terug  begin  verderprepost
[p. 71]

Iets over nadruk.

Iedere Nederlander die Griekse en Latijnse verzen gelezen heeft, zal wel eens getroffen zijn door versregels waarin het metrum door afkapping of versmelting het toonloos worden eiste van een woord waarop, naar zijn mening, volgens het zinsverband grote nadruk moest vallen. Sommigen hebben in zulke gevallen de tekst willen verbeteren, de meesten hebben 't zich vermoedelik ontgeven en zijn voortgegaan met hun lektuur, waarin immers zo dikwels dingen voorkomen die men maar tot op zekere hoogte begrijpt. Dr. Poutsma is nauwkeuriger geweest1). Hij heeft een groot gedeelte van de Griekse litteratuur doorgelezen om voorbeelden van zulk een eigenaardige geringschatting van wat wij onder nadruk verstaan te zoeken; ook de Latijnse schrijvers zag hij er op na. Voorbeelden vond hij in menigte; uit een groot aantal, zegt hij, geeft hij er ons te minste honderd.

Om de bedoeling van Dr. Poutsma duidelik te maken is 't niet nodig dat ik iets aanhaal van wat hij bij Grieken en Romeinen heeft gevonden; twee citaten, door hem aan Franse schrijvers ontleend, zijn daarvoor voldoende. Ik zal er enige opmerkingen aan vastknopen, en alle beschouwingen ter zijde laten die ter verklaring zouden kunnen dienen van 't gebruik bij de Ouden.

In de Andromaque van Racine leest men: ‘Elle en mourra, Phoenix, et j'en serai la cause.’ Dat klinkt ons vreemd; we zouden hier nadruk verwachten op de eerste persoon. Aan 't metrum ligt het niet, getuige de volgende passage, ontleend aan de Bourgeois Gentilhomme,

[p. 72]

en ook aangehaald door Dr. Poutsma: ‘Comment, Monsieur, il vient nous dire des injures à tous les deux, en méprisant la danse que j'exerce et la musique dont il fait profession.’

Duidelik ziet men uit zulke voorbeelden dat sterke aksentuatie niet begeerd wordt; de hoofdreden daarvan is stellig gelegen in de verschillende aard van het Franse en het Nederlandse aksent. Wil men in een bepaald geval een woord sterk laten uitkomen, dan bedient men zich bij voorkeur van andere middelen dan wij, in de eerste plaats van omschrijving of herhaling. ‘Je ne me laisserais pas faire cela’, wordt ‘Moi, je ne me laisserais pas faire cela’, en, nog sterker, ‘C'est moi qui ne me laisserais pas faire cela’ (Guy de Maupassant). ‘Je vous citerai un seul exemple’ kan versterkt worden door te zeggen ‘je vous citerai un (seul) exemple, un seul’. Maar men kan 't zelfde ook langs andere weg bereiken, door 't langzamer uitspreken en zorgvuldiger artikuleren van de woorden waar 't op aankomt, en door verlenging van lange, of 't nog korter maken van korte lettergrepen. Van beiden een voorbeeld. Wanneer een Nederlander zegt: ‘wat hem vervolgt is angst vóór de angst’, dan legt hij alle nadruk op vóór, maar ik meen dat een Fransman bij het uitspreken van de woorden ‘la peur de la peur’ zich zal bepalen tot het zeer nauwkeurig weergeven van ‘de la’ zonder overwicht te leggen op ‘de’. Hoe men gebruik maakt van verlenging en verkorting kan ik 't best aantonen door een aanhaling uit het alleraardigste boekje van Jean Blaize, Pour bien lire et bien réciter1). Daar leest men op bl. 97: ‘pour rendre un mot plus expressif, il arrive fréquemment qu'on augmente plus ou moins sa durée naturelle. C'est ce que fait un professeur pour la syllabe hon du mot honte, quand il gronde un élève: “Quelle honte”. En allongeant le mot immense, nous exprimous mieux l'idée de grandeur.’ Maar dat middel past men nooit toe bij een korte sylbe. ‘Si énorme, si merveilleux que nous paraisse un coq, nous ne disons pas en allongeant la voyelle de ce mot: “Le superbe coq!” Mais la brièveté d'une syllabe sert parfois, elle aussi, à l'expression. Si nous disons vif très vite, nous faisons mieux sentir ce que représente ce mot. De même pour le mot net.’ In de leesstukjes die dan verderop ter oefening worden gegeven, duidt de schrijver aan welke lange lettergrepen men ter

[p. 73]

wille van de nadruk moet verlengen, en welke korte men nog korter maken moet (blz. 100).

Iets dergelijks kent men ook wel in 't Nederlands, b.v. in een uitroeping als ‘wat vr─ôselik lief van je!’, maar algemeen is dat niet, en 't gaat veel meer dan in 't Frans gepaard met verhoging van toon en intensiteit. Beter kan men vergelijken de gewoonte van de Afrikaners om nadruk door rekking te weeg te brengen. De heer le Roux - naar ik hoop weldra Dr. le Roux - deelt mij mee dat 't woord kaffer, wanneer 't als scheldwoord of met minachting gebruikt wordt, gerekt wordt tot kaaffer, en dat een vader die een gebod aan zijn kind boos herhaalt, veelal niet zal uitroepen ‘daad'lik!’, met krachtig uitgestoten eerste sylbe, maar dikwels zonder enige verheffing van stem zal zeggen ‘daaat'lik.’ Een enkele keer, als uiting van ingehouden woede, horen wij iets dergelijks, maar regel is 't bij ons niet.

Een nadruk zoals wij die verlangen vinden de Fransen (en misschien ook wel de Afrikaners, die zich over 't luid spreken der Hollanders verbazen) lelik en een beetje barbaars; daarmee hangt samen hun verwondering, of liever hun ergernis, over enkele orthografiese gewoonten die in onze ogen al heel onschuldig zijn. Wij maken, gelijk ik meer dan eens van een Fransman hoorde, een te ruim gebruik van aksenten, van kursief en van gespatieerd, drie middelen die 't zelfde beögen. ‘Waarom, vraagt men, moet er nu een streepje op wel in “ik heb 't wèl gedaan”, of op een in “'k zal één enkel voorbeeld noemen”? Is 't eigenlik niet beledigend voor de lezer dat men zo weinig vertrouwen stelt in zijn vermogen om de bedoeling van de schrijver te begrijpen? Wat krijgt de tekst op die manier een zwaar en prekerig aanzien.’ De Duitsers gaan met deze opdringere duidelikheid nog verder. In de Fliegende Blätter worden onder de tekeningen de woorden waar de grap in schuilt dikwels met spatie gedrukt.

Niet alle Nederlandse schrijvers hebben een even grote voorliefde voor 't aksentueren van hun woorden; toch blijft de opmerking in 't algemeen genomen waar. Men vindt niet alleen docenten die behoefte gevoelen om de belangrijkheid van hun mededelingen uit te doen komen door hun mondelinge voordracht te begeleiden met potloodgetik, en, als ze schrijven, door onophoudelik nieuwe alinea's, kursiefschrift en streepjes te gebruiken (wat in een leerboek natuurlik zeer op zijn plaats kan zijn), maar ook dichters die er op gesteld schijnen dat de muziek van hun verzen van tijd tot tijd door een slag op de trom wordt gesteund. Een merkwaardig voorbeeld geeft daarvan de laatste Novemberaflevering van de Gids. In 't gedicht ‘Worstelingen’ van P.N. van Eyck telde ik 153 van streepjes voorziene woorden

[p. 74]

op een tekst van 22 bladzijden. Soms volgen twee zulke woorden onmiddellik op elkander (zie b.v. blz. 192 en 193), 't geen voor mijn gevoel een onaangenaam staccato te weeg brengt; elders krijgt een woord er een hinderlike grammatikale nauwkeurigheid door, gelijk b.v. in deze verzen:

 
En tracht je niet door Liefde hém te vinden,
 
Die dóór de Liefde sterft of wordt gestoord?

Wat zou Renan wel gezegd hebben van zoon zwaarwichtige orthografie? Van hem wordt verteld dat hij geen dubbele-punt gebruikte, behalve voor citaten, omdat hij zulk een aankondiging van zijn eigen woorden aanmatigend vond.

Uit dezelfde afkeer van sterke aksentuatie verklaar ik het verwijt van de Fransen dat wij, maar nog oneindig veel meer de Duitsers, te veel uitroepingstekens gebruiken. Sommige Nederlanders zetten achter de vocativus van hun brieven een uitroepingsteken, ook al loopt de tekst onmiddellik door; tegenwoordig bepaalt men zich gewoonlik tot een komma, en bewaart men 't uitroepingsteken voor de vocativus aan 't hoofd van een redevoering, waar 't woord meer op zich zelf staat. Bij ons plaatst men ook achter 't woord halt aan spoorwegovergangen geen!, maar de Duitsers doen dat wel. Zij voorzien ook mededelingen als ‘verboden toegang’, ‘verboden hier te baden’, ‘verboden hier te vissen’ enz. enz. van een uitroepingsteken. Men behoeft geen Fransman te zijn om dat wat schreeuwerig en eigenlik ook onlogies te vinden; de nadruk ligt immers al in de woorden ‘verboten’, ‘halt’, ‘nicht gestattet’.

Het zijn op zich zelf zeer onbetekenende kleinigheden die ik hier even ter sprake heb gebracht; doch uit kleinigheden als interpunktie en schrijfwijze leert men soms goed de eigenaardigheden van een volk kennen, omdat ze zo weinig 't gevolg zijn van 't redenerend verstand van een bepaald individu, maar gewoonlik 't uitvloeisel van gewoonten die de gehele gemeenschap van lieverlede heeft aangenomen.

D.C. Hesseling.

1)In de Mnemosyne van 1909 (XXXVII, 2, blz. 125-155) heeft Dr. A. Poutsma een belangrijk opstel geplaatst over het verschil dat er bestaat tussen onze opvatting van nadruk en die van Grieken en Romeinen. Een inleiding op dit opstel, tevens een korte samenvatting van de inhoud, vindt men in het Sertum Nabericum, het album dat in 1908 door de beoefenaars der klassieke filologie aan prof. Naber op zijn 80ste verjaardag is aangeboden; dit kortere stuk bevat bovendien enkele opmerkingen over de nadruk in 't Frans en in Hollandse verzen.
1)Uitgegeven bij Armand Colin te Parijs in 1909, en voorzien van 24 gravures (naar foto's) die de gebaren en de houding weergeven waarop men bij lektuur en voordracht behoort te letten. De prijs is twee francs. Hoeveel nut zou bij ons een dergelijk werkje kunnen stichten, door een Hollander voor Hollanders geschreven.
prepostterug  begin  verder