gepubliceerd op 6 september 2017
Dames in Data: Maartje Draak – 1955

In mei 2018 herdenkt de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde dat 125 jaar geleden vrouwen werden toegelaten tot de Maatschappij. Al eerder waren er ereleden benoemd, zoals Geertruida Bosboom Toussaint in 1870, maar in 1893 werden de eerste dertien talentvolle vrouwen ‘gewoon lid’. Om de paar weken kunt u op deze website een blog verwachten over memorabele momenten in de literaire vrouwengeschiedenis. Vijfentwintig talentvolle vrouwen met een belangwekkende inbreng in de letterkunde, taalkunde of geschiedenis krijgen zo een digitaal monument. Deze keer Clara Strijbosch over Maartje Draak:

 

Een Draak als schatbewaker

1955: Maartje Draak wordt als eerste vrouw lid van de KNAW in de Afdeling Letterkunde.

 

door Clara Strijbosch

 

‘Er schijnt toch wel iets te schuilen in ‘nomen est omen’, want ik ben er van overtuigd dat mijn levensloop anders geweest zou zijn als ik ‘Van Doesburg’ of ‘Muller’ geheten had’. Dit zei Maartje Draak bij haar voordracht ‘De levensloop van een Draak’ die zij hield op het symposium in de KNAW dat haar leerlingen hadden georganiseerd ter gelegenheid van haar tachtigste verjaardag. Deze uitspraak is typerend voor haar gave haar kennis op een aansprekende manier onder de aandacht te brengen en voor haar heilig geloof in de kracht van woorden. Zij beschouwde zichzelf als een draak, niet in de betekenis van vuurspuwend serpent, maar van schatbewaker en brenger van vruchtbaarheid.

 

Draak

De loopbaan van Amalia Maartje Elisabeth Draak (1907-1995) begon onder een slecht gesternte. De massale werkloosheid in de crisisjaren hield haar na haar afstuderen zes jaar gevangen in financiële afhankelijkheid, totdat zij in 1939 een baan als lerares wist te veroveren. Door de ontijdige dood van haar twee voorgangers die de keltologie in Nederland een plaats binnen de wetenschappelijke instituties hadden gegeven, haar leermeester Anton Gerard van Hamel en keltoloog en verzetsstrijder Theodor Chotzen, rustte na de Tweede Wereldoorlog op haar schouders de taak de wetenschappelijke studie naar het Keltisch levend te houden. Ze heeft die taak glansrijk vervuld: de lectoraten Keltische Taal- en Letterkunde die zij in Amsterdam en Utrecht na 1949 vervulde, werden in 1955 respectievelijk 1957 omgezet in buitengewoon hoogleraarschappen.

 

Maartje Draak was een wetenschapper die haar inzichten met een groot publiek wist te delen en zich niet liet imponeren door moeilijkdoenerij. “Loze pretenties en vertoon van gewichtigheid placht zij af te straffen met een uitbundig gegiechel.” Ze verbond een glashelder inzicht in gecompliceerde vraagstukken met een enorme kennis van vertelkunst en een aanstekelijke schrijfstijl. Haar scherpe oordeel werd gevreesd en bewonderd. Maartje Draak probeerde in de echoput van oude Keltische teksten te horen wat er nog kon worden opgevangen uit de door haar als ‘wild’ gekenschetste Europese voortijd.

 

Niet over het hoofd gezien

In 1955 werd zij als eerste vrouw benoemd tot gewoon lid van de Afdeling Letterkunde van de KNAW, een benoeming die een hoogtepunt in haar leven is geweest. Tot op hoge leeftijd woonde ze de vergaderingen van de beide Afdelingen van de KNAW bij en ze mengde zich ook regelmatig in debatten van de afdeling Natuurwetenschappen. Ze was lid en voorzitter van de Volkskunde-commissie, die wetenschappelijke sturing gaf aan het Volksbureau (het latere Meertens Instituut). Binnen die instituties nam ze een heel eigen plaats in, zoals Voskuil duidelijk maakt in zijn typering van haar als ‘Kaatje Kater’ in zijn romancyclus Het bureau.

 

Draak2

De vertegenwoordiging van vrouwen aan de Akademie van Wetenschappen was in de twintigste eeuw minimaal. In de periode 1902 tot 1946 werden twee vrouwen benoemd (beiden in de afdeling Natuurkunde) tegenover vierhonderdelf mannen, van 1946 tot 1976 waren het er vijftien (naast vijfhonderdachttien mannen) – onder wie Maartje Draak. Nog in 2007 bedroeg het vrouwelijk aandeel in de KNAW in totaal een weinig verheffende 2,35%. Feministische uitspraken zijn van Maartje Draak niet bekend, maar verschillende getuigen melden dat zij zich zeer geïrriteerd uitliet over haar omringende heren die het hadden over ‘collega X’, maar haar bleven aanspreken als ‘mejuffrouw Draak’. Ze heeft zich in al dat verbaal geweld niet onder het tapijt laten vegen. Met haar persoonlijkheid en werk heeft Maartje Draak ervoor gezorgd dat zíj niet meer over het hoofd werd gezien.

 

Verder lezen

Over Maartje Draak en haar werk zie in de eerste plaats W.P. Gerritsen, ‘Levensbericht A.M.E. Draak’, in: Levensberichten en herdenkingen 1998, pp. 25-34; uit deze publicatie is ook het citaat ‘Loze pretenties […]’ afkomstig (p. 33); Draaks lezing ‘De levensloop van een Draak’ is afgedrukt in Monniken, ridders en zeevaarders. Opstellen over vroeg-middeleeuwse Ierse cultuur en Middelnederlandse letterkunde aangeboden aan Maartje Draak. Red. D.R. Edel, W.P. Gerritsen en K. Veelenturf. Amsterdam, 1988, pp. 155-67 (de uitspraak over haar naam hier op p. 155). Cijfers over benoemde leden van de KNAW zijn ontleend aan  D.J. van de Kaa en Y. de Roo, De leden van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. Een demografisch perspectief: 1808 tot 2008. Amsterdam, 2008. Clara Strijbosch schreef in 2013 in Nieuw Letterkundig Magazijn over Maartje Draak: Dat moet u dan maar doen!