terug  begin  verderprepost
[p. ?]

Twee opstellen.

Deze keer wil ik 't alleen hebben over zulke opstellen, die door onze kwekelingen gemaakt worden naar aanleiding van 'n gedicht.

Tegenwoordig gebruiken m'n leerlingen daarvoor ‘Bouwstoffen Walstra’ voor een 80-tal opstellen door D. Boswijk en W. Walstra. Niet, omdat ik dat boekje zo goed vind; integendeel.

Deze week werd nummer 6 gemaakt, ‘Het Verloren Kind’. De tekst is maar kort; daarom kan ik die hier laten afdrukken.

Het verloren kind.
 
Een hulpeloos jongsken, twee zomers pas oud,
 
Verdwaalt uit zijn dorpjen naar 't eenzame woud.
 
Zijn ouderen zoeken hun liev'ling zoo lang;
 
Geen tocht in hun leven viel ze immer zoo bang.
 
En vriend en gebuur maakt zich op uit het dal,
 
Door 't woud klinken voetstap en kreet overal.
 
Veraf rolt de donder; 't geboomt' schudt de wind;
 
Luid weeklaagt de moeder: ‘mijn kind! mijn kind!’
 
De bliksems verlichten den donkeren nacht;
 
De regen plast nêer met geweldige kracht.
 
Drie dagen, een eeuwigheid! zoeken ze reeds,
 
Drie nachten - nog mist men den lieveling steeds.
 
‘Mijn kind is verloren, verloren!’ Van smart,
 
Van wanhoop en angst breekt het moederlijk hart.
 
Den vierden dag gaat om een welkome buit,
 
Om rijshout te gâren, een sprokkelaar uit.
 
En als hij in 't diepst van het woud dringt, daar schiet
 
Een ree langs hem henen, die schuchter ontvliedt.
 
Hij worstelt zich heen door de takken - wat schrik!
 
't Verlorene kind doet zich op aan zijn blik.
 
Het ademt, gevlijd op het mollige mos,
 
Maar mat en verzwakt en verschoten van blos.
 
De ree, die heur jongen zoo liefderijk voedt,
 
Zij had het gezoogd en het zorgvol behoed.
 
Der ouderen hart slaat met dankbaren klop,
 
De moeder heft juichend haar lieveling op.
 
S.J. van den Bergh.
[p. 30]

Ik zal van twee leerlingen 't opstel hier laten volgen, 't slechtste, van Anna, en 't beste, van Coba. Misschien interesseert dat de lezer meer, als ik eerst de eer heb gehad iets van de jonge dames te vertellen.

De eerste, Anna, uit 'n dorpje van de gemoedelike Meierij, is 'n doodgoed kind; de eenvoud en de openhartigheid zelf. Als ooit Buffon met z'n ‘Style est l'homme même’ gejokt heeft, dan is 't hier: 't opstel van dit eenvoudige schaap is gekunsteld als Pluim, officieel als Terwey, eigenwijs als Den Hertog. Maar als men d'r hoort spreken, niet schrijven, ja dan is le style tegelijk l'homme. D'r stem is eentonig, 't smakelik ritme van 't springlevende bakvisje zit er niet in; d'r gang is meer die van 'n vlijtige baker dan van 'n pedant onderwijzeresje; d'r gezicht is 'n anachronisme, zoals veel vrouwegezichten in de Brabantse dorpen, zo iets als de figuren van Quinten Matsys, vooral van z'n eigen vrouw. Buffon heeft hier meer dan gelijk: d'r gezicht is niet mooi, d'r gang niet, d'r stem niet, d'r gesproken taal ook niet. Maar daarom is die taal niet slecht! Dat zou zijn, als Anna onopzettelijk anders sprak dan ze dacht of voelde, of omgekeerd zo zuiver persoonlik dat ik d'r niet kon begrijpen. Maar d'r opstel! dat is slecht. Toch heeft 't kind betrekkelik veel gelezen, dat weet ik; maar dat is voor haar juist 'n ongeluk geweest, want de taal van die boeken deugde niet. Ze had nooit andere dingen moeten lezen als b.v. Op Hoop van Zegen van Heyermans. Ik bedoel, om de taal; de inhoud laat ik er buiten; wie die niet bevalt, kan nog wel andere boeken vinden. Dat boek viel me toevallig in, omdat ik 't tegenwoordig bestudeer. Daar heb je b.v. die Jo! 'n Enige meid! Jammer dat 't later mis met d'r loopt! ‘Ze kan toch zo lollig klesse!’ Zelf net zo goed als Saart. ‘U mot 'r hoore!’ Maar al de boeken die Anna heeft gelezen, wemelen van auteurstaal en spraakkunstetaal, en daar is d'r weinig krachtige natuur in verdronken. Ik krijg nu niets dan onnatuur van d'r te lezen. Vooral nu ze die wonderlike geschiedenis van dat kind met die ree moest vertellen. Hier is d'r opstel.

Het verloren kind.

Een tweejarig jongske had het ongeluk in het bosch te verdwalen. Zoodra de ouders hun lieveling misten, ontstelden zij en talmden geen oogenblik om hun kind te gaan opsporen. Veel buren wien het ongeval ter oore was gekomen, kwamen hun te hulp en in allerlei richtingen doorkruisten zij veld en akkers, maar tevergeefs. Al hunne moeiten, aangewend om het verdwaalde knaapje te vinden, leidden tot niets en tot overmaat van ramp kwam er nog een hevig onweer opzetten. Wat er nu omging in het ouderhart, dat is gemakkelijk te

[p. 31]

begrijpen. Zij stelden zich den hulpeloozen toestand, waarin hun kind zich moest bevinden, levendig voor den geest en hadden zij tot hiertoe nog een weinig op goede uitkomst gehoopt, nu was hun hart gebroken en hun geringe hoop geheel vervlogen. Reeds drie dagen waren voorbij gegaan en ieders gevoelen was, dat het vermiste knaapje wel den hongerdood moest zijn gestorven; misschien was het hieraan nog ontkomen, maar welk een schadelijken invloed zoo niet den dood moest het gure weer op het knaapje hebben uitgewerkt!

Den vierden dag zou er eindelijk eens uitkomst komen. Het gebeurde n.l. dat een jongen, die in het bosch hout sprokkelde, een hert zag voorbij vliegen. Hij wilde daar meer van hebben en sloop het daartoe stilletjes in de struiken achter na. Spoedig stond hij plotseling stil, want een onbeschrijfelijk tafereel boeide hem.

Daar lag nu het vermiste knaapje in het mos en de ree, die hij zooeven gezien had, voedde het. De ouders waren spoedig van de vondst in kennis gesteld en konden zij spoedig het weergevonden kind, alhoewel zeer ziek en afgetobd, aan hun hart drukken.

 

Anna schrijft heel grammaticaal: ‘Veel buren, wien het ongeluk ter oore was gekomen.’

Dat zegt zo wel niemand, maar de spraakkunst zegt 't, en dat is voor de gehoorzame Anna genoeg; en gehoorzamen doet ze graag, uit princiep: ze weet dat ze er de hemel mee verdient. Daarom komt 't haar ook zo uitstekend te pas dat de vrijgevochten Hollanders voor de kerkelike dogma's taalkundige dogma's in de plaats schoven: haar symbolum des geloofs is nu tweemaal zoo lang, en haar kroontje in de hemel ruim tweemaal zo mooi.

Voor we d'r werk verder in biezonderheden nagaan, zullen we Coba is voor de dag laten komen; dan kunnen we beter vergelijken.

Coba is meer dan 'n gewoon meisje. Andere meisjes zijn volgzaam, weinig geniaal. Als ze oorspronkelijk zijn, dan is 't meer in de toepassing van de conventie van haar tijd. Met veel smaak kiezen ze bij de stoffeerder 'n met bloempjes doorstikt groen tapijt voor - de weide in de lente, en als 't taalwerk dat meebrengt, spreiden ze met veel gratie 'n witte lijkwade over de velden in de winter. Dat hoort zo, ziet u; 't staat in alle boeken. Maar Coba is anders. D'r vader en d'r moeder zijn allebei van de Zuidhollandse eilanden, en dezelfde warse geest die daar in de Alva-tijd heerste, zit haar nog in 't bloed. Wat ze zelf ziet en hoort, dat vindt ze waar; en als de boeken 't anders zeggen, dan krijgt ze 't land. Als ze in de winter in de drukke straten van d'r geboortestad niets ziet dan vuile modder met witte sneeuwrandjes vlak langs de huizen, dan denkt ze niet aan 'n wit kleed dat ergens op 'n afgelegen veld ligt, waar ze nooit komt. En

[p. 32]

als ze 's winters avonds over straat hard naar huis loopt omdat d'r oren afvriezen, dan denkt ze niet aan 'n ‘stuurse vent’, of aan 'n Winter-koning die als 'n ordinaire politieagent met boeien rondloopt om de grachten te kluisteren en naar 't bureau te brengen; hoogstens zou ze aan d'r broertje of zusje denken, die d'r 'n keer zo geniepig met de nagels in 't randje van d'r oren heeft geknepen. Voor die fraaie stijlversieringen heeft ze geen aanleg. Ik vrees dat 't 'r later in de wereld nu en dan slecht zal gaan: ze is veel te weinig vormerlik, veel te kortaf, veel te waar, veel te afkerig van schijnschoon. 'n Reuzevlinder-strik, die haar niet staat, steekt ze niet in d'r haar, al is 't ook mode. Ze zal zich vijanden maken; maar als ze autoriteiten treft die geen belang bij de schijn hoeven te hebben, of hoog genoeg staan om 't gewriemel van de jaloerse poppetjes daarbeneden te overzien, dan zal ze nog wel iets goeds kunnen doen.

Coba maakt veel taalfouten. Als ze later kennis krijgt, en dan 'n in brief schrijft dat ze veel van 'm houdt, dan schrijft ze ‘houdt ik’ zeker met 'n t, eenvoudig uit gewoonte, omdat ‘houdt’ in de 3e pers meer voorkomt dan in de 1e. Ze gaat veel te recht door zee om de rechte lijn van d'r gedachten te verbreken door zigzaglijntjes van spraakkunstige overwegingen. Ze is 'n bewijs, dat de moderne taalbeschouwing de stijl ten goede komt en dus ook de taalwetenschap de grote massa beter, want natuurliker maakt.

Als ik Coba niet voortdurend voor 't eksamen waarschuw, dan schrijft ze massa's zinnen zonder onderwerp of gezegde en denkt zeker, zoals in de conversatie: ‘'n goed verstaander heeft maar 'n half woord nodig.’ Maar anders! O, ‘ze ken toch zo lollig klesse!’ Ten minste, als ze mag zeggen wat 'r interesseert. Anders niet. Laatst moest ze 'n opstel maken naar aanleiding van Begrafenis (V. Loveling. Het Paraphraseeren. Koenen. Wolters Gron.) Ze had niets af. Ik zeg tegen d'r: Schrijf dan maar wàt, al is 't nog zo weinig; en toen kreeg ik 't volgende: ‘D'r werd 'n hooge militair begraven. Met veel plechtigheid, zooals dat hoort. Maar o! wat waren d'r weer veel bij die 'r niets van meenden! Alleen die ouwe knecht, was echt bedroefd. Je had 'm moeten zien, de stumperd! Toen ze allemaal al lang weg waren, zat ie nog op 't graf te huilen.’ Dat was alles.

Lezen doet ze niet heel veel. Vandaar misschien dat ze zo natuurlik schrijft. Een en ander over de geschiedenis van de dag, 'n geillustreerd tijdschrift of zo iets, wil 'r wel in bij d'r, maar van m'n raad om ook is meer boeken te lezen, neemt ze weinig notitie. En met opstellen over De beste stuurlui staan aan wal b.v., hoef ik helemaal

[p. 33]

niet bij d'r aan te komen. Maar als ik d'r dwing en d'r dan wat help, krijg ik iets veel frisser dan van de anderen. Deze behelpen zich met 'n opeenstapeling van banaliteiten, en dat is ze te vergeven. Moesten ze opgeleid worden voor predikant, en dus reeds op jeugdige leeftijd op gezette dagen en uren, zelfs als 't hart niet tot spreken dwingt, 'n geruime tijd over 'n zelfde onderwerp kunnen uitweiden, ja dan was 't goed, dat ze nu vast leerden zich kunstmatig te bezielen door 'n wil die naar omstandigheden weet te handelen. Maar wat noodzakelik is voor A, is misschien verkeerd voor B, en daarom is 't voor mij nog niet bewezen, dat de retoriese stijloefeningen van de oude latijnse school in onze kweekschool moeten overgebracht worden. Boswijk en Walstra maken misschien propaganda voor de Vrije-Vrouwenvereeniging, dat ze onze meisjes zo oefenen in redenaarsstijl? Me dunkt, dat die emancipatie wat vroeg komt.

Wat voor Coba d'r toekomstige positie goed is? Dat ze prettig weet te vertellen; dat ze met d'r fantasie de kindertjes 'n half uur kan stil praten. Tapijten voor de weide hoeft ze niet te weven en en ook geen wit kleed om de ‘sluimerende aarde’ onder te dekken. Coba moet met d'r fantasie helkleurige rokjes en broekjes en vuurroode kapjes en petjes weten te maken voor de jongetjes en meisjes, die ze later in de school aan haar kindertjes ten voorbeeld zal stellen. Daarom heb ik ze gedwongen, eens veel van dat kind met die ree te vertellen. Niet pasklaar voor de school, dat zou te flauw zijn. Wie aan volwassenen goed weet te vertellen, zal van zelf door de omgang met kinderen wel de juiste schooltoon aanleren.

Hier is d'r opstel.

Het verloren kind.

Bij een dorp lag een mooi bosch. 's Zondags gingen de dorpelingen er weleens naar toe en vooral voor de kinderen was zoo'n wandelingetje erg aardig. Ze konden dan hollen om en tusschen de boomen, over de greppels springen, in één woord zich eens lekker doodmoe maken. En als er dan wat uit 't trommeltje of valiesje kwam, dan was dat 'n traktatie als op sinterklaas. Dus was 't geen wonder, dat ook in de week dat bosch de kinderen aantrok. De grooteren gingen er dikwijls spelen, maar voor de kleinen was 't verboden terrein. Verderin was 't een echt doolhof; daarbij was 't uren lang en breed, en veel verhaaltjes deden de ronde over kinderen die verdwaald of door beren en wolven waren opgegeten en dus nooit weer bij Moeder waren teruggekeerd, alles natuurlijk tot schrikwekkend voorbeeld voor kleine kleuters. Toch was er nu weer een kind verdwaald, en omdat 't bij de buren en verder in 't heele dorp niet te vinden was, gingen ze in 't bosch aan 't zoeken. Iedereen had medelijden met de arme moeder. 't Mensch ging te keer van geweld! ‘Mijn Jantje, arm Jantje, och m'n kind! help me toch! help me toch! Hebben

[p. 34]

ze 't nog niet! och God, geef me toch m'n Jantje terug!’ Zoo was 't zonder ophouden. En telkens als ze iemand tegenkwam die in 'n andere richting had meegezocht, maar zonder Jantje, dan begon de scène opnieuw. 't Was om er zelf akelig van te worden. 's Avonds toen de vader thuis kwam en van 'n buur 't nieuws hoorde, stak ie een stallantaarn aan, leende er nog een paar bij de boeren en ging zoo gauw ie kon, ook 't bosch in; z'n vrouw stuurde ie maar naar huis. 't Mensch moest toch wat rust hebben. Hij zou ze zeker van nacht of anders morgen vroeg d'r Jantje meebrengen, daar kon ze gerust op zijn. En zoo wat gekalmeerd maar toch nog snikkende en huilende ging ze met een paar buurvrouwen naar huis. Misschien dat ze van vermoeienis een oogenblikje geslapen heeft, maar veel in geen geval, dat spreekt. Maar 's morgens kwam ook de vader met een paar buren zonder kind terug. Toen de moeder weer aan 't zoeken. En zoo ging 't nog een dag door, tot ze ten slotte den moed opgaven. Van gemeentewege werd er gedregd, de marchaussee stelde ook alles in 't werk, maar vruchteloos.

Den derden dag vond een jager 't kind toevallig in een dicht boschje met struikgewas. Hij was een ree nageloopen en zoo in dat warnet van takken terecht gekomen.

Denkelijk was ook 't kind een jong van de ree nageloopen, want midden op een klein open plekje in dat struikgewas lag 't rustig bij een jong te slapen. Hoe de ouders gesteld waren, toen ze hun kind nog levend terug zagen, dat zal ik maar niet vertellen. Men kan zich dat best begrijpen.

Vooral de moeder was gek van blijdschap. Ze kuste z'n matte oogen, z'n bleeke wangen, zooals alleen 'n moeder dat kan. ‘Arm schaap!’ zei ze, ‘wat zie je d'r toch uit! Wat heb je toch zeker 'n gebrek geleden!’ En als ze 't dan weer wat melk of bouillon gaf, dan was 't: ‘Maar we zullen je wel weer gauw opknappen!’ De vader was in 't schaftuur niet van 't bedje af te slaan, en ik geloof niet, dat er op de heele wereld een paar menschen waren, zoo gelukkig als toen die twee.

 

Laten we nu is vergelijken.

Anna begint zo: Een tweejarig jonkske etc., precies wat de eerste twee dichtregels inhouden. Alleen schrijft ze bosch voor woud; 'n streep aan de balk! Maar ga de andere woorden is na! ‘Ontstellen’, ‘opsporen’, enfin, ik zal zelf nog op een en ander attent maken. Maar al verandert men al haar ongewone woorden en uitdrukkingen in gewone, dan deugt 't opstel nog niet: Ze heeft 't stuk niet met d'r fantazie beleefd en daarom kon ze niet goed vertellen ook. Maar we waren aan 't begin! Een ander schreef zo: Voor 't open raam van 'n boerewoning zat eens een moeder te breien. Ze keek met plezier naar haar kind, dat voor 't huis zoo aardig aan 't spelen was enz. Ik heb die taktiek in de klas geprezen, omdat de lezer daardoor zich voor moeder en kind geïnteresseerd had reeds vóór 't ongeluk, waardoor 't meevoelen later des te inniger zou zijn.

[p. 35]

Coba vindt zelf 'n oorzaak van 't ongeluk: 't bos trekt de kleintjes. Daarna laat ze zoeken eerst bij de buren, verder in 't hele dorp en dan direkt in 't bos. Maar Anna laat veld en akkers doorkruisen en vergeet dat ze zelf gezegd heeft, dat 't kind in 't bos verdwaald is. Of liever, dat is ze niet vergeten, maar ze schrijft in eens de hele uitdrukking veld en akkers doorkruisen zo maar op, alleen met 'n vaag idee van buitenshuis verloren en overal zoeken. En voor dat vaag idee was de uitdrukking veld en akkers doorkruisen net goed, omdat die uitdrukking ook nooit in d'r geest 'n scherp omlijnd beeld heeft voortgebracht.

't Hele opstel is trouwens meer 'n abstract verslag dan 'n concrete gedetailleerde vertelling; niet uit berekening, maar uit beeldend onvermogen: ze zou van 'n bos vertellen, en prevelt kalmpjes van ‘veld en akkers.’ Als dit kind uit de school in 't volle leven werd overgeplaatst, zou 't ‘'n stille’ zijn, niet omdat ze zo erg subjectief, maar zo weinig objectief is. En juist die natuur wordt door de retoriese opstellen niet beter maar slechter. 't Realistiese verhaal of de realistiese beschrijving zou 'n krachtig middel zijn om haar uit haar hutje op de hei onder de mensen te brengen, ogen en oren wijd open te zetten, in elk geval haar trage voelhorentjes zo ver mogelik in de stoffelike wereld uit te steken. Maar de retoriese hulp van Boswijk en W. bij veel opstellen (men zie b.v. Nummer 4, waar staat: ‘Beschrijf het kleed waarmee de aarde nu van haar boeien verlost, zich tooit, - het lentekleed,’) die retoriese hulp is voor onze kwekeling 'n welkom middel om de schijn te redden en rustigjes te volharden in d'r onzakelike subjectiviteit.

Dat veld en akkers in Anna d'r opstel niets meer dan overal betekent, zou ik 'n semasiologiese fout willen noemen, omdat hier van de gemiddelde betekenis te sterk wordt afgeweken en zelfs verkeerde voorstellingen worden gewekt: de lezer gaat aan 't vlakke veld denken terwijl ie vruchteloos moest mee helpen zoeken in 't labirintiese bos. Dat ten minste eischen de feiten, ook de levendigheid van 't verhaal. Daarom is hier ook 'n artistieke fout gemaakt, want er moest wijl 't 'n hoofdmoment gold, duidelijk gelocaliseerd worden en dat heeft Anna, die met haar ‘veld en akkers’ overal bedoelde, niet gedaan. Dat die bedoeling werkelik zo was, is niet enkel gissing van me, maar ik heb dat uit haar eigen mond gehoord.

Dergelike semasiologiese fouten vindt men ook als 't hele zinnen geldt. In 'n soortgelijk opstel over De Ganzen van Bogaers (Het Paraphraseeren - Koenen) schreef er een, dat 'n taalgeleerde aan de gepikeerde ganzen vroeg: ‘Waart gij het niet, die Rome van den

[p. 36]

dwingeland verloste?’ Ik meende de feiten concreet genoeg en tevens zo besproken te hebben, dat de schrijfster onmogelik aan 'n dwingeland kon denken, wel aan 'n troep vijandelike klimmers. Maar nu herinnerde ik me 'n zin uit m'n afschuwelike dictees: ‘Waart gij het niet, die Nederland van den dwingeland verloste (zonder persoons-t!) en bevrijdde?’ Die zin bleek met 'n slechts vage gedachte in 't hoofd van de schrijfster te zijn blijven hangen, en was nu toepasbaar op ontelbare gevallen van veroverings- of heerszucht. Vooral voor zulke leerlingen blijken dictees om wille van een moeilike spelling niet alleen verband te houden met zelf bedwang en gesoigneerdheid (zie De Katholiek Jan. - Febr. '09) maar ook 'n middel te zijn tot psychologies bederf.

In 't begin van 't opstel schrijft Anna achter ‘alle moeite’ de stadhuiszin ‘aangewend om 't verloren knaapje te krijgen.’ 'n Ezel die dat niet wist! Maar Anna moest minstens twee bladzijden vol krijgen en als ze dus weinig weet, moet ze dikwijls de bekende waarheid schrijven. De andere zinnen die ik ook meen, dat alleen dienen om te rekken, zijn cursief gedrukt. (In 'n opstel over 'n spreekwoord of in paedagogiese opstellen zou ik er veel meer gevonden hebben.) De eerste, nl. ‘wien 't ongeval enz.’, kan ook 'n zeer officiele maar voor 'n verhaal ook zeer slechte zin zijn voor: ‘Ze was 's bij de buren gaan horen’, ze d.i. de bedroefde moeder zelf en niet 'n.... enfin A. noemt helemaal geen persoon. Maar Coba komt die gedienstige buren in 't bos tegen, midden in d'r activiteit; de stadhuis-bijzin kan ze missen. Ze is te vol van de feiten zelf. Anna zegt, dat ‘de ouders zich levendig den toestand van hun kind voor den geest stelden’; 't was beter geweest als ze dat zelf gedaan had. Wat ze wel deed? 'n Zin uit d'r studieboeken afschrijven: ‘Wie 'n opstel wil maken, moet zich alles levendig voorstellen,’ ook wie in de school boeiend vertellen wil; dat staat in haar pedagogiek-boek. Ze kent de theorie beter dan 't leven; ze weet wel dat 't hart van de bedroefde moeder uit vier kamers bestaat, maar niet dat 't toen van angst bonsde. Ze vergeet ook 't onweer niet, net zo min als de dichter. Maar Coba heeft de donder en bliksem niet nodig om de aandacht van de lezer met hels kabaal wakker te houden. 'n Moeder die d'r kind kwijt is! Net iets voor haar. Nu zal ze niet ‘lollig klesse,’ maar huilen, hard meehuilen. ‘M'n Jantje! Och m'n kind enz.’ Anna zegt dat 't moederhart was gebroken enz. Natuurlijk, zulke termen horen officieel bij 'n verlies dat beschreven, maar niet gevoeld wordt. Men ziet, Anna gebruikt ook true; niet in de oorspronkelikheid van de opzet, maar in de keus van de banaliteiten. Ze gaat zelfs van hongerdood spreken, en zo niet van honger dan toch van 't gure weer zal 't knaapje wel dood zijn (let wel ‘knaapje,’

[p. 37]

want ‘jongetje’ is niet roerend genoeg) Coba ziet niets van 't knaapje; ze ziet des te levendiger de moeder en de vader; en daar sjouwt ze mee rond; ze loopt ook naar de marechaussees, ze helpt stallantaarns halen en ze ziet de moeder met troostwoorden in slaap te krijgen; maar niet met auteurswoorden. ‘Schiet op!’ zou je zeggen. ‘Heb je zoo weinig hart voor dat mens, dat je je nou nog als 'n kwast aanstelt?’

Ik vroeg aan Coba waarom ze niet net als Anna, 't kind door 'n sprokkelaar liet vinden. Toen zegt ze: ‘Wel, 'n sprokkelaar gaat toch zo ver niet en 't kind zal toch wel erg ver verdwaald zijn.’ De ander keek toen net of ze wilde zeggen: ‘'t Hoeft toch niet werkelik gebeurd te zijn! 't Is toch maar 'n oefening in 't stellen!’ Eén keer wordt Anna werkelik deelnemend en dan spreekt ze d'r eigen taal: ‘Hij wilde daar meer van hebben.’ Dat was toen ze plotseling 'n hert voorbij zag vliegen; dat schijnt ze dus tamelik intens gezien te hebben. Of dat ook 't geval is waar de ree de rol van min waarneemt, kan ik niet zeggen. Wel spreekt ze van 'n onbeschrijfelik en boeiend tafereel, maar 't geval is zo wonderlik, dat ook bij minder dan halve indenking 'n zweem van verrassing ontstaat, die tot de gebruikte retoriese termen recht geeft. Tot 'n realistiese behandeling leent 't feit zich in elk geval moeilik. Coba heeft er zich dan ook doorgeslagen, wijselik met d'r ogen dicht. Heel dit gedeelte van 't verhaal wijst er op, dat ze er geen weg mee wist. Ze heeft er trouwens helemaal niet aan gedacht, dat 't kind niet ouder dan twee jaar mocht zijn. Ze las slecht, omdat ze zelf zo nadacht; net haar natuur.

Voor te eindigen moet ik op 'n paar punten terugkomen.

Ik schreef: ‘Coba maakt veel taalfouten.’ Maar uit d'r opstel blijkt van niet. Ik geef namelik enorm veel diktees. De eerste jaren was Coba bij die dressuur eenvoudig ontembaar. Maar nu kent ze de kunstjes. Tot ze later weer vrij is.

Verder. De vlotste en natuurlikste schrijfster in m'n vierde cursus is 'n Westbrabantse en hoort toevallig tot de weinigen, die zich even principieel gedragen als Anna. Maar d'r hele uiterlik is aardiger. Wel is d'r stem erg gedempt, maar d'r levendigheid weet dat slechte instrument soms heel artistiek te bespelen.

Ph. J. Simons.

Moerdijk.

prepostterug  begin  verder