Dr. Feike Dietz is universitair docent en onderzoeker bij de afdeling Vroegmoderne Nederlandse letterkunde van het departement Talen, Literatuur en Communicatie van de Universiteit Utrecht. Vanaf september 2016 geeft zij leiding aan het onderzoeksproject ‘Language Dynamics in the Dutch Golden Age’. Daarnaast werkt zij aan een project over de training en verbeelding van geletterdheid in vroegmoderne jeugdboeken.
de columns van Feike Dietz:
recente columns:
gepubliceerd op 6 januari 2017
Wolken van tabak

In de bachelorcursus Literaire Instituties, onderdeel van de Utrechtse neerlandistiekopleiding, maken studenten kennis met de institutionele contexten waarin literatuur functioneert, en denken zij na over institutionele veranderingen én continuïteiten vanaf de Middeleeuwen tot vandaag. Net voor de kerstvakantie lazen ze een gedicht waarin Bilderdijk zich kritisch uitlaat over het negentiende-eeuwse genootschapsleven. In Lofredenen (1827) schetst hij een vrij clichématig beeld van genootschapsleden die zich drukker maken om hun inwendige genot dan om de intellectuele diepgang van hun samenzijn: de een rookt ‘zijn pijpjen steeds met deftigheid’, de ander ‘leegt zijn fles’. Voor sommigen zijn de bijeenkomsten zelfs momenten om bij te slapen: ‘Een derde sluit het oog en slaapt genoeglijk door, / En prijst den redenaar zoo goed als op ’t gehoor.’ En of leden nu slapen of drinken of werkelijk hard werken, zo schrijft Bilderdijk: uiteindelijke krijgen ze allemaal ‘de zelfde renten’, namelijk een lofdicht na de dood. Die lofredes vormen de olie waarop de genootschapsmotor draait. ‘Genootschap, schaf toch nooit die Lijkmis-redens af!’ roept hij uit: ‘Zy vullen menig uur: ja meer! zy vullen boeken’. Op ironische toon zet Bilderdijk uiteen welke nutteloze wetenswaardigheden er wel niet allemaal in zo’n lofrede worden opgetekend: waar de school van de overledene had gestaan, welke drank hij het liefst nuttigde, welke parafernalia hij had verzameld, en welke boeken hij had weten door te bladeren.

 

Ook , of ’t op zolder was of in een keldergat,
Waarin hy ’t ongestoordst en ’t liefst te mijmren zat;
En of zich, in bergère of leuningstoel gezeten,
Zijn schrijf- of teekenpen met meer voldoening kweten.
In ’t eind, of ’t buikloop of verstopping was, waarmeê
Vrouw Atropos [=schrikgodin] op ’t lest zijn levensdraad doorsneê

 

Zo berust ieder genootschapslid in de wetenschap dat hij elke bijeenkomst in slaap wordt gesust door nieuwe verhalen, en dat hij zelf na zijn dood ‘ten hemel’ gaat in ‘wolken van tabak’; ‘in de mist van ’t breidbedwelmend kruid’. Met dit betekenisvolle beeld legt Bilderdijk niet alleen de nadruk op de eindeloze cyclus van bijeenkomsten vol pijprokende luie leden, maar schildert hij ook de genootschapstraditie af als een nevelig rookgordijn. Sommige leden worden zelfs vereerd met een marmeren beeldje, maar zelfs duurzaam marmer is in feite rook: kinderen zullen hun ouders gaan vragen ‘Wat toch dat ding daar doet, en wien het voor moet stellen’. Bilderdijk eindigt met de wens om zelf zónder lofredes en eerbetoon te mogen sterven.

Vormt de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde het verzwegen doelwit van Bilderdijks kritiek? Hij lijkt zijn genootschapskritiek eerder te veralgemeniseren, maar de geschetste praktijk van lofredes op overleden leden was wel kenmerkend voor de MdNL. Hoe dan ook: de MdNL nam Bilderdijks wens niet ter harte, want zij bood de schrijver in 1831 een erepenning aan, en bij zijn overlijden kort daarna een lofrede. Afgelopen jaar is Bilderdijk opnieuw geëerd, ditmaal – hoe kan het anders – in de vorm van een duurzaam beeldje.

Studenten uit de cursus Literaire Instituties lazen Bilderdijks Lofredenen als reflectie op een genootschapscultuur uit een ver verleden. Maar de MdNL bestaat nog steeds. Het jaar 2016 stond in het teken van het 250-jubileum van de vereniging. Het was een jaar vol herinneringen aan een lange en rijke geschiedenis, onder meer opgetekend in het mooie boek Al die onbekende beroemdheden. Het is een jaar geweest waarin lange tradities werden gekoesterd, maar dat ook uitnodigde tot de vraag hoe tradities toekomstbestendig gehouden kunnen worden.

Als Bilderdijk nu had geleefd, had hij zijn tekst wellicht gepubliceerd op de MdNL-website. Sommige leden hadden misschien hun schouders opgehaald en nog een pijp opgestoken. Anderen zouden druk zijn gaan twitteren of Facebooken, misschien wel boos en geïrriteerd omdat het heus allemaal wel meeviel. Een enkeling zou zich voornemen actief aan de volgende Maatschappij-activiteit deel te nemen. En anderen zouden aan het denken gezet worden: hoe zorgen we ervoor dat leden zich werkelijk betrokken voelen bij de gemeenschap en niet in slaap sussen? Wat vinden we eigenlijk van de levensberichten die dikke boeken vullen? Bilderdijk schuurt en daagt uit – en zet zo aan tot discussie. Via discussies kunnen tradities voortleven en ambities voor de toekomst ontstaan. Ik kijk ernaar uit.