terug  begin  verderprepost
[p. 65]

Vokaal en konsonant.

De termen vokaal en konsonant behoren tot de meest gewaardeerde erfstukken van de Grieks-Latijnse spraakkunst. En dit zal nog wel lang zo blijven, zowel in de wetenschappelike als in de school-spraakkunst. En daartegen is ook geen bezwaar, als men maar met de termen duidelik afgebakende begrippen verbindt.

Een definitie wordt door de Griekse en Latijnse grammatici niet gegeven; wel wordt de opmerking gemaakt dat het verschil tussen vokaal en konsonant relatief is (Steinthal Geschichte der Sprachwissenschaft bei den Griechen und Römern II, 201). In hoofdzaak was basis van de indeling: de graad van hoorbaarheid, of ook de welluid endheid (sonoriteit); de indeling was dus akoesties, maar uiterst vaag gedacht. Bij de vertaling van de Griekse term ἄϕωνα in consonanten speelde klaarblijkelik de gedachte aan de funktie van die klanken de hoofdrol.

De moderne fonetici hebben aan de overgeleverde onderscheiding een wetenschappelike grondslag trachten te geven. Zij die uitgaan van de artikulatoriese vorming van de klanken, bepaalden het onderscheid dan op grond van de stand van de spraakorganen. Een vokaal is dan stem (door de stembanden in trilling gebrachte lucht), gewijzigd door de stand van de spraakorganen boven het strottenhoofd, maar zó dat de mond een vrije doorgang vormt voor de luchtstroom. Konsonanten worden daarentegen gevormd door de luchtstroom ergens boven het strottenhoofd de doorgang te beletten, of door de luchtstroom door een zó nauwe opening te drijven dat er een duidelik waarneembare wrijving ontstaat. Uit de bepaling ‘duidelik waarneembare’ merkt men dat de ‘organiese’ definitie het niet afkan zonder hulp van de akoestiese indruk.

Volgens deze bepalingen stellen dus in zaak, bete, vos, enz. de aa, e, o vokalen voor, de z, k, b, t, v, s konsonanten. Moeilikheid geven de ie, j en de oe, w (b.v. in bouwen). Zo is het niet makkelik te bepalen of de ee van zeeën gevolgd wordt door een ie, of een j; evenmin of de u van luw, uw gevolgd wordt door een oe, of een w. De moeilikheid zit, zoals men gemakkelik inziet, in de definitie van

[p. 66]

konsonant: de vraag of de klank een ie of een j, een oe of een w is, betekent immers of er ‘een duidelik waarneembare wrijving’ te konstateren is. Als we, uitgaande van de klinker ie in niet, de tong geleidelik hoger brengen bereiken we tenslotte de positie waarbij wrijving van de tong tegen het gehemelte duidelik waartenemen is, dus een konsonant j. Maar het spreekt vanzelf dat tussen de ie en de j een aantal klanken liggen waarbij het onmogelik is, of tenminste uiterst moeilik, te beslissen, of we nog een vokaal of al een konsonant horen.

Deze moeilikheid is niet verwonderlik; hij ligt immers in de definitie. Maar de moeilikheid bewijst niet de onbruikbaarheid van de definitie. Immers de theoretiese grens tussen vokaal en konsonant blijft bestaan. Dat het in enkele gevallen moeilik is tussen de twee te kiezen, is voor de taalkundige iets vanzelfsprekends; men kan het van nagenoeg alle spraakkunstige begrippen zeggen. Zo hoeft men niet de grens tussen zelfstandig naamwoord en adjektief, tussen adjektief en bijwoord te ontkennen, omdat er gevallen zijn waar de grenslijn is uitgewist.

Maar waar moet men de l's in lepel toe rekenen? In geen van beide wordt in het Nederlands de luchtstroom tegengehouden, en evenmin hoort men een duidelike wrijving. De luchtstroom wordt in de mond niet tegengehouden, maar gaat vrij uit: dus is de l een vokaal.

Er zijn echter andere bezwaren. Waartoe behoren de neusklanken, b.v. in man, zing? Vokalen zijn het niet, want de luchtstroom gaat niet vrij door de mond. Konsonanten dan? Daartegen spreekt, dat er geen sprake is van een duidelik waarneembare wrijving (er is immers in 't geheel geen wrijving); evenmin wordt de luchtstroom tegengehouden, immers die kan vrij door de neusholte uitgaan. De bedoelde neusklanken zijn dus nòch vokalen nòch konsonanten. En nu is de moeilikheid niet toe te schrijven aan de onmogelikheid een grens te trekken, zoals dat het geval was bij de ie, j enz. Integendeel, de definities ‘gaan op’, en de neusklanken vallen er zonder twijfel buiten; deze neusklanken vormen dus een afzonderlike, derde soort van klanken.

Daar spraakklanken geluiden zijn, ligt het voor de hand ze in te delen naar de indruk die ze op ons gehoor maken. Wanneer we de akoestiese indruk van syllaben als kat, pik, voet trachten te ontleden, dan is het duidelik dat de door a, i, oe voorgestelde klanken van andere aard zijn dan de overige. Dit akoestiese verschijnsel onderzoekende bemerkt men gemakkelik, ook zonder kennis van geluidsleer,

[p. 67]

dat de a, i, oe muziekale geluiden voorstellen, de andere klanken daarentegen gedruis zijn. De akoestiese definitie van vokaal en konsonant zou dus zijn: vokalen zijn muziekale klanken, konsonanten zijn gedruisklanken.

Maar ook hier zitten ons sommige gevallen in de weg. Ik hoef hier niet meer te praten over de ie, j, enz. Maar wèl over de l, b.v. in lamp. Het is niet makkelik uit te maken of dat een muziekale klank is of niet. En wat de neusklanken aangaat, die behoren zeker niet tot de gedruisklanken: het woord neurieën bewijst al dat m, n, ng, muziekale klanken voorstellen. Zo blijkt dat de indeling in tweeën op akoestiese even onmogelik is, als op organiese grondslag.

Nu heeft de fonetikus met klanken te doen als delen van grotere gehelen. Men zou dus kunnen onderzoeken of een twee-deling mogelik is naar de funkties van de als vokalen en konsonanten onderscheiden klanken. De beschouwing van de syllaben kat, pik, man, leert ons dat de funktie van de door a, i voorgestelde klanken is syllaben te vormen, terwijl de andere klanken de a, i begeleiden. Een syllabe zonder konsonant komt vaak genoeg voor, b.v. in a-dem; een syllabe zonder vokaal niet1). Dus zou een funktionele definitie luiden: vokalen zijn de klanken die syllaben vormen, konsonanten zijn de klanken die vokalen begeleiden.

Allereerst is te bedenken dat een funktionele indeling geen algemeen fonetiese waarde heeft. Immers de funkties van de klanken behoeven in verschillende talen niet gelijk te zijn, en zijn het ook niet. De indeling moet dus voor iedere taal afzonderlik worden vastgesteld. In het Nederlands zouden natuurlik vokalen zijn de a (vat), ā (vader), enz.; konsonanten de p, d (paden), f, k (flink), enz. De vraag is nu: is het hier mogelik de l en de neusklanken hun vaste plaats aan te wijzen? In lepel is de eerste l natuurlik een konsonant. Maar de tweede l is hier een vokaal; immers de tweede syllable van [lēpl] is [pl], en daarin moet de l de funktie van vokaal vervullen. Dus behoort de Nederlandse l volgens de laatste indeling nu eens tot de vokalen, dan weer tot de konsonanten. En toch is voor ons gehoor de l in beide gevallen dezelfde klank. De funktionele indeling scheidt dus wat voor ons gehoor één is.

Hetzelfde geldt van de neusklanken. Zo is de n een konsonant in naar, Jan, ander; vokaal is de Oostelike uitspraak van houden [houdn]. Deze laatste uitspraak komt wel is waar niet in beschaafden-Neder-

[p. 68]

lands voor, maar het gaat toch niet aan afzonderlike indelingen te maken voor alle Nederlandse dialekten! En in elk geval heeft de l in het beschaafden Nederlands zowel vokaliese als konsonantiese funktie. En in de tweeklanken, b.v. in meid, mooi, huis, heeft het tweede deel eveneens konsonantiese funktie. Een indeling van de Nederlandse klanken naar de funktie zou dus onder de vokalen ook de l, m, n, ng rekenen, onder de konsonanten, behalve de l, m, n, ng, ook de ie, oe, ü (b.v. in het tweede lid van de tweeklank in huis).

Het is, hoop ik, duidelik geworden dat een indeling van de klanken in twee groepen op onoverkomelike moeilikheden moet stuiten. We hebben onderzocht de indeling naar de vormwijze (organiese indeling), naar de gehoorsindruk (akoestiese indeling), naar de dienst van de klanken (funktionele indeling). Welke vierde grondslag zou er kunnen zijn?

Als dus een indeling in vokalen en konsonanten als elkaar uitsluitende termen onmogelik is, moet de deling in tweeën opgegeven worden. Om de funktie van de klanken aan te geven zou men kunnen blijven spreken van vokaliese en konsonantiese funktie, of ook sonantiese en konsonantiese. Doet men het laatste dan komt de term vokaal vrij voor de indeling van de klanken naar hun aard of vormwijze; daarvoor zou men echter konsonant niet mogen gebruiken. Het is echter niet waarschijnlik dat de taalkundigen de term konsonant tot de funktionele betekenis zullen beperken: daarvoor is de term te ingeroest. Het enige dat te doen valt, zal wel zijn een definiëring van de termen die prakties bruikbaar is.

Zo heeft Sievers de klanken ingedeeld in twee groepen: Sonoren en Gedruisklanken. Basis is hier natuurlik de akoestiese indruk. Tot de sonoren behoren behalve de eigenlike ‘vokalen’ ook de l, m, n, ng, nj (in oranje), de gerolde r, die als liquidae en nasalen worden samengevat. De niet-muziekale klanken omvatten de overige klanken, die men wel zal voortgaan konsonanten te noemen. Evenals bij de sonoren is ook hier een afdalende reeks; het meest met de sonoren verwant zijn de stemhebbende open konsonanten, daarop volgen de stemhebbende gesloten klanken, dan de geademde open konsonanten, eindelik de geademde gesloten konsonanten1).

Ook tegen deze indeling zijn natuurlik wel bezwaren in te brengen. In de eerste plaats zijn de vokalen niet allemaal even sonoor. Hoe

[p. 69]

groter de mondopening, hoe groter de sonoriteit. Zo heeft de a van vader meer sonoriteit als de ie van niet. En de sonoriteit van de ie nadert die van de liquidae en nasalen, enz. De l, m, n aan het eind van een klankgroep klinkt vaak met een kleine ontploffing, en komt daarin overeen met de geademde gesloten medeklinkers; vgl. tel, tam, ken. Deze ontploffing verklaart waardoor het komt dat eigennamen als Kam, Kamp vaak ‘verkeerd’ gehoord worden, ook hoe iemand ontstaan is uit iemen, en een spelling als rom slom, zoals ik. onlangs ergens las voor rompslomp.

Totnogtoe is geen rekening gehouden met de klanken in het strottenhoofd gevormd, de stemband-konsonant die we horen als we een beklemde klinker uitspreken, en de klanken die met het teken h worden aangeduid. Akoesties behoren ze zeker niet tot de sonoren. Maar ze verschillen toch nog sterk van de andere gedruisklanken. Wat de h's betreft, de stand van de organen boven de larynx, dus ook de klank van de h zelf, hangt af van de klinker die volgt: we spreken dus verschillende h's in ha, he, hie, hoe. Dit is gemakkelik na te gaan als men die groepen tracht uit te spreken zonder aan de klinker toe te komen. Men merkt dan b.v., dat de lippen al bij de h van hoe gerond worden. Men zou de h's van ha, he, hie, hoe geademde vokalen kunnen noemen. En noch de h, noch de stemband-konsonant worden op zichzelf als zelfstandige klank gehoord, m.a.w. ze mogen gerekend worden tot de overgangsklanken. En de overgangsklanken moeten bij een indeling van de spraakklanken buiten beschouwing blijven; een bespreking er van hoort thuis in de synthese, terwijl bij de analyse alleen hun vormwijze ter sprake hoeft te komen.

Het is niet nodig hier verder te spreken over de moeilikheid (i.c. onmogelikheid) te onderscheiden tussen zelfstandige en overgangsklanken; evenmin over de vraag, of we wel van spraakklanken mogen spreken, daar sommige elementen van de taal, de geademde klappers op zichzelf (d.w.z. zonder ingang en uitgang, b.v. het Groningse [kampm] ‘Kampen’, of t in het Engelse vintner) niets anders zijn als pauzen1). Al deze bezwaren bewijzen slechts dat een algemene indeling van de spraakklanken, die alle zijden van de taal recht doet wedervaren, de akoestiese, de organiese, en de funktionele, onmogelik is.

Daarom is het voldoende, als de indeling prakties bruikbaar is. En nu is de indeling van Sievers in overeenstemming met de vormwijze

[p. 70]

van de klanken en ook met hun funktie: De sonoren worden gevormd zó dat de luchtstroom vrije doorgang heeft, de vokalen door de mond (bij gelijktijdige neus-opening krijgt men nasaalvokalen); de liquidae met nauwe doorgang voor de luchtstroom zonder echter wrijving te veroorzaken, de nasalen met vrije doorgang door de neusholte; de gedruisklanken worden zó gevormd, dat de doorgang voor de luchtstroom een ogenblik afgesloten wordt, of zó vernauwd, dat een wrijving gehoord wordt. En wat de funktie aangaat, de sonoren kunnen sonantiese of konsonantiese funktie hebben; de vokalen in hoofdzaak sonantiese, de liquidae en nasalen beide. De gedruisklanken hebben uitsluitend konsonantiese funktie. Ten slotte: deze indeling is ook in overeenstemming met de taalgeschiedenis; immers in de geschiedenis nemen de liquidae en nasalen eene middelplaats in. Vaak gaan ze over in vokalen, zo de l tot oe (Nederl. oud < alt, enz.), en ontwikkelen de sonantiese nasalen vokalen; sonantiese m in het Grieks tot αμ of μα, Germaans um.

Een spraakkunst van het Nederlands zal daarom goed doen de indeling van Sievers over te nemen.

E. Kruisinga.

1)Een klankgroep als pst, waar s ‘vokaliese’ funktie heeft, komt niet in aanmerking, daar we hier geen eigenlike syllabe hebben.
1)Bij de geademde gesloten klanken moet men natuurlik ingang en uitgang van de klank meerekenen, daar de gesloten konsonant op zichzelf niets is als een panze. Alleen als eindklank zou men de ontploffing die dan vaak gehoord wordt, kunnen beschouwen als deel van de gesloten klank zelf.
1)Tenzij men de opening van de neusholte-toegang hoort, maar dat geluid kan men rekenen als uitgang van de eerste nasaal.
prepostterug  begin  verder