terug  begin  verderprepost
[p. 75]

Iets over de metafoor.1)
(Vervolg van blz. 49).

In de tweede groep van betekenisovergangen, die volgens Wundt ten onrechte als metaforen worden beschouwd, maakt hij een splitsing. Een gedeelte behandelt hij in het hoofdstuk van de ‘reguläre’ betekenisovergang, een ander rekent hij tot de ‘singuläre’.

Regulär is de overgang, als die op verschillende tijden bij allerlei individuen plaats kan vinden. De meeste mensen spreken van de poten van een tafel, omdat ze van jongs af met die naam vertrouwd zijn. Maar stel dat iemand nooit die benaming gehoord had, zou die dan niet van zelf bij hem op kunnen komen? En zou dat dan voor hem een ‘oneigenlike’ naam zijn, of een rechtstreekse aanduiding? Natuurlik weet ieder dat een tafelpoot er anders uitziet als de poot van een levend wezen, maar een paardepoot, een varkenspoot en een vogelpoot lijken ook niet veel op elkaar, en toch heeft er geen ‘overdracht’ plaats als we een lichaamsdeel van de een net noemen als dat van de ander. Het overheersende kenmerk, n.l. dat het de delen zijn waar het dier op staat, blijft hetzelfde. Daarom staat voor ons ook een tafel of een stoel op zijn poten. Wundt spreekt in dit geval van betekenisverandering met konstante overheersende voorstelling. De psychiese voorwaarden zijn eenvoudig. Er bestaat een nauw verband tussen het woord en de overheersende

[p. 76]

kenmerk in een zeker voorstellingskomplex. Heeft nu een ander voorstellingskomplex hetzelfde overheersende kenmerk, dan wordt hetzelfde woord gevoeld als de passende benaming voor het nieuwe voorstellingskomplex.

In 't biezonder zien we deze eenvoudige betekenisovergang bij namen van lichaamsdelen, die overgaan op verder af liggende objekten. Wij spreken van de roet van een glas, een toren, een berg, de mond van een kanon, een rivier, de hals van een fles, het oor van een kopje, de rug van een berg, de tanden van een zaag, de tong van een weegschaal, de benen van een driehoek, de kop van een distel, het haar, de huid van een plant, de neus van een schoen, de armen van een stoel, de aderen in marmer, enz.

Ook zitten, liggen, staan, gaan, oorspronkelik toegepast op het menselik en dierlik lichaam, worden in alle talen gebruikt voor toestanden of bewegingen van voorwerpen: het haar zit op het hoofd, het schip ligt in het water, de tafel staat, de wagen gaat. In het bewustzijn van degene die voor 't eerst zei: ‘de wagen gaat’, bestond geen onderscheid tussen de overeenkomstige beweging van dat ding en van levende wezens.

‘Singulär’ is de betekenisovergang, wanneer de oorsprong bij één individu te zoeken is. De duidelikste gevallen zijn de aanwijsbare willekeurige naamgevingen (b.v. gas). Maar ook de naamgeving op grond van een gelijkenis, die een opvallend origineel karakter draagt, die niet bij iedereen op zou kunnen komen, rekent Wundt tot deze groep. Als voorbeelden noemt hij het Franse lunette (maantje) voor verrekijker, en canard (scheepje) voor eend. Maar ook de kelk, de kroon, de katjes bij de planten, de naden in beenderen.

Als we nu dit laatste voorbeeld vergelijken met troonhemel, het gehemelte, die Wundt onder de voorafgaande groep van de ‘reguläre’ overgangen brengt, dan wordt het ons duidelik hoe moeielik de grens te trekken is. Of beter gezegd: er is geen scherpe grens. De mogelikheid dat een vernuftige vergelijking bij meer individuen onafhankelik van elkaar opkomt, is niet buitengesloten. En omgekeerd kan een vergelijking die ons achteraf gewoon lijkt, bij één individu zijn oorsprong hebben. Wundt ziet dat zelf in, wanneer hij de paragraaf besluit: de vraag naar het ‘individuelle’ of ‘generelle’ ontstaan zal in de regel open blijven.

Mij werd dit vooral duidelik door de waarneming van kindertaal. Daar zien we de ‘naamgeving’ aan het werk. Alleraardigste individuele benamingen horen we uit de kindermond. Die namen uit de voorstellingswereld van een drie- of vierjarig kind hebben voor

[p. 77]

volwassenen iets verrassend, maar ten onrechte denken ze daarbij altijd aan een biezondere vindingrijkheid.

Een kind noemde b.v. de bruine dennewortels langs een bospad: korstjes, een bruin, rond deurpaneel met parelrand: taart, de voelhorens van een slak: snorretjes, de konfituren op een taart: groene zeep en bieten, een schijfje ei: een maantje van ei (vgl. het bovengenoemde Franse lunette). Toen ze op een zonnige, winderige dag een man de straat zag vegen, zei ze: ‘Kijk, die man haalt stoom uit de straat!’ Een andere keer zag ze in 't bos een verdwaald hondje, dat ze anders elke dag tegenkwam in gezelschap van een oude dame. Vandaar de vraag: ‘Waar is de moeder van dat hondje?’

In al deze gevallen was de naam voor het kind de rechtstreekse aanduiding van een nieuwe voorstelling, die nog benoemd moet worden, en die het hoofdkenmerk gemeen had met een bekende voorstelling waaraan al een naam geassocieerd was. Het kind maakte niet een bewuste vergelijking tussen het opstuivende stof en de stoom; die stof was stoom, die immers net zo in wolken uit een lokomotiefpijp omhoog gaat. Dat hondje moest op de wandeling altijd bij die grotere dame blijven; die dame was dus een moeder, net zo goed als haar mamma.

Nu zal de opduikende voorstelling waaraan de nog niet benoemde zijn naam ontleent, natuurlik bij elk kind niet dezelfde zijn. Een kruisband om een krant noemt mijn dochtertje een mofje; een kind uit een ander gezin zei: manchet.

Maar diezelfde namen kunnen natuurlik ook elders ontstaan. Hoe meer de overeenkomst voor de hand ligt, hoe groter kans. Als een kind het haakje van een lorgnetkettinkje, met zijn duidelike oor-vorm, een oortje noemt, dan zal het waarschijnlik door honderd anderen, ook volwassenen, juist zo genoemd worden. Hetzelfde kind gaf aan de koperen gewichten van een gaskroon de naam eikels, terwijl het die nooit van anderen gehoord had. Dat woord zou men niet licht als een spontane vorming herkennen, omdat iedereen die eikelvormige gewichten zo zou kunnen benoemen. Uit deze voorbeelden blijkt dus duidelik, hoe moeielik het in veel gevallen is, de naamgeving op grond van overeenkomst naar de ‘reguläre’ of de individuele oorsprong te scheiden.

 

Wundt bepleit dus een engere begrenzing van het begrip ‘metafoor.’ Het wezen van de metafoor, zegt hij, wordt ons het duidelikst, als we de grensgebieden nagaan. Aan de ene zijde wordt de metafoor begrensd door de bovengenoemde ‘reguläre’ betekenisovergang (de

[p. 78]

poot van de tafel). Hier is geen bewuste overdracht: het woord wordt gevoeld als de adequate aanduiding van het voorwerp. Deze betekenisovergang is nog geen metafoor.

Aan de andere zijde wordt de metafoor begrensd door de vergelijking. Daarin zit wel een ‘overdracht’, - er wordt immers een verband uitgedrukt - maar de vergelijking bevat ook nog de oorspronkelike voorstelling. De vergelijking is geen metafoor meer.

De metaforiese uitdrukking staat natuurlik niet op zich zelf, maar maakt deel uit van een ‘Gesammtvorstellung’, en kan dus alleen in verhouding tot die ‘Gesammtvorstellung’ nader bepaald worden. Een woord dat door ‘reguläre’ betekenisovergang een nieuwe betekenis gekregen heeft (de poot van de tafel) wekt alleen de voorstelling van die nieuwe betekenis. Alle bestanddelen van de Gesammtvorstellung zijn dus gelijksoortig; die Gesammtvorstellung is homogeen.

Bij de vergelijking is het omgekeerd: twee zelfstandige ‘Gesammtvorstellungen’, die een of andere eigenschap gemeen hebben, worden in één verband samengebracht of tegenover elkaar gesteld. De uitwerking van die verbinding is een versterking van de uitdrukking.

Bij de metafoor nu wordt niet een zelfstandige voorstelling met een andere zelfstandige vergeleken, maar de metaforiese uitdrukking voegt zich als afhankelik bestanddeel in een andere, door een zin uitgedrukte ‘Gesammtvorstellung.’ Syntakties komt het metaforiese bestanddeel op één lijn te etaan met de andere delen van de zin. Maar de voorstellings- en gevoelswaarde is afwijkend. Het is een heterogeen bestanddeel, dat eerst door associatie met de eigenlike voorstelling, door de gehele zin gewekt, zijn eigenlike waarde krijgt. Die eigenlike waarde berust dus op een ‘psychische Doppelwirkung.’ Er heeft in één ‘Gesammtvorstellung’ menging plaats van ‘disparate’ bestanddelen. Wij zijn ons bewust dàt ze ‘disparaat’ zijn, maar tegelijk wordt gemakkelik door een associatie de homogene voorstelling gewekt. In die ‘Doppelwerkung’ bestaat juist ‘das qualitativ wie quantitativ Eigenartige, extensiv wie intensiv Gesteigerte der Metapherwirkung.’ De metaforiese uitdrukking omvat een groter deel van onze voorstellings- en gevoelswereld, en versterkt de indruk, wat betreft zijn voorstellings- en gevoelswaarde.1)

[p. 79]

Zowel om zijn psychies karakter als om zijn ontstaan wordt de metafoor ten onrechte vaak als een ‘verkorte vergelijking’ beschouwd. Daarin zou opgesloten liggen dat de vergelijking ouder moet zijn dan de metafoor, en dat de vergelijking door de neiging om woorden uit te sparen tot een metafoor ineenkromp. Wundt beschouwt omgekeerd de metafoor als een eenvoudiger psychies verschijnsel, en noemt de vergelijking ‘eine ausgeführte Entwicklung dessen, was die Metapher gewissermaszen noch im Zustund der Involution enthalten hatte.’1) Metafoor en vergelijking zijn in oorsprong ‘singulär’, maar de vergelijking draagt nog duideliker de stempel van individuele vinding.

Tussen de metafoor en de genoemde grensgebieden is niet altijd een scherpe grens te trekken. Er zijn, in 't biezonder tussen metafoor en vergelijking allerlei tussentrappen mogelik, van het enkele metaforiese woord tot de meest samengestelde uitdrukking, waarin maar een enkel begrip, of waar de samenhang op de eigenlik bedoelde voorstelling wijst. In het oude spreekwoord: ‘een ledig mens is des duivels oorkussen’ komt maar één metafories woord voor; het spreekwoord: ‘'t zijn niet allen koks die lange messen dragen’, bevat een geheel uitgewerkt beeld als vergelijking.

Wundt knoopt hier een beschouwing aan vast over de werking van de metafoor in dichtertaal. Met treffende voorbeelden toont hij aan hoe ook daar de metafoor zich allereerst onderscheidt doordat hij een versterking van de gevoelsindruk bewerkt. De metafoor dient volstrekt niet altijd ter veraanschouweliking. Die veraanschouweliking kan hulpmiddel zijn, maar is geen hoofdzaak.2)

[p. 80]

Tot de typiese metaforiese woorden behoren de spot- en scheldnamen. In de eerste plaats de dierennamen, op mensen toegepast, als ezel, aap, varken, schaap, kalf, eend, uilskuiken, papagaai, kat, slang, serpent, bok, buffel, gans, keffertje, enz., om een karaktereigenschap; of op grond van uiterlike overeenkomst: ooievaar, kraai, molenpaard, nijlpaard, stokvis, sprinkhaan, beer, Paas-os, ‘Haantje Kalkoen,’ enz.1) Hier is de dubbelwerking duidelijk: de spot of de geringschatting zit juist daarin, dat ook de oorspronkelike voorstelling gewekt wordt. Hierbij sluiten zich dan allerlei afleidingen aan, als: bokkig, kattig, honds, ezelachtig, en samenstellingen: bokkesprong, kattekwaad, apeliefde, kalverliefde, slakkegang, slangelist, apetronie, arendsblik, wespetaille, vlindernatuur, krokodilletranen, schelvisogen, poes-lief; en de werkwoorden als naäpen, ijsberen.

Een tweede groep vormen de voorwerpsnamen, die spottend of scheldend op mensen toegepast worden: bonestaak, plank, hark, bierton, zoutzak, ouwe sok, ert (urt), lor, prul, smeerlap, enz.

Een derde groep zijn de spotnamen van voorwerpen, die in bepaalde kringen, in jongens-taal, in volkstaal, in soldaten-taal, in jagerstaal, in studenten-taal, in ‘boeven’-taal, naast de eigenlike naam ontstaan: knol of raap (= horloge), volle maan of maneschijn (kaal hoofd), krentebaard, kaashoofd, rouwranden, (vuile nagels,) aardbei (rooie neus), vuurtoren (roodharige), een kale knikker, kachelpijp, (hogehoed), ezelsoor (in een boek), kinderkopjes (hobbelige straatkeien), pijpesteel (magere hals) koffiemolen (lokaalspoor-lokomotief), zwaluwstaart (pandjesjas), dopje, meloentje, kaasbolletje, rijstebol (ronde herehoed), driedekker, schuit, fregat, Dreadnought (nieuwerwetse grote dameshoed); onder soldaten: spuit of potlood (geweer), kaasmes of lat (sabel), brandemmertje (sjako), scheerkwast (pluim), sigarekoker (leren tas), strijkijzers, vioolkisten, sigarekistjes, stoomboten, schuiten, schepen, turftrappers, klompen (schoenen), onder jagers: zweet, wol, pluim, onder studenten: kast (kamer): onder ‘boeven’: paraplu, (gevangenis). De veelheid van namen voor hetzelfde voorwerp wijst op de individuele oorsprong. Ieder weet uit zijn eigen omgeving hoe zeer die voorbeelden van speels volksvernuft te vermeerderen zijn. Elk oogenblik ontstaan er natuurlik nieuwe, terwijl andere vergeten raken, en na een aantal jaren zelfs

[p. 81]

opheldering behoeven, b.v. het woord schorzeneeltje (vlecht van een staartpruik) uit de Camera-tijd1).

Wundt brengt in deze paragraaf ook woorden als kraan (hijswerktuig, om de oorspronkelike gelijkenis met een kraanvogel), bok (houten toestel, bij ons in het gymnastieklokaal bekend), ezel (om een bord of schilderij te dragen), schapenwolkjes, omdat hier de zeldzaamheid van de vergelijking een individuele oorsprong doet vermoeden.

 

De aandachtige lezer van het voorafgaande zal hier, met ons, een leemte ontdekken in Wundt's uiteenzetting. Als grensgebieden van de metafoor wees hij alleen op de ‘reguläre’ betekenisovergang en de vergelijking. Hierbij zag hij over 't hoofd de vroeger behandelde ‘singulare’ betekenisovergangen op grond van gelijkenis (zie hiervóór blz. 76-77). Immers staan kelk, kroon, katje zo ver van kraan en ezel? Wil men in deze groep van voorwerpsnamen een scheiding blijven maken naar Wundt's criterium, dan zou men telkens de vraag moeten stellen: is het waarschijnlik dat men zich bij het ontstaan van dit woord de overdracht van betekenis bewust was? Soms zal een antwoord mogelik zijn: de vergelijking kan zò vernuftig of opzettelik-grappig bedoeld zijn, dat de gedachte aan onbewustheid buitengesloten is. Maar in veel meer gevallen staan we voor een open vraag.2) Hier is dus een grensgebied met sterk vervloeiende grenzen. Bij de behandeling in de klasse is er m.i. geen enkel bezwaar om deze hele groep metaforen te blijven noemen. De beste inleiding is dan een behandeling van de vergelijking, zoals K. Veenenbos die gaf in de vorige jaargang van dit tijdschrift. Het ontstaan van het metaforiese woord uit de algemeen menselike neiging tot vergelijken kan men de leerling doen waarnemen in zijn eigen taal. Als een gladde ijsvlakte de voorstelling van een spiegel wekt, dan is het begrijpelik dat men die vergelijking evengoed legt in de zin: de ijsbaan was één spiegel, als in de vergelijking: ‘de ijsbaan was als een spiegel’, of in ‘spiegelglad.’ Wie telkens van mening verandert, wie met alle winden meedraait, is een weerhaan. Mevrouw Dorbeen was een rammel (vgl. ratel)

Van groot belang is het, er dadelik op te wijzen, hoe licht de voorstelling die door vergelijking de naam leverde voor de nieuwe voorstelling, zal geen verbleken en zelfs geheel verdwijnen, en hoe dit

[p. 82]

in allerlei graden, en individueel verschillend kan gebeuren. Een leerzaam voorbeeld is al dadelik waterspiegel, dat synoniem wordt met waterpeil, en waarbij dus de voorstelling van een spiegel helemaal verdwijnt. Zo komt het dat we metaforen gaan ‘ontdekken’ in de slang van de waterleiding, de boa van een dame, de koevoet van de arbeider, de stormram, de haan van het geweer, de brug van de gymnastiek, het spionnetje aan het raam. Maar die voorbeelden staan weer niet op één lijn. Bij de twee laatste zal men licht aan de brugleuningen en aan het spionneren blijven denken, terwijl niemand uit een hele klas bij de slang van de waterleiding ooit aan het verband met de diernaam gedacht had. Maar zolang het woord ook in zijn oorspronkelike betekenis blijft bestaan, kàn natuurlik de vergelijking weer bewust worden. Hoe gewoner de metaforiese betekenis wordt, des te meer verliest de metafoor zijn kracht. Toen het woord (gloei)kousje nieuw was, moet de bijgedachte aan kous veelvuldiger en levendiger geweest zijn dan nu. Voor een smid is rattestaart (een soort vijl), voor de grondwerker is juffer (heipaal) een rechtstreekse aanduiding, zonder enige metaforiese kracht. Wie die woorden voor 't eerst hoort, vindt ze ‘aardig’. Een Zuid-Hollander denkt bij varken (vloerstoffer) waarschijnlik nooit meer aan het dier; Drentse jongens zullen altijd lachen als ze dat woord horen.

Van belang is ook, op het verband te letten. Als ik zeg: ‘Na de storm was de grond met dennenaalden bezaaid’, dan zie ik in gedachten de glad-groene bedekking van de bodem, en denk ik niet aan de puntige naalden. Zeg ik daarentegen: ‘Ik wist niet dat zo'n dennenaald zo prikken kon’, dan is er veel meer kans dat dezelfde vergelijking, die eertijds de naam deed ontstaan, ons weer bewust wordt.

De metafoor is dus altijd een faktor van taalvorming geweest. Als de leerlingen dat inzien, zullen ze ook plezier krijgen in het verzamelen van woorden, door dergelijke naamgeving in vroeger tijd ontstaan. Vroeger wezen we al op de interessante groep van plantennamen.1) Daarnaast komen de namen van kleinere dieren in aanmerking, in 't biezonder van insekten, b.v. mulder, molenaar, pastoor (zwarte meikever) koffiemolen (in Leeuwarden = onzelieveheersbeestje), hooiwagen, (in Aalst: horlogewerk), veenmol, waterspin, watervlo; namen van rupsen en vlinders: uil, weeskind, doodshoofdvlinder, pauwoog, citroen-

[p. 83]

vlinder, pijlstaartrups; namen van duiven: raadsheer, meeuw, ekster, non, pauwstaart; verder namen als vleermuis, zeepaardje, stekelvarken.1)

Ook het aantal voorwerpsnamen is zeer groot. Denk b.v. aan de metaforiese betekenissen van appel (oogappel, denappel), van peer, van naald (dennenaald, haarnaald, gedenknaald), enz., of aan de talrijke namen die koks en banketbakkers bedacht hebben voor hun produkten (kalfsoesters, kalfsogen, muisjes, kattetongen, tulband, halve maantjes, sneeuwballen, rumbonen, zandgebak, enz.)

Eindelik zijn er ook gevallen, waarin de metaforiese werking een onmogelikheid geworden is, doordat het woord in zijn eerste betekenis uit de taal verdween. of nog maar aan enkelen als boekewoord bekend is, b.v. bakermat, klaploper, belhamel, zondebok. Zulke woorden bij het onderwijs als losse kuriositeiten te verklaren, heeft weinig nut, maar na een grondige behandeling van de metafoor krijgt ook de bespreking van zulke gevallen de ware achtergrond.2)

Ten slotte wijzen wij er op, dat de spreker zich bij de geheel verbleekte metafoor zich evenmin van een ‘overdracht’ bewust is, als bij de betekenisovergangen, in het begin van dit artikel genoemd, die Wundt van de metafoor wil scheiden. Achteraf beschouwd staan ze dus op één lijn. Het verschil zit in hun oorsprong.

De metaforiese woordverbindingen en spreekwijzen laten we nu buiten beschouwing. In wezen verschillen ze niet van het metaforiese woord. Voor een juist begrip is het weer van veel belang op de graduele verbleking te letten. Vat men elke metafoor op als ‘beeldspraak’, en elke verbinding van metaforen als aaneengeschakelde beeldspraak,3) dan komt men bij de beoordeling van zogenaamde ‘valse beeldspraak’ in onontwarbare moeilikheden.

C.G.N. de Vooys.

1)Onze aandacht werd er op gevestigd, dat we bij het eerste gedeelte van dit artikel veel gebruik hadden kunnen maken van Dr. Van Ginneken's Principes de Linguistique psychologique. Onze bedoeling strekte niet verder dan een referaat van Wundt's uiteenzetting. Ondertussen willen we niet verzuimen allen die van deze semasiologiese verschijnselen een dieper studie willen maken, naar het genoemde werk te verwijzen, in het biezonder naar het derde boek, waarin ‘le sentiment comme facteur de sémantique statique’ besproken wordt, en naar het vierde boek, hoofdst. IV: Principes généraux de sémantique dynamique. In het derde boek geeft de schr. belangrijke lijsten van voorbeelden, ook uit allerlei andere talen, van de besproken verschijnselen.
1)Geheel onjuist is dus de populaire definitie die meermalen (o.a. door Rijpma, Gids bij de studie der Nederlandsche Letterk. II, 18) van de metafoor gegeven wordt: ‘A wordt vergeleken met B en daarna B voor A in de plaats gesteld’. Als men het niet te nauw neemt zou dit opgaan voor de boven besproken ‘reguläre’ betekenis-overgang. Desnoods ook, achteraf beschouwd, voor de geheel verbleekte metafoor (zie beneden: blz. 81-82). Maar het wezen van de metafoor wordt er niet mee verklaard, allerminst van de metafoor in echte dichtertaal.
1)Dit wil evenmin zeggen dat het metaforiese woord in elk geval aan de vergelijking moet vooraf gaan. Natuurlik kan, wanneer een gelijkenis ons treft, zich dat eerst uiten in een vergelijking en dan in een woord, evengoed als omgekeerd. Dat blijkt ook uit kindertaal. Ik herinner mij een geval dat een kind, bij het zien van een prieeltje, zei: ‘Da's net een draaimolen’, terwijl ze een paar dagen later datzelfde prieeltje eenvoudig ‘draaimolen’ noemde.
2)Wij roeren hier dit punt maar terloops aan. Misschien komen wij er later, in een afzonderlik artikel, op terug, aan de hand van Ernst Elster's Prinzipien der Litteraturwissenschaft (1897). Voorlopig wijs ik op het mooie hoofdstuk over Die metaforische Apperzeption, (blz. 375-394), waarin ook veel litteratuur over het onderwerp genoemd wordt.
1)Waarom we spreken van ‘een rare sijs’ of van een pekelharing (zwak ventje: vgl. garnaal, mug), is niet zo duidelik. Schertsend zijn woorden als hitje (loopmeisje) en kievil (handelsreiziger) om hun beweging. Woordspelingen als sabeldier (officier), dagvliegje of duizendpoot (dagmeisje) behoren hier natuurlik niet toe.
1)Hildebrand: Na vijftig jaar, blz. 204.
2)Dat blijkt ook als we de boven gegeven voorbeelden uit kindertaal (blz. 77) nader bekijken. Wie zegt ons in welke gevallen het kind zich het overdragen van betekenis niet bewust was, en wanneer wel?
1)De Nieuwe Taalgids II, 242-243. Een aardige nieuw-vorming uit kindertaal is deze: een vierjarig meisje zag aan een gele bloem een spoor, die haar deed denken aan de slurf van een olifant, kort geleden door haar in een diergaarde bewonderd. Dadelik sprak ze van olifantsbloem.
1)Een interessante reeks voorbeelden, uit allerlei talen, geeft Remy de Gourmont in zijn boek Esthétique de la langue française (1905), blz. 187-235: La métaphore, les bétes et les fleurs. Aan het slot zijn ook een aantal voorwerpnamen besproken.
2)Ook in de behandelde groepen komen zulke versteende metaforen natuurlik voor, b.v. onder de scheldnamen malloot (uit Frans mallot hommel, zie Tijdschr. v.N.T. en L. XVI, 159); daarnaast loeder (vgl. galgenaas), kernonje (charogne; vgl. kreng), hondsvot, prei, onverlaet (uit onvlaet; zie Ned. Wdb. en Tijdschr. XIX, 242), slet, konkel, (zie Mnl. Wdb.) schelm. Zulke etymologieën zijn voor het onderwijs te ‘geleerd.’
3)Die minder juiste term werd o.a. gedrukt door Van Slooten in Taal en Letteren XIV, 133.
prepostterug  begin  verder