terug  begin  verderprepost
[p. 15]

Roemer Visscher.

Een schier gans verborgen leven, met zichtbare trillingen nog, aan het oppervlak.

Een hoog en laag, en droef en blij, zingen van alle tonen der liefde, en daar doorheen, de windvlaag van de rage ener smoorlike, doodlike verliefdheid, met het meeklotsen en deinen van de golven van een smartelik hopen en een vertwijfelend berusten.

En daarna de ‘slag’. Het afrafelen van de draad, waaraan heel de hope van 't leven hing.

En daarop - na een ons duister proces, - het zich zelf terugvinden als vrij man, die de blijheid van z'n vrijheid geniet, en sterk voelt het onbevooroordeelde genot, waarmee hij de zon ziet spelen met de watergolfjes, de wind met de wimpels, de wolken met de schaduwen, de stormen des levens en de wisselvalligheid van de Fortuin met de verlangentjes en de gedoetjes der mensekindertjes.

Voor hem is een nieuwe werkelikheid geboren. Een nieuw objectief ligt open voor hem. En elk figuurtje en elk beweginkje mist niet z'n indruk te geven op z'n gladgestreken evenwichts-ziel.

Ook het verledene. Maar, niet ongestraft.

Dáár doemt in hem op het schijn-leven van voorheen, en prikkelt z'n werkelikheidszin. Overmoedig grijpt hij in z'n amoureus stemmingsleven, tracht het te vulgariseren, blijft soms oorspronkelik, maar buitelt 't meest over 't originele heen tot de dwaaste en koddig-triviaalste platheid.

Hij wil de dwaasheid kritiseren, wat in z'n diepste innerlijkheid nooit dwaasheid was en.... faalt.

Hij wil, als weleer, een roemer nemen, jaagt die door 't keelgat, verbrijzelt het glas, dat de scherven rondvliegen, en - wondt zich de hand.

Hij gaat de straat op. ‘Zwiep’, gaat z'n narre-zweepje tegen kokette, pronkerige, fatsoenlik-doende meiden; sarkasties-spottend wil hij ze zeer doen, gebaren en toespelingen makende, totdat ook hierin het zeer z'n oude wonden wee doet, en 't striemen, van een plaagziek kittelen, een zinloos kiekeboe wordt.

[p. 16]

Want altijd, als de overspannen veer van 't overmoedige zelfbeproeven verslapt, wordt weer in hem bewust, de werkelikheid van z'n vervlogen liefde-leven, ontdaan nu van de heftigheid en de onrust, de dronkene blijdschap en de knagende weedom, - maar tans zich in 't verleden verliezende als een dromerig landschap in stil-droeve verkwijning, - en ook deze vergankelikheid vraagt de eerbiediging, die dierbaar geworden afgestorvenen toekomt.

Totdat, met een rustig bezonken nabetrachting, hij de gezamenlike, door z'n zielestormen verward dooreengemengelde brouille van waarheid en schijn, van ernstig pogen en ijdel bejagen, op kalme wijze laat spiegelen in de eenvoudigste dingen om hem heen, en in de doodgewone levensopenbaringen van ieders onmiddellike omgeving; en hij in die simpele dingen blijvende waarheden verzinnelikt ziet, en hij fieguren tekent, die hij vergeesteliken wil, en ze met korte bijschriften en verklaringen voorziet; -

Om dan ten slotte, en als tot een afscheid, deze en al de bonte afdrukken van z'n levensstemmingen, dooreen te werpen tot een nevelig beeld, waarin zich het licht en de schaduw van één verleden pleegt op te lossen; dit samenraapsel bij voorbaat, als bestemd om in de vergankelikheid der dingen op te gaan, van 't cijfer O te voorzien; maar dit dan ook, waar ook geborgd of hoe ook verwerkt, uitdrukkelik aanvaard te willen zien als de brabbelpraat van één der millioenen stervelingen, die voor zich tot de erkenning wist te komen, dat de som van de wereldse kennis, de wereldse begeerten en de wereldse bemoeingen zich oplost in 't ijdele Niet; en die nog met stervende hand, de zotskap omhoog zou willen houden ter waarschuwing van hen, die zich, het Wezen ziende in de Schijn, aan die Schijn zouden vergapen.

Zulk een man was Roemer Visscher, de onvermoeide Momus, met de waarheids-spiegel.

De vriend en medestander van Hendrik Laurensz, die dezelfde schijnwereld projecteert tegen het muurvlak van Plato's grot.

 

‘Spel,’ noemden z'n tijdgenoten en nakomelingen z'n manier van doen; ‘moe gespeeld’ noemde men z'n geëindigd leven.

Zeker, was het z'n streven geworden: van de ernst wou hij gekheid maken. Voor hem was 't een behoefte geworden, eigen ernst, eigen wee zelfs, door het glas van de spot te zien.

De Eeuwigheid van de Liefde? Pas op, wat Venus bindt, zal de knuppel scheiden! -1)

[p. 17]

De nederlaag van een versmading, een doodwonde voor de ziel? Let wel, een blauwe scheen brengt de buitensporigheden tot hun ware verhouding terug!1)

De vrouw een heilig wezen, slechts knielend te vereren? Wees voorzichtig, de hoge prijs van die andere zal haar een maatstaf voor uw eigen onwaarde zijn!2)

Is uw liefste een schat? Ja, mèt een schat!3) - Is ze een roos? Ja, in je voet!4) - Gebruikt ze odeurs? Ja, om een luchtje!5) - Wast ze zich schoon? Schoondochter, ja!6)

Vrouwenverering en vrouwenverguizing, zingen, disharmonies, hun koor. Door de ode dringt een sarrende lach, door 't gegichel fluistert de stem der aanbidding. Samen dragen deze uitingen één naam: ‘Quicken’, moppen, noemt hij ze, meer passend dan roemdragend. 't Zijn er dan dikwels ook moppen naar: kwinkslagen, die bij roemers horen; woordspelingen bij flessen- en glazenkout. Er zijn er bij van 't allergoedkoopste allooi: gesel - esel; trouw - rouw; Muzen - muizen; Hopman - ‘hop’-man; een jachtspel op de verschillende betekenissen van ‘behoed’; ‘spelden’ (ook voor ‘spellen’ gebruikt); ‘aantrekken’; ‘haar’; ‘zeer’; ‘zoo’; ‘vasten’; ‘kussen’; ‘kan’; ‘want’; ‘bokken’; ‘bot’; ‘graven’; ‘maaltijd’; ‘bevrijen’; een glas op een zekere ‘Nel’, die ‘klaar’ wil wezen, en toch Nel blijft; op een andere meid, aan wie na haar dood 't ‘eeuwige leven’ beloofd is, en desondanks aan 't ‘eeuwige leven’ (ongedierte) sterft; op iemand die ‘rein boek’ houdt, omdat hij nooit inboekt;7) quolibets bij de hoop, gewaagde8), dubbel gewaagde9) en uiterst gewaagde10); onverstaanbare, voor wie zich de moeite ontzegt te gaan neuzen in de Topografica Obscoena11) of vreemd staat tegenover enkele landhuishoudkundige termen12). Soms leerzame notities, die de naar economiese

[p. 18]

biezonderheden vorsende onderzoeker onderricht, dat men een speelschuit kon huren voor een schelling1); aan een koppelaarster tien kronen, waarvan vijf op voorhaud, betaalde2); hoe een lekkerbek smulde3) en een kokette zich oppoetste4) of zich voorzag uit andere fondsen5); wat men een bedelaar, bij de aalmoes toevoegde6); hoe ieder in z'n bedrijf, z'n winst door kleinigheden zocht te vergroten7); hoe de toenmalige appelsoorten heetten8); welk bier het gezochtste was9). Daarbij vallen tevens eigenaardige zegswijze te noteren: als iemands leer touwen, de nachtegaal temmen, een kamerkatje wiegen, en dergelijke. Doch dan ineens, onder al die zetten op vrouweneer en vrouwen-lichtzinnigheid, het schimpen op poppekramerij en 't opzettelike slikwaden door gezochte trivialieteit, komt uit de diepe ondergrond van z'n wezen omhoog, als een weemoedige herinnering aan vervlogen idealen,

 
't En is niet waer dat men door liefd mach sterven,
 
Of ick was al doodt en over langh begraven,
 
Door 't groot verdriet dat mijn hert quam deurkerven.
 
't En is niet waer, dat door seer loopen en draven,
 
Een Vrijer mach gonst van zijn Lief genaken,
 
Of ick had al rust, en dorst niet meer slaven.
 
't En is niet waer, dat men door stadigheydt mach raken,
 
Tot vergeldinge van ontelbare droevige nachten,
 
Na dien sy mijn liefde soo heel kan wraken.10)
 
- - - - - - - - - - - - - -

Of hij heeft liefgehad?

Hoor, hoe hij haar beeld meenam naar den vreemde:

 
Met brandende liefde, groote moeyten en onrust,
 
Ben ick over zee gezeylt, na ons lieffelijck scheyen,
 
Door golven en baren, die niet hebben geblust,
 
Het vyer dat deur twee oogen, twee oogen deed schreyen,
 
Hopende van wederkeeren den tijdt te verbeyen,
 
Dat ghy sult seggen tegen my, en anders geen,
 
Ghy zyt myn Lief, en ick uw Maet alleen.11)

En of na lange, lange onrust en' dobberende vertwijfeldheid, de kansen gunstig stonden?

Helaas, niet voor hem was de prijs:

[p. 19]
 
Geluck werdt u Vrouwe met u schoon Lief,
 
Ghy zijt nu te vreden, als genaeckt de nacht,
 
En hebt my gelaten een verdrietigh ongerief,
 
Na dat ick na troost langh hadde gewacht:
 
Een ander is gekomen die voor hooft-som en pacht.
 
My schenkt suchten, duchten en jammer groot,
 
Godt geef dattet van u altijd werde belacht:
 
Dan een oprecht Vriendt wordt bekent ter noodt.1)

Onmiddellik daarop, in z'n bundel, vulgariseert hij hetzelfde thema, en de edel-droeve stemming, springt, hop, hopsa! in 't narrepak:

 
't Is verloren gefloten, als 't Paert niet wil pissen,
 
't Is verloren gebeden, als de Vrecke niet wil missen,
 
't Is verloren geseylt, als de wind niet voegen wil,
 
't Is verloren gewieght, als 't kindt niet wil slapen,
 
't Is verloren kan seggen, als de Vogel niet wil gapen,
 
't Is verloren geven, als d' ontfanger niet genoegen wil,
 
't Is verloren vrede maken, als men weder wroegen wil,
 
't Is verloren dat men den blinde met een brandende kaers leydt,
 
't Is verloren 't hert leggen, daer een ander de naers leydt.2)

Carpe diem! In vino vita. Kom, m'n vrind, het Waardhuis in!

 
De Pis-bekijckers zeggen, dat niet langh sal dueren
 
Mijn leven, Hendrick: maer wat acht ick dat,
 
Wy moeten doch allegaer de doodt besueren,
 
En vroegh of laet treden het bebaende padt:
 
Komt helpt my dan uytdrincken een vol vat,
 
Dewijl men te voet niet derwaerts mach trecken,
 
Soo sal 't ons, als 't uyt is, een schuyt verstrecken.3)

Wat is ten slotte de liefde?.... Niet dan brandende rasernye, Die met roock vervult de fantasye, Met een sus, met een kus, met een boert, met een swink:4) Een droom, anders niet.

Kom mee, de straat op.

Daar is mooi Neeltje, die om gunstig af te steken, expres met ouwe wijven omgaat.5) Neeltje, waar koop je je borsjes?6) - Uit de weg voor Canjaert met z'n honderd vaders. Ha, ha, die Canjaert wou zeggen, dat Hendrik en Roemer maar malle poëten zijn.7) - Dag Jannetje, heb je al beet?8) - Daar heb je Jorden ook, die nooit koekoek wou wezen!9) -

[p. 20]

Ruimte asjeblieft, Daar heb je Kapitein Linther! Hm, hm, één twee, één twee....1) - Lijs, lieve Lijs, is 't waar dat Joost je om je centen vrijt!....2) - Kom liefste, mag ik eris?.... Nou dan, een zoen is ook goed!....3) - Kijk Mieuwes 'eris stappen! Ook al om de meiden. En Dirk ook. En Marten, en Jaap. Alles wil vrijen, alles wil er in vliegen; och God, allemaal willen ze die lange, lieve, mooie, pijnlike, eindeloos-rusteloos lijdensweg op! Hier Herman, wees gewaarschuwd:

 
Ghy weent, ghy lacht, ghy sijt verblijt en bedroeft,
 
Ghy loopt, ghy rust, ghy sijt rijck, en ghy behoeft,
 
Ghy sijt verwondert Harmen, wat u dus doet ontsinnen,
 
Sulcks is 't gemeene leven van al de geen die minnen.4)

Ja Harmen, liefde is last. ‘Een ander meer dan hem selven beminnen, Met ydel hoop voeden lijf, ziel en sinnen,..... Sich selven voorbeelden veel vreemde grillen, Leven na de regel van eens anders willen,.... Kleynen loon en danck voor arbeydt groot, Dat is huyden der Minnaers dagelijcks Broodt.’5)

 

Maar 't is alleen de Liefde niet, die zorgen baart. Zie rondom u het eindeloos jagen van de met beslommeringen beladen mensheid. Zie ze snellen naar geld en goed. Als Acteon worden ze door de honden van hun eigen begeerten verscheurd. Waarom laten ze zich niet genoegen met wat de natuur als behoefte predikt? Hoe velen branden hun vleugels in de vlammen van de Schijn! Hoe tragies die strijd om 't bezit!

 
O Rijckdom, Moeder van alle quaet,
 
Wijf van valsche verradery,
 
Dochter van sorgh, Suster van haet,
 
Voedster van alle schelmery,
 
U te hebben dat doet vreesen,
 
En niet te hebben droevigh wesen.6)

De school der Liefde, die Roemer doorworsteld heeft, vinden we vrij wel in z'n ganse loop terug in z'n Sonnetten-krans, die hij, heel puristies, ‘Tuyters’ genoemd heeft.

Want bij hem is z'n dodelike verliefdheid niet alleen geweest een hoogtijd van vrouwen-verering, en een cultus van edele gevoelens,

[p. 21]

die aan z'n geestesleven een hogere verheffing, en aan z'n verwachtingen in de toekomst, een ruimer en vager horizon en een feërieke bekoring gaven; een geestestoestand, zoals zo velen hebben gekend, waarin de driften òf geadeld worden herboren, òf hun intensiteit en acute openbaringen ingewisseld worden tegen het eeuwig geloof aan een eindeloze idealiteit, - bij hem is z'n liefde-proces ook geweest een voortdurende school van zelf-analyse, een vlijtige waarneming van een geheel nieuw bestaan in een ongekende stemmingssfeer, een aanhoudend pogen om zich in woorden de fasen zijner gesteldheid bewust te worden, die hij, onverschrokken sterk door het hem bemoedigende levensvuur, daarna stijf-volhardend door z'n trouw aan z'n gevoelsrichting, tot het uiterste doorlopen zal; ook dan nog, als z'n gevoelens, niet langer gesterkt worden door voedsel van buiten, nòch langer te dragen zijn door de geknakte eigenliefde, en door de gewaarwordingen de klachten breken, die in een gedempter toonaard, ondanks zijn beroep op de eindeloosheid van z'n verlangens, allengs de onmacht van z'n lijdensvreugde openbaren....

Niet alle de twee en twintig sonnetten zijn vermeldenswaard; wij geven er de merkpalen van, uit z'n Icarus-weg.

 
Die twee bruyn-oogen, twee lichten van mijn leven,
 
Op my blixemende haer stralende blyheyt,
 
Hebben soo zeer beknelt myn jonge vryheyt,
 
Dat ick gewilligh haer gevangen ben gebleven.
 
Haer liefde heeft mijn reden soo t' onder gedreven,
 
Dat ick versuft in haer schoonheydt t' aenschouwen,
 
So hertneckig myn beloofde woort sal houwen,
 
Dat ick na ander te sien my niet sal begeven.
 
Geen ander sporen sullen my wandelen doen,
 
Geen ander kiekens sullen uyt dees eyeren broen,
 
Noch tot geen ander Sanctin myn devocy strecken.
 
Mijn tonge geen ander schier noemen kan,
 
Mijn penne en inckt niet anders dan
 
Haar lof op papier en willen trecken.1)
 
 
 
Als het groote oogh dat alle dingh verfrayt
 
In de Tweelingen rijst, alle boomen bloeyen,
 
De groene velden met grove aren vloeyen,
 
De kanten der rivieren zijn vol bloemen gesprayt,
 
Maer wanneer dattet vluchtigh weder drayt,
 
Door den wegh des Schutters die neder valt
 
Soo komt terstondt een heel ander gestalt,
[p. 22]
 
Dat alle de aren en bloemen afmayt.
 
Desgelijcks als 't oogh van mijn Goddinne blinckt,
 
In mijn hert, mijn hert overvloedig voortbringt,
 
Een vermakelijck bloeysel van seker nopen.
 
Soo haest sich dan die stralen verliesen,
 
Des belovenden voor-jaers bloemen vervriesen,
 
Voor den Ooghst afmaeyende mijn wanckelijck hopen.1)
 
 
 
Vrij, los van reden, een slaef van rasery
 
Soo loop ick ter jacht na een al te wilden Dier,
 
Als nu op een Bergh, nu langhs een Rivier,
 
Nu in het bosch van jonge dwasery,
 
Ick besigh voor een leyseel een lange dasery,
 
Voor een Brack heb ick een bernende lust.
 
Ick gebruyck voor Honden, sorgh, pijn, onrust,
 
Jammer, verdriet, en visevasery.
 
Dese siende hoe sy meer in 't jagen verstijven,
 
Hoe sy meer en meer te rugge blijven,
 
Soo keeren sy den kop om my te beschaden.
 
Als hongerige reeckels grettigh om eten,
 
Reppende haer muylen met groote beten,
 
Verscheuren haer Meester sonder genaden.2)
 
 
 
Altijdt de bergen op haren top niet dragen,
 
Des geduerigen Winters sneeuwige vacht:
 
Altijdt zijn de Goden soo niet bedacht,
 
Met dreygende blixem de menschen te plagen.
 
Altijdt de zee met onverbolgen wagen,
 
Door felheyt des wints, niet bestormt de strant:
 
Maer sorge my houdt met een wreede tant,
 
Altijdt, altijdt komt mijn herte knagen.
 
Hoe ick my meer om hem te verdrincken vermaen,
 
Hoe hy meer en meer wast en dapperder aen,
 
Om myn leven in onrust te houden hem stelt.
 
O Hercules, had uw dienstelijcke kracht,
 
Dit wrede Monster oock omme-gebracht,
 
Mocht door uw dertiende vroomheydt wel worden gestelt.3)

En toch, spijt z'n eigen ervaring, die z'n leed vruchteloos in de beker te ‘verdrinken’ zoekt, blijft z'n mening, dat de standvastigheid in de liefde de ware weg wijst; dat de aanhouder wint, en in de losse grond van de vrouwelike lichtvaardigheid de onverflauwde liefde het hechtste wortel schiet. Half ernstig, half verwijtend is z'n levensles:

[p. 23]
 
Om in de handel van Liefde wel te bedyen,
 
Is 't niet genoegh dat ghy seght met schoonen schijn,
 
Duysentmael meer dan ghy zijt verlieft te zijn,
 
Op haer volmaecktheydt, die u mach gebenedyen.
 
Neen, dan eerst voor al moet ghy leeren lyen,
 
En van een weygeren terstondt niet blijven versuft,
 
Een Vrouwe sal niet achten den haesten verbluft,
 
Dan den hertnecken stouten aenhouder in 't vryen.
 
Want gemeenlijck prysen wy aen een aer,
 
Dat wy aen ons voelen te gebreken,
 
Die blinde prijst het gesichte klaer.
 
Die stomme prijst voor al het spreken,
 
En die Vrouwen kennende haer wanckele sinnen,
 
Geen dingh meer dan gestadigheydt en beminnen.1)

Of, - dubbel overgehaald tot een scharrebiers-‘Quick’, immer nog lerend van de mannelike standvastigheid en de vrouwelike wisselzin:

 
Marry heeft al vijf Mannen getrouwt,
 
D'een na de ander en sy syn al gesturven:
 
Dierick heeft sesmael geweest gehouwt,
 
Mettet erf hebbben hem sijn Wijven bedurven:
 
Dierick en Marry sullen te samen trouwen,
 
Om te sien wie dat het veldt sal houwen.2)

Dit was z'n wezen.

De levenswijsheid zette hij, opgedirkt, de narrekap op.

En de omstander, door 't schrille contrast te onaangenaam getroffen, wendt ontsteld z'n hoofd af.

Doch uitgekleed op 't blote lijf, is de Waarheid steeds waarheid gebleven.

Vergeven we hem de gril, die hem een twede natuur was geworden.

Hij, die doolde als Acteon, door de doggen der zorgen verbeten, moest glossen slaan op zich zelf, om in de echo van z'n leed, trillende door de glazen, z'n Roemer te herkennen.

Men kent z'n ‘Grafschrift’.3)

Zie het veelzeggende, korte, schier vertwijfelend rijmpje, waarmee hij, inleidend, z'n ‘Brabbelingh’ dekt:

[p. 24]
 
Vraeght yemandt, is Roemer uyt sijn sin
 
Dat hy met brabbeling maeckt vuyl sijn papier:
 
Soo vraeght hem weder meer noch min,
 
Wat sal hy doen? sal hy gaen te bier?
 
Wat leydt daer aen, als men moet rasen,
 
't Is soo goet in 't papier, als in de glasen.

Hij is gehuwd geweest, en de vader geworden van beroemde dochters. Maar hij was reeds 35 jaar, toen de echtknoop tussen hem en Aagjen Junsdochter van Campen gelegd werd.1)

 

Geboren in 1547, heeft Roemer Visscher al de stribbelingen meegemaakt, die z'n vaderland vóór, tijdens en na het Geus-worden beroerden. Veel er van is in de gedichten van iemand, die het druk met zich zelf had, natuurliker wijze niet te merken; schier 't enige is z'n ‘mop’ op de drie kruisen in 't wapen van Amsterdam; hij zou van kerkschenders en oproermakers, van gevallen van corruptie en rechtsverkrachting weten te vertellen; in één van z'n elegieën (‘Jammertjens’ genoemd) bestrijdt hij hetzelfde kwaad als waartegen Vondel in z'n ‘Roskam’ te keer gaat; doch zoveel te meer, doet het weinige dat hij aanroert, vermoeden, dat er veel te verzwijgen viel. Doch des te breder wordt, bij dit gebrek aan kerkelik-polietiek meeleven, ons een kijk op 't openbare burgerlik en 't intiemere stadsleven gegund. Reeds merkten we met een enkel woord op, dat hij bepaalde, en wel ondegelike, oud-Hollandse tiepen chargeert: pronkers en leeglopers, Waalse kaligheid en Brabantse courtoisie. Ook Medici en Juristen, praktisijns altans, komen er slecht af; de Miles gloriosus slaat hij de veren van z'n hoed. Buitenlanders, en die waren er destijds wat, kan hij niet uitstaan. In de strijd der partijen kiest hij geen partij; wel is hem hinderlik de strijd als bron van verdeeldheid en geweld. Doch steeds voelbaar is z'n vriendschap voor Spieghel, die hij gestadig met ‘Hendrick’ aanspreekt en met wie hij, in een soort ‘vraag- en antwoorden-spel’ ook te midden van z'n grofste ‘Quicken’, in een gemoedelik-vriendschappelik kontakt blijft.2)

 

De degelike, tans bezonken aard, van deze oud-vaderlander, wiens werkzaamheid op het gebied der ‘Twe-spraek’, - het scheppen van een Nederlandse Spraakleer op grond van waarneming en studie, - nog altijd op een diepergaand onderzoek wacht, toont zich vooral in

[p. 25]

de verstandelik-beredeneerde Emblemata. Ze zijn uiterst eenvoudig, van opvatting alle, van tekening altans de twee eerste series, en zijn even beknopt geargumenteerd. Daardoor, en door het ruimte getal (drie 60-tallen met een ‘Beslagh’ toe en een 10-tal Amatoria als extra bijslag) geven zij wederom een geheel stuk nationaal leven te aanschouwen. Zeker, enkele uit de dierenwereld gegrepene, onmiddellik of niet-onmiddellik ontleend aan reeds bestaande verzamelingen,1) dragen het merk van hun antieke afkomst (b.v. uit Phaedrus) in 't voorhoofd. Zo treffen we hier aan de ‘Phoenix’, ‘het hert aan de bron’; ‘de aap en de kat bij 't kastanjevuurtje’, ‘de ratteval’ met het beestje er vóór of er in, en ‘de schildpad’. Maar 't merendeel zijn in schepping en bewerking toch nationale elementen. Een handelshoofd (II, 22)2) en een runderwei (II, 23) wijzen u de weg aan, waarlangs de bewoners van deze landen aan hun welvaart komen; de boerestand mist wel de grote handelswinsten, maar kent evenmin de aan de vaart verbonden zorgen en risico; de voordelen komen bij de veehouder wel niet zo spoedig, maar ze zijn ook van meer blijvende aard. Overigens draagt elke nering z'n ere; aan de geleerden het peilen der wetenschap, aan de schepelingen die van de verborgen klippen der zeeën (I, 15). Zelfs 't geringe werk van modderbaggeren houdt winsten in (I, 51). Niets van wat er geleerd kan worden, of 't komt te pas; zie slechts de zwemmer, die z'n leven dankt aan z'n oefening (III, 25); zo ieder slechts zo voorzichtig is, z'n krachten te meten voor hij z'n taak aanvaardt (III, 47); aanpakken is ook hier de boodschap (III, 13); zonder de moeite van 't karnen laat geen melk de boter los (III, 10). Weet echter, dat geen werk gedijen kan zonder voorbereiding (III, 8); beproef eerst de pees, voor ge schiet (III, 15); evenwichtige vleugels eerst maken het pijlschot zeker (III, 31). Leer bouwen op eigen kracht; de eekhoorn richt, drijvend, zijn eigen koers (II, 15); de ongeoefende schipper, die, te water geraakt, zich op de luchtzakken verlaten moet (III, 19), aardt de hoveling, die, als een bedelaar, waaraan de krukken ontvallen (I, 17), bij de ontstentenis van de vorstelike

[p. 26]

genade, in de drek der ellende valt. Zie u dus zelf te bedruipen, al zij 't ook op water en brood; beter een vink geplukt dan stil gezeten (III, 5); alle negotie geeft wat, maar rusten roest (I, 22); 't leert bukken voor de stormen der tegenspoeden (II, 6; III, 27) en de tering zetten naar de nering (I, 38). Beperk nu evenzo tot het nodigste: voor de weelde kunt ge altijd nog later zorgen (I, 32); denk er om, dat voor de dans meer nodig is dan twee schoenen (I, 37); 't is een dwaas die z'n geld aan schelpen besteedt (I, 4; 5); want veel meer lof komt een molensteen toe dan een karbonkel (I, 18); zelfs een waardeloze ton is als baken een toevlucht voor allen (I, 31). Daarom is alle waarde betrekkelik: een kleine lamp geeft het licht, dat ons voor een struikeling over een groter lantaarn behoedt (I, 23); 't verachte zwijnshaar, schoont, als een borstel, het uitgezochtste laken (II, 46). Doch wat nooit in waarde vermindert, is de tijd; telt de uren (I, 44) en spaar uw kolen in de pot (III, 49); zo ge uw kous aantrekt, bezuinig door zekere langzaamheid de door drift te verspelen tijd (I 50); vlij met overleg uw voet in uw schoen (III, 33); schik u naar de omstandigheden, om ook het heden te dienen (I, 16). Doch bejaag nimmer wat te hoog voor u is; de struis moge zweten, opvliegen kan hij niet (II, 39); klein zeil voeren, doet 't langste varen (III, 7); doch 't hoogmoedig opgetuigd speeljacht kantelt (III, 4); genoeg toch is meer dan kronen en scepters (II, 7); wie jong hoveling wil zijn, is oud verschoveling (II, 59); de hoogste torenspitsen dreigen het eerst te vallen (III, 44); de eerzucht, die met de leeuw wil spelen (III, 6), bedenkt niet, dat 't slechts aan de leeuw ligt, te spelen, zolang het hem lief is (II, 24), en de meerdere zorgt wel buiten de regen te blijven (I, 54). Daarom vertrouw niet te veel; de hand tussen hamer en aambeeld te steken, wordt met verdrukking gestraft (II, 55); geef u niet aan de Fortuin, met haar wankelbaar voetstuk (III, 55). Maar wel, wees gij zelf vertrouwd; laat uw trouw de sleutel van uw plicht zijn (I, 56) en los eerst uw woord aan degeen die u 't ter goeder trouw gaf (I, 43). Wijk niet af van uw koers (II, 56); schuw de letterknecht, die u leert de Schrift averechts te lezen (III, 46); vlied de snoevende krijgsman (I, 47), die door z'n onrustig leven het hart van een haas zal krijgen (III, 29); wacht u voor pronkers; veel gevlag belooft weinig vis (III, 52), en volle vaten bommen niet (I, 33); niet hoe veel, geldt hier, maar hoe eêl (I, 21); wie speelt met raketten, vangt geen vis in z'n netten (I, 8); en waar geen deugd in is, zult ge niets oirbaars halen (III, 58). Mijd twistzoekers: 't is lichte eer, die lamme leden brengt (I, 7); ban vooral uit uw huis de tweedracht, en schuim het van ongerechtigheden (III, 50); leer

[p. 27]

uw kinderen de rechte weg, voor slinkse paden (II, 40); ontzie niet de grond hunner harten te keren; 't ploegijzer zuivert en maakt de bodem gereed voor 't zaad (I, 3); houd recht hun gedragslijn (I, 34) en standvastig hun wil (I, 29); zuiver hun harten (I, 19); geef voor de wind van goede lering voedsel aan de ingeschapen vonk der deugd (I, 2); God is overal, ook waar we hem niet zien (I, 1); zo zijn snoeimes hakt in uw hart, is 't niet om u pijn, maar de plant uws geloofs nieuwe kracht te geven (III, 41). Hij is 't kompas des levens (I, 6); straks dooft de levenslust (I, 24); de baan ligt voor ons, naar welks eind we ons allen spoeden (I, Besluyt); elk heeft z'n gestelde tijd (I, 24); laat dan het einde goed zijn (I, 60).

 

Zeker, grijs-geworden, rusteloze, ten slotte toch tot bezonken kalmte gekomen strijder, - Elck sijn Tijdt.

Voor ons snort, gedreven door de nooit rustende zweep, een draaiende tol; een ander ligt er naast, uitgeraasd....

't Is werkelik zo.

Men moet niet levendiger het leven van den mensche in 't grof af-beelden oft af-malen, dan met deze Sinnepop gedaan is; want elck heeft sijn tijdt in 't loopen, in 't woelen, in 't vergaren van rijkdommen, in 't regeeren van landen en luyden, in 't verwerven of bejagen van eere en glorie, soo wel in krijghsluchtige saken, als in geleertheydt ende konstige wercken. Als die loop dan uyt is, en de mensch gedreven wordt van den levendigen geest, soo verlaet hij het draeyen en woelen, of om beter te seggen, het draeyen verlaet hem, en hij scheyter uyt, laet de wereld staen, daerse staet, en kruypt onder een kleyn heuvelken swarte aerde, dan seydt men anders niet dan:

Fuit, non est plus.
 
Hy heefter geweest, en isser niet meer.1)
 
 
 
Waarom wenscht ghy om weder te stryen,
 
Dat ghy in de Werelt wilt zijn herboren?
 
Om te minnen, en druck te lyen?
 
Kondt ghy daer voordeel in besporen?
 
Seker my dunckt hy slacht de dooren,
 
Die tweemael een harde noot wil kraken,
 
En deur den wegh wil gaen daer hy te vooren,
 
Met nauwer noodt kost deur geraken.2)
[p. 28]

Hij mocht er trots op zijn, de worstelaar, al ging 't soms ook ‘te nauwernood’, de eindpaal van z'n weg te hebben bereikt.

Op de rozelaar, - een beeld van hèm, - van z'n liefde-leven waren de vergankelike knoppen en bloemen al lang weggevallen. De dorens der smarten zaten er nog, maar verborgen en beschaduwd onder nog glanzend groen.

J.K.

1)Minne-Poppen 2.
1)Tepel-wercken: Het Lof van een Blaeuwe Scheen.
2)Bl. Scheen, str. 21, 22.
3)Quicken II, 17.
4)V, 3.
5)V, 21.
6)VI, 17.
7)Verg. I, 1; 3; 7; 54; II 7; 31; 43; 59-61; III, 1; 7; 8; 33; 38; 53; 58; IV, 7; 15; 21; 23-25; 36; 40; 44; 58; V, 3; 26; 30; 38; 44; 47; 57; VI, 6; 17; 27; 32-34; 36; 41; 42; 44; 46; 50; VII, 3; 7-10; 12; 14; 16; 19; 21; 26; 42; 45. Het equivoque neemt toe. Verg. z'n ‘Quick’ VII, 1:
 
Als ghy krijght brabbelingh van mijn Musen soet,
 
Hendrick, soo seght ghy, byloo dat is seer goet,
 
Uw werck verbetert altijdt noch in 't lest:
 
Dat 's te seggen, oude Narren zijn de best.
8)VII, 42. Zie ook I, 12; IV, 23.
9)VII, 45.
10)VII, 8.
11)VI, 37.
12)V, 44.
1)V, 35.
2)V, 40.
3)V, 28.
4)V, 21; VI, 17.
5)II 7.
6)V, 32.
7)V, 37.
8)V, 50.
9)II, 14; V, 34.
10)III, 35.
11)IV, 10.
1)II 56,
2)II, 57.
3)III, 37.
4)II, 53, swinck = ‘gebaar’.
5)I, 53.
6)II, 7. Zie ook I, 36, 52: IV, 6.
7)I, 57; III, 53.
8)II, 30, III, 43. Verg. nog II, 9; V, 42; VI, 7.
9)VI, 47; 55; 59. Verg. nog V, 14; I, 47, 48; III, 5, 43.
1)I, 6.
2)IV, 4; II, 42.
3)II, 42.
4)Rommelsoo II, 31.
5)Quiken IV, 34.
6)Rommelsoo I, 60.
1)Tuyters, 22.
1)Tuyters, 4.
2)id. 11, dasery = ‘toestand van zinneloosheid’.
3)id. 14, onverbolgen = ‘in-verbolgen’.
1)Tuyter, 18.
2)II, 24.
3)
 
Roemer Visscher rust hier binnen,
 
Moe gespeelt met Hollandtsch jock,
 
Want hy quicken by de schock
 
Schreef, en Popte met de sinnen,
 
Siend' al 's wereldts wetenschap
 
Aen, voor vulsel van de kap.
1)Dr. Kalff. Gesch. der Ned. Letterk. IV, blz. 496.
2)Zie verder Dr. Kalff. Gesch. IV, blz. 498-500.
1)Zie Dr. A.G.C. de Vries. De Nederlandsche Emblemata. Amst. 1899. De prentjes zijn van Claes Jansz. Visscher. (Dr. Kalff. Gesch. ibid. 501).
2)De proza-bijschriften en de twee-regelige rijmpjes zijn, de een van Roemer Visscher, de andere van z'n dochter Anna. Daardoor ontstaan afwijkingen in de verklaringen of leringen. Roemer, de koopman, verkondigt: hier moet je wezen, om voorspoed te zien. Anna waarschuwt in rijm: waar blijft, bij dit bejagen van rijkdom, 't genot van de rust? - Dit laatste was kenmerkende Renaissance-‘cant’. - Zie vooral de sterke afwijking tussen de nuchtere vader en de moraliserende dochter bij I, 6. (Sans autre guide)
1)Anna's bijschrift luidt:
Vol arbeydt is ons tijdt, noch wenscht men, ja elck lust
Dit dwarligh drayen dol, voor stillen sachte rust.
2)Quiken, VII, 37.
prepostterug  begin  verder