terug  begin  verderprepost
[p. 59]

Uit de tijdschriften.
(November - Desember).

De Gids. Des.

Het artikel Taalideeën van P. Valkhoff, geschreven naar aanleiding van de Kamerdebatten over de spelling, bevat als brede achtergrond een pleidooi voor de beschouwing van taal en taalonderwijs, die ook door ons tijdschrift wordt voorgestaan. Wij bevelen het in de aandacht van onze lezers aan. - Carel Scharten schrijft over De letterkundige beteekenis van Albrecht Rodenbach. Tussen de overschatting en de geringschatting van deze jonggestorven dichter kiest hij de middenweg. Hij wijst op de invloed van Bilderdijk en van Gezelle, maar tevens op het eigene in het werk van deze sterke individualiteit. ‘Een dichter van den Strijd, heeft hij waarlijk uitgemunt in twee zaken: in de schildering van den Strijd, en in het Strijd-Lied.’ Niet in het Drama schuilt zijn meest wezenlike verdienste. Rodenbach en Perk hadden ‘niets gemeen dan hun jong sterven.’ ‘Rodenbach's edel gemeenschapsgevoel staat tegenover Perks verfijnd individualisme.’ Vlamingen als Leo van Puyvelde en André de Ridder staan te veel onder de invloed van de induvidualitiese Nieuwe-Gids-richting, als ze het in Rodenbach als een gebrek vergoeliken dat hij niet modern-vers-gevoelig is, en als ze in Van de Woestijne en zijn kring de voortzetting en de volmaking van Rodenbach's kunst willen zien. Integendeel: Rodenbach is ‘met zijn groot gemeenschapsgevoel en zijn zingen van en voor het volk, heel wat nauwer aan de toekomst verbonden dan die jongeren, in hun goudnevelige maar doodloopende vereenzaming. Het zal een leerling van Rodenbach moeten zijn, de jonge Vlaamsche zanger, die, van de essentie van zijn wezen doortrokken, de straks aangeduide leegte komt vervullen en een nieuwe poëzie aan Vlaanderen brengt.’ - J.N. van Hall bespreekt het breedvoerige werk Het leven van Mr. Jacob van Lennep door zijn kleinzoon Jhr. Dr. M.F. van Lennep (Jacob van Lennep herdacht). De beoordelaar is van mening, dat dit werk nodeloos uitgedijd is door bezonderheden en dokumenten van minder betekenis. Hele bladzijden zijn volgeschreven over ‘ephemeere voort-

[p. 60]

brengselen van zijn speelsch vernuft.’ Slechts twee episoden uit Van Lennep's leven komen door dit boek in een nieuw licht te staan: ‘vooreerst zijn kennismaking met Da Costa en de geloofscrisis, welke hij dientengevolge onderging; ten andere zijn verhouding tot Multatuli en de uitgaaf van den Max Havelaar.’ - G. Kalff wijst onder het opschrift Zweden en Nederland op een Zweedse dissertatie van Oscar Wieselgren: Bijdrage tot de kennis van het zeventiend' ceuws drama in Zweden, interessant voor de betrekkingen die tussen de toneellitteratuur van Zweden en Holland in die tijd bestonden.

De Beweging. Nov.

Albert Verwey bespreekt in een rubriek Boeken, Menschen en Stroomingen het jongste werk van Van Eeden: Gedenkschriften van Vico Muralto.

De Nieuwe Gids. Nov.

Aletrino schrijft waarderend over het jongste werk van H. Robbers: De gelukkige familie.

Des. Willem Kloos behandelt in de Litteraire Kroniek de Gedichten van Albrecht Rodenbach, maar polemiseert voornamelik tegen Van Puyvelde's boek over het Leven en Werk van de jonggestorven dichter. Hij vindt bij de levensbeschrijver ‘algeheele onbevoegdheid’ en ‘inkonsekwentie’, en verwijt hem dat hij de Vlaamse kunst verheft ten koste van de Noord-Nederlandse. Hoewel Kloos zegt dat zijn eigen oordeel over de dichter Rodenbach het midden houdt tussen de overschatting en de afbreking, staat zijn oordeel feitelik zeer dicht bij dat van Uyldert. Enkele aardige gedichten en regels worden aangewezen: ‘wezenlijk gevoel valt (in het grootste deel van deze bundel) niet te bespeuren, want wat als zoodanig doorgaat, is niets dan een opgewonden jongensstemming, die zich uit in de traditioneele uitdrukkingen van alle officieele opwinding, en in onfraaie rijm-en-maat.’ De sympathie van Kloos geldt voornamelik ‘de nobele jongen met mooie aspiraties.’

Groot-Nederland. Nov.

Edmond van Offel schrijft over twee jonge Vlaamse dichters, Gustaaf de Mey en August van Cauwelaert, van wie hij niet veel goeds kan vertellen.

Des. Frans Coenen oordeelt in de rubriek Dramatische Kunst ongunstig over het jongste stuk, Geuren, van Emants. In de rubriek Literatuur schrijft Anne Hollema een uitvoerige, goed gemotiveerde afbrekende kritiek van Samuel Goudsmit's proza; in drie van zijn boeken toont hij de ‘gezwollenheid, valse gevoelerigheid en bombast’ van deze quasi-moderne kunst-taal.

[p. 61]

Elseviers Maandschrift. Des.

H. Robbers bespreekt Van Eeden's Nachtbruid.

Europa. Nov.- Des.

Derk Coster beoordeelt uitvoerig het proza van Karel van de Woestijne.

Vragen des Tijds. Des.

B.H. Pekelharing wijdt een artikel aan Het woordenboek der nederlandsche taal.

Van onzen tijd. Nummer XI-XII.

In de laatste bladzijden van een historiese studie Een koning verliefd bespreekt J.F.M. het gedicht van Hooft: Klaght van Koning Hendrik de Groote over 't afwezen van Marie van Montmorency. Stoett hield dat voor een vertaling uit het Frans, op grond van Hooft's Brieven. Maar uit diezelfde brieven haalt de schr. het bewijs dat het gedicht oorspronkelik is. Zijns inziens gaven Bentivoglio's ‘Verhalen’, kort te voren verschenen, aanleiding tot Hooft's verzen. - In de Litteraire Kroniek prijst Th. Kwakman Uit het leven der dieren van Caesar Gezelle, die hij ‘een letterkundige Willem Maris’ noemt - J.A. van Lieshout beoordeelt G.F. Haspels' roman Boete: in de stijl van deze schrijver vindt hij ‘zucht naar mooi-doenerij’. Maria Viola kondigt de nieuwe uitgave aan van de Werken van J.A. Alberdingk Thijm. De schr. is van mening dat Alberdingk Thijm de kunst ‘het gelukkigst gediend heeft door zijn beschouwende en critische geschriften. Van minder ingaande beteekenis en blijvende waarde zijn het novellistisch werk en de gedichten.’ Toch is het Roomse element van Thijm's kunst een waarachtige winst geworden voor onze Nederlandse Romantiek. De bespreking eindigt met een paar mooie bladzijden over Thijm's novellistiese kunst, in 't biezonder over de Vondelportretten.

Jaarg. X. Nummer I. J.F.M. Sterck geeft onder het opschrift Vondelingen een akte en een testament, die ons ‘den Vondel doen kennen van het dagelijksch leven, in den kring van goede vrienden en geburen van de Warmoesstraat.’

Ons Tijdschrift. Okt.

R. Mulder bestrijdt de ‘sociaal-demokratiese levensleer’ van Adama van Scheltema, zoals die in de bekende Grondslagen belichaamd is (De roof van Scheltema).

Nov. In de Contramine heet een artikel van L. Bückman over de Ten-Kate-bloemlezing van J. Postmus (Lenteleven) en in 't biezonder over het ‘woord vooraf’, waarin Ten Kate ‘in het hooge gestoelte der eere’ geplaatst wordt, en ‘een man als Vondel’ genoemd. De schrijver confronteert dit oordeel met dat van twee oudere critici, Busken Huet en Potgieter (in de Kritische Studiën en de Brieven

[p. 62]

aan Busken Huet), die bitter ongunstig over Ten Kate als dichter dachten.

De Boekzaal. Nov.

H. Robbers schrijft over de Nederlandse roman der laatste jaren, en verdedigt die tegen Bolland's verwijt van ‘keukenmeidenlektuur’, en tegen de geringschatting van zakenmensen. Hij betreurt dat schrijvers als Coenen, Van Deyssel, Emants, Heyermans, Netscher, Van Nouhuys, de roman in de steek gelaten schijnen te hebben, of ten minste hun élan verloren.

De Boomgaard.

In de eerste aflevering van dit nieuwe tijdschrift komt o.a. een artikel voor van Gust. van Roosbroeck over De beteekenis vau Pol de Mont, die daarin geëerd wordt als ‘een mildhandige gedachten-zaaier’, als ‘de rechtstreeksche voorganger van het jongere geslacht dat nu aan het woord is.’

Dietsche Warande en Belfort. Nov.

J. van Mierlo maakt in een artikel Eene Paraphrase van de Brieven van Hadewijch door Hendrik Mande een interessante ontdekking bekend. Een bekend geschrift van Mande, ‘een devoet boexken vander volmaecster hocheit der minnen’ blijkt niet anders te zijn dan een parafrase van Hadewijch's brieven. Alleen enkele ontbreken geheel of gedeeltelik, omdat Mande ze van minder belang achtte of niet verstond. Intussen blijkt uit deze parafrase, dat Mande in Hadewijch niets onrechtzinnigs vond. De schr. geeft enige proeven van de omwerking. Het talent van Mande als proza-schrijver is z.i. overschat. ‘Wie een tekst zoo verknoeien kan, zooals Mande het met Hadewijch heeft gedaan, heeft blijkbaar geen gevoel voor wat vorm of taalschoonheid wel heeten mag.’

Des. Hugo Verriest schrijft over Gezelle's zwijgen.

Volkskunde. Afl. 10-12.

G.J. Boekenoogen vervolgt zijn Nederlandsche sprookjes uit de XVIIde en het begin der XVIIIde eeuw (No. 7-9), A. de Cock zijn Spreekwoorden, zegswijzen en uitdrukkingen op volksgeloof berustend (plantennamen), de aanvullingen op zijn Spreekwoorden en zegswijzen over de vrouwen, de liefde en het huwelijk, en de Geparodieerde sermoenen. In de Kroniek wordt de Poesjenellenkelder te Antwerpen (marionetten-vertoningen voor het volk) beschreven. Een boekbeoordeling vestigt de aandacht op een nieuw boek van L. Maeterlinck, Les Misérecordes de stalles, over het volkseigen werk van de ‘Beeldesnijders’ aan de kerkbanken, een pendant van zijn werk over de satyre in de M E. schilderkunst.

[p. 63]

Museum. Nov.

J.W. Muller bespreekt een studie over ‘een belangrijk en aantrekkelijk onderwerp’: De Invloed, door Zuid-Nederland op Noord-Nederland uitgeoefend op het einde der XVIde en het begin der XVIIde eeuw (1908), door J.L.M. Eggen, in 1905 door de Vlaamse Akademie bekroond. Het werk toont meer vlijt dan geest. ‘De dragers van dien veelbesproken invloed zijn vrij wel voltallig bijeengebracht en overzichtig opgesteld,’ maar het boek ‘is niet heel veel meer dan een vrij dorre, droge bio-bibliograflsche lijst, samengesteld uit de “nota's” uit tal van boeken, niet zelden zonder eenig verband, soms ook wel zonder recht verstand aaneengeregen of botweg achtereen afgedrukt.’ De schr. ‘blijkt de wijdte en de diepte van het vraagstuk niet geheel te beseffen.’ ‘Immers het geldt hier geen zaak van optellen en meten alleen, maar ook van wegen, vooral van tegen elkander afwegen.’ Waarschijnlik overschat de schr. de Zuid-Nederlandse invloed, doordat hij de invloed van andere ingekomene elementen (o.a. Overlandse, Franse, Engelse) buiten rekening laat. Ook op de rassen-kwestie, op de vraag ‘hoe ingeborenen en inkomelingen over elkander oordeelden’ gaat hij niet in. Kortom, dit ‘belangrijke, doch ook zeer omvangrijke vraagstuk is met deze inderdaad zeer verdienstelijke compilatie nog niet afgedaan en van de baan.’ - J. Bergsma bespreekt de Beknopte Nederlandsche Spraakkunst door Dr. K. Holtvast, en keurt het af dat de schr. ‘twee heeren wil dienen.’ Dit is een zonderling verwijt, want de schr. zegt duidelik genoeg, dat hij niets liever zou willen dan één heer dienen, maar dat de gangbare spelling hem belet, de ‘grammaire raisonnée’ geheel buiten te sluiten. Wel blijkt uit de toon van deze recensie en uit enkele uitspraken1) dat de recensent een andere heer gekozen heeft dan de schrijver van deze spraakkunst.

Desember. C.G.N. de Vooys bespreekt het vierde deel van Kalff's Geschiedenis der Ned. Letterkunde.

Den Gulden Winckel. 15 Des.

F. Bezemer (Oude Boeken) deelt een en ander mede over de 17de-eeuwse schrijver J. van Paffenrode. - Jan Greshoff spreekt vol waardering over een bundel verzen van Jules Schürmann. - G. van Eckeren beoordeelt Scharten's Gidskritieken, herdrukt in de bundels De Krachten der Toekomst.

[p. 64]

Paedagogisch Tijdschrift. Afl. 5.

G. Bolkestein bestrijdt in een artikel ‘De dienstbaarheid van de moedertaal’ de beschouwingen van P. Valkhoff in onze vorige jaargang. Het onderwijs in de moedertaal moet z.i. dienstbaar zijn aan het belang van het totaal-onderwijs.

De Nieuwe School. Nov.

P.J. Bol beoordeelt uitvoerig de nieuwe boekjes van Bok, Douma en Lem: Door Spreken tot Lezen. Met de frisse boekjes zelf is hij ingenomen; met de methodiese grondslag en de toelichting kan hij zich niet verenigen.

Des. Th. J. Thijssen besluit zijn afbrekende kritiek op Colenbrander's toegelichte teksten ‘Uit drie eeuwen’. Hij toont aan dat De voorlichter Colenbrander een kompilatie van weinig waarde geleverd heeft. - P.J. Bol beoordeelt ongunstig het Eenvoudig Taalhoek voor de Volksschool door J. Stamperius. - De Aanteekeningen geven nog enige kritieke opmerkingen, gericht tegen de toelichting van de leesmethode van Bok, Douma en Lem.

De Amsterdammer. 28 Nov.

F. Coenen schetst naar aanleiding van de jongste roman van Robbers de ontwikkelingsgang van zijn talent in de drie boeken: De Roman van Bernard Bandt, De Bruidstijd van Annie de Boogh, en De Roman van een gezin. - J.H.R. schrijft over Een nieuw portret van Vondel ontdekt, geschilderd door Ferdinand Bol. In het volgende nummer betwijfelt de Vondelkenner J.F.M. Sterck of dit portret Vondel wel voorstelt.

1)O.a. zegt de recensent: Om een eenvoudige zaak ingewikkeld voor te stellen schrijft hij: ‘Het onvoltooide deelwoord gaat uit op ende of ent (gespeld end), het voltooide op en of t (soms gespeld d).’ Voor ieder die bij zijn leerlingen het besef levendig wil houden dat taal iets anders is dan letters, is dit de enig juiste formulering. De ‘eenvoudige’ voorstelling: het volt. deelw. gaat uit op d of t, is eenvoudig onjuist.

prepostterug  begin  verder