgeleid voor winkelier, dan was dat bepaald jammer. Krenten 1ste soort in dit hokje, krenten 2de soort in dat hokje, 't gaat hier dikwels helemaal niet op. Maar voor jullie is dat net goed. De kinderen die je later krijgt zijn ook geen krenten voor 6 hokjes en in 'tzelfde hokje allemaal dezelfde soort. Vijf en twintig kinderen, vijf en twintig variaties. Vijf en twintig zinnen met 'n lidw., vijf en twintig schakeringen in de betekenis van dat lidw. Dat is 'n beetje overdreven, maar in hoofdzaak waar.

De zin was: ‘Hij is met 'n hond de weg op.’ Bet. dat 'n ‘een

[p. 94]

uit meer’ of drukt 't 't ding-idee uit. Moeilik te voelen? Plaats 't in 't meerv.: ‘Hij is met 'n paar honden de weg op.’ Nu 't meerv. van: ‘Met 'n hond moet je niet op reis gaan’: ‘Met honden moet je niet op reis gaan.’ Eerst: 'n paar honden, nu: honden.1)

Waar blijft de gedachte aan 'n getal bestaan? ‘'n paar honden’, dat zijn er enige; ‘honden’ in ‘met honden op reis gaan’ zijn er ook meer, men zegt ‘honden’ meervoud dus. In beide gevallen voelt men iets van meer, maar in de eerste zin 't sterkst; daar staat nog is apart: ‘'n paar.’ ‘Met honden op reis gaan’ staat naast ‘met kinderen, met bagage enz. op reis gaan.’ De soort vraagt m'n aandacht, sterk de aandacht. Zo sterk, dat de aandacht voor de hoeveelheid zeer verzwakt. Alleen de meervoudsuitgang wijst er nog maar op. ‘Met 'n hond de weg op gaan’ staat naast ‘alleen de weg op gaan.’ Hier overheerst 't ding-idee; 'n hond is ook wel 'n soòrt ding, maar omdat die soort niet naast andere soorten wordt gesteld, is 't idee ‘soort’ minder levendig. En 't idee ‘ding’ is daar te sterker door. Maar aan 't lidw. 'n zelf is van dat alles niets te zien. In 't meerv. komt 't beter uit.

‘Ik kwam op die weg 'n man tegen.’ Meerv.: ‘Ik kwam op die weg 'n paar mannen tegen.’ ‘Man’ drukt 'n soort-idee uit, 'n 't ding-idee; in 't meerv. blijkt dat laatste sterk te zijn. ‘'n. Man is sterker dan 'n vrouw’. Meerv.: ‘Mannen zijn sterker dan vrouwen.’ ‘Man’ - weer soortidee, 'n - ‘ding’-idee, 't laatste zwak, dat blijkt in 't meervoud. ‘D'r zit 'n hond voor de deur.’ Meerv.: ‘D'r zitten 'n paar honden voor de deur.’ Men kan ook wel ‘'n paar’ weglaten. Maar dan heeft men niet zo'n sterk ding- of getal-idee.2)

[p. 95]

17. Iemand zegt: 'k Heb maar één schrift nodig, of ‘'k Heb er maar één nodig.’ Dit staat tegenover twee, drie etc. Let op: tegenover. Hij is bang, dat men er 'm twee of drie zal geven.

Iemand vertelt van 'n specialiteiten-gezelschap: ‘D'r was er één bij, die kon van alles.’ Hier staat één tegenover meer, tegenover de andere van de troep. Waarom tegenover? Omdat die eene zo boven de andere in behendigheid uitstak.

In 'n winkel: ‘Wat kosten die appelen?’ ‘Zooveel.’ ‘Geèf 'r dan maar een.’ De koper is volstrekt niet bang, dat ie er twee zal krijgen; dan had ie wel sterker op een gedrukt. Een staat hier niet tegenover maar naast twee, drie enz.

Van de specialiteiten-groep: ‘Ze konden van alles. D'r was er een bìj, die 1000 pond oplichtte.’ Of ‘d'r wàs er een, die etc.’

Een staat hier ook naast de andere van de troep, niet sterk genoeg in m'n aandacht om aan tegenover te denken.

Maar ‘een’ tegenover twee, drie of meer, of ‘een’ naast twee drie of meer, 't is toch in al die gevallen een uit meer.

18. We krijgen nu dit trapje:

1.Ik heb maar één kip gezien. 'k Heb er maar één gezien (één tegenover meer).
2.Haàl maar 'n kip. Haàl d'r maar een. (een naast meer).
3.De schilder had 'n kìp op 't hek gefantaseerd. Hij had er eerst een op 't schuurtje gezet. ('n of een - sterk ‘ding’-idee: in 't meervoud: ‘'n paar kippen’).
4.'n Kip is schuwer dan 'n duif ('n - zwak ‘ding’-idee: in 't meervoud ‘kippen’; sterk ‘soort’-idee).
5.We hebben van middag kip. (alleen ‘soort’-idee).1)

Niet van buiten leren! Ik ben 's in 'n grote werkplaats geweest. Daar hingen hele rissen gereedschap tegen de muur. Zou je daar aan de baas hebben durven vragen, of ie al die dingen achter elkaar uit z'n hoofd kon opnoemen? De man had je niet meer aangekeken. Jullie moeten leren horen, zien en oordeelen. Hier is de werkplaats.

[p. 96]

De taal bevat 'n massa gereedschappen. In hele rissen hangen ze daar. Maar als je ze gebruikt heb, wees dan zo verstandig ze weer op te hangen. En blijf niet als 'n dwaas met je hele schort vol rondloopen.

Voor vlugge leerlingen: Als men in 4 't z.nw. wil weglaten zoals in 1-3, dan krijgt men: ‘Als je zo'n ding zou willen temmen, had je Jobs geduld nodig.’ 't Zwakke ‘ding’-idee van 'n (zie 4) wordt teruggevonden in ding: 't sterke ‘soort’-idee van ‘kip’ (zie 4) wordt teruggevonden in ‘zo'n’ (= zo'n soort).

19. In sommige gevallen zei men één, in andere een, in andere 'n. Bij één is de aandacht sterker op dat getal gericht dan bij een. Zo doorgaande zou men zeggen, dat bij 'n 't getal-idee weer zwakker is dan bij een. We hebben gezien dat dat ook zo is. Maar we ontmoetten in 't zelfde geval een en 'n: ‘Hij had 'n kip geteekend, ik wilde er oòk een tekenen.’ 'n en een beide drukken 'n even zwak getal- of ‘ding’-idee uit. Maar bij 'n kip krijgt ‘kip’ als z.nw. sterk de klem. Natuurlik! ik vestig de aandacht van de hoorder voor 't eerst er op. Maar in de tweede zin komen andere dingen de aandacht vragen; kip wordt nu niet meer met nadruk genoemd, 't wordt alleen nog maar herhaald als er. Daar leeft ‘een’ van op. Toen 't voor ‘kip’ stond, en zelf te weinig kracht had om een te blijven, toen werd 't onder de druk van 't z.nw. 'n.

In 'n winkel: ‘Heeft u anzichten van de markt?’ ‘'k Zal is kijken. Hier heb ik er al een.’ (er - sterk soortidee: 't moet van de markt zijn, een - zwak ‘ding’-idee. Meervoud: 'k Zal is kijken. Hier heb ik er al. (er - sterk soort-idee, 't ding-idee is hier niet afzonderlik uitgedrukt).1) Koper: ‘Geef er dan maar een,’ of ‘'n paar.’ Nu de kwestie van de soort is opgelost, komt 't getal-idee voor de dag. Toen de winkeljuffrouw ze gevonden had, kon ze ook wel gezegd hebben: ‘Hier heb ik er 'n hele hoop’ of ‘'n paar.’ Onder 't zoeken had ze de soort in d'r hoofd. Bij 't vinden viel d'r ineens de hoeveelheid op.

'n Jongen vertelt aan 'n andere jongen, dat ie appelen heeft weggehaald. 'n Paar boeren stonden op grote afstand. Maar, een kwam

[p. 97]

er op 'm af. ‘Een van die kaffers kwam op me af,’ zegt-ie. Maar tegen 'n andere jongen, die er bij is geweest: ‘Zeg, weet je nog, dat die ene kaffer op ons afkwam?’ Nu: ‘die ene,’ daar juist: ‘een van die.’ Een van de boeren is speciaal aan de spreker en ook aan de hoorder bekend, de voorstelling van de wreker komt weer levendig in de geest op, vandaar ‘die eene.’ Dat hebben we ook gehad in ‘die schurk!’ ‘Ik kan die man niet uitstaan’ voor ‘Ik kan 'm niet uitstaan.’ Maar bij al de levendigheid, waarmee die boer weer in de geest opkwam, werd toch niet vergeten, dat ie bij 'n troep hoorde, 't sterk ding-idee kon 't getal-idee niet geheel verdringen, vandaar ‘die eene.’ 'n Mens is toch 'n handig verteller, dat ie al die abstrakte idees zoo fijntjes tussen z'n verhaal door mengt. Zelfs als ie nooit taalles heeft gehad. In de spraakkunst heet ‘een van die boeren’ onbep. vnw. 't Betekent 't zelfde als ‘iemand.’ Hoe weet men dat? Zet ‘iemand’ daar in die zin is in de plaats voor een: ‘Iemand van die boeren kwam op me af.’ Maar dat klinkt niet. Dan 'n andere zin: Heeft een van de heren daar iets op tegen? Hier staat meer of minder levendig in m'n geest, dat die persoon hier een uit meer is. In ‘Heeft er iemand van de heren op tegen?’ voel ik dat zo niet; ‘van de heren’ vind ik 'n beleefde toevoeging aan ‘iemand’, 'n soort ‘met twee woorden spreken.’

(Wordt vervolgd).

Ph. J. Simons.

1)Wat de pedagogiek van deze lessen betreft: Deze is te vinden in Methodologie van het Moedertaal-onderwijs door J.H.v.d. Bosch in T. en L. 1903, 150; dezelfde vindt men ongeveer in Inperking van het literatuuronderwijs door G. Bolkestein in T. en L. 1905. 'n Zelfde beginsel leeft hier en daar in de werken van Dr. A.J. Vitringa, n.l. ‘Geef van sommige vakken 'n zeer beknopt overzicht, maar behandel een of meer onderdelen uitvoerig om wille van 't inzicht.’ Redenen van utiliteit kunnen echter iemand noodzaken voorlopig anders te handelen.
1)'t Bep. lidw. wordt ook meestal gebruikt, als 't met 't z.nw. samen in de plaats treedt voor 't pers. vnw., omdat dit de gewenste gevoelswaarde mist. Bv. ‘Daar staat iemand om je te spreken’. ‘Nou, wat wìl de man?’ (voor: wat wil ie). Van 'n vrouw: ‘Wat wil 't mens?’ (voor: wat wil ze). Van 'n kind: ‘Wat wil 't wurm’ of ‘'t schaap’. Van 'n insekt of 'n doosje: ‘Gooi 't ding weg!’ (voor: Gooi 't weg). Dergelike deelnemende of geringschattende kwalifikaties zijn: de stumper, de schooier enz. Ook komen ze voor als 't pers. vnw. niet duidelik genoeg zou zijn, omdat de zelfstandigheid in kwestie al te lang geleden genoemd is. Bv. in 'n opstel over 't varken: ‘de borstelige viervoeter’. De voorstelling is dan is de hoorder niet meer levendig genoeg om die te zeggen (zie 4).
Dat de z.nw. in 't eerste geval niet meer gebruikt worden om de betekenis maar om de gevoelswaarde, blijkt 't duidelikst uit 't mens voor de vrouw. Daardoor ook nemen ze in vereniging met 't lidw. de plaats in tussen pers. vnw. en z.nw.: de kategoriëen aanduidende en noemende woorden lopen hier ineen. (De man in bovenstaand gebruik met z'n voornaamwoordelik karakter doet me denken aan 't ontstaan van 't vnw. iemand).
Zoals nu de man, 't mens, dus koppelingen met 't bep. lidw., op de rand staan van de pers. vnw., d.i. louter aanduidingen van zelfstandigheden, gaan z.nw. zonder lidw. soms de tegengestelde kant uit en worden kompleet b.nw., d.i. louter hoedanigheidswoorden b.v. ‘Hij is niets dan geleerde’, zodat 't z.nw + onbep. lidw. 't midden houdt tussen pers. vnw. en b.nw., tussen aanduiding en kwalifikatie, b.v. ‘Ik heb 'n geleerde gesproken’: 't z.nw. wordt door 't onbep. lidw. 'n model-z.nw. Dat 't bep. lidw. van zijn kant 't ding-idee in de z.nw. verzwakt, blijkt uit 21.
1)'t Minder vertrouwelike die staat ook tegenover 't pers. vnw. ‘Ga 's naar Marie en vraag of die ook meedoet’ is soms minder intiem dan ‘of ze ook meedoet.’ In 't eerste geval is M. een uit de hoop, in 't laatste geval iemand waar ik me afzonderlik voor interesseer. Nog meer op 'n afstand is 't: ‘Wat is M. tegenwoordig?’ ‘Ik geloof dat ze onderwijzeres is.’ ‘Wat is die schrijver A?’ ‘Ik geloof dat 't 'n journalist is.’ Hier vormen 't, die en ze 'n klimax.
1)In dit verband kan ook 't geval van § 3 dienst doen. 't Ligt er maar aan, welk van de verschillende funkties die 't lidw. soms tegelijk verricht, door de beschouwing naar voren gebracht wordt.
1)'n Dergelik verschil is er tussen: ‘Haal 's wat water’ en ‘De gezondste drank is water.’ In 't laatste geval is er alleen stof-idee, in 't eerste ook nog hoeveelheids-idee, uitgedrukt door wat.
2)Omdat meestal alleen bij dingen (en niet bij stoffen) van getal sprake is, gaan ding-idee en getal-idee dikwels samen. Maar de meervoudsuitgang is natuurlik op de eerste plaats 'n uitdrukking van 't getal-idee. Zoo ook bij stofnamen: wijnen, bieren. Daar is ook wel 'n soort-idee, maar 't getal-idee ‘twee of meer’ is toch de naaste aanleiding tot 't gebruik van 't meervoud. In 'n wijn is dat iets anders. Daar is ook wel getal-idee: 'n bet. n.l. ‘een uit meer’, maar tegelijk is er 'n zeer sterk soort-idee, dat nog meer dan 't getal-idee in 'n z'n uitdrukking vindt. Wijl soort en hoedanigheid verwant zijn, is dit geval op een lijn te stellen met ‘Hij is 'n notaris zoals, enz.’ (zie 28).
In: ‘Daar lag me toch 'n meel op de grond!’ helpt 'n 't idee ‘grote hoeveelheid’ uitdrukken; ook in ‘Wat 'n mensen!’ (meerv.). Als ‘Wat 'n mensen!’ op de hoedanigheden ziet, dan kan 'n wegblijven; ook in ‘Wat 'n jas!’ 't Sterke hoedanigheids-idee schijnt zo volledig door 't z.nw. alleen te worden uitgedrukt, dat 'n 'n waardeloos aanhangsel is.
Zoals in geen 'n dikwels geen ding-idee meer uitdrukt (Ik heet geen Piet, Dat is geen wijn, Ik heb geen boeken), zit ook in zo'n 't lidwoord-element alleen nog maar etymologies: Zo'n pennen heb ik nooit gehad.
1)Buiten 't verband met 1-4 zou hier de term stof-idee beter zijn, omdat de gebruikte term misschien aan 'n voorwerp als zodanig doet denken (vgl. ‘soortnaam’).
1)Wel dunkt me, dat 't ding- of getal-idee zwakjes door er wordt uitgedrukt: Nooit hoort men van melk: ‘Geef mij er ook wat’. (wat - hoeveelheidsidee). Er kon dan 't stof-idee uitdrukken, zoals 't soort-idee in ‘Geef mij er ook 'n paar’; maar 't zou in dat geval natuurlik geen getal-idee kunnen uitdrukken. Als men nu nagaat, hoe licht de analogie 't ding-idee van 'n in geen en zo'n geheel verduisterd heeft, dan is men geneigd, de weigering van er om door analogie ook stofnamen te vervangen, toe te schrijven aan de handhaving van 't getal- of ding-idee in dat woordje.
prepostterug  begin  verder