Liesje Schreuders (Amsterdam, 1979) studeerde cum laude af in de literatuurwetenschap met een doctoraalscriptie over de representatie van het Italiaanse karakter in het werk van Louis Couperus en Henry James. Ze vervolgde haar studie in Rome. Voorts voltooide ze een master culturele antropologie en sociologie der niet-westerse samenlevingen met een scriptie over de cultuur van de Vijftigers. Ze publiceerde twee romans en verschillende korte verhalen. Tot 2013 was ze hoofdredacteur van Arabesken, het tijdschrift van het Louis Couperus Genootschap. Ze doceert Nederlands als tweede taal en literatuurgeschiedenis in Amsterdam.
de columns van Liesje Schreuders:
recente columns:
gepubliceerd op 18 juni 2017
Vork en zwaard

Op Youtube staat een filmpje waarin de Duitse schrijver Per Leo De donkere kamer van Damokles van Hermans aanprijst. Zijn aanprijzingen betreffen het gebrek aan een duidelijke moraal in dit ‘famous piece of Dutch literature’: ‘You can’t really tell the good from the evil.’

Leo vindt dat de verwarring die het boek bij de lezer teweegbrengt de oorlogstijd beter tot zijn recht doet komen, dan een morele aanpak had kunnen doen (‘... probably a much more appropriate way to talk about these times’).

Leo is behalve romanschrijver ook historicus, gepromoveerd en onderscheiden met de Humboldt-prijs voor zijn werk op het gebied van Joodse Studies en Antisemitisme. Zo iemand zal het wel weten, denk je dan, wat de appropriate way is to talk about these times.

Maar De donkere kamer van Damokles gaat helemaal niet over het (wel of niet) verwarrende verschil tussen goed en kwaad in de oorlog. De roman laat ook zeker niet in het midden of er in de oorlog sprake was van goed en kwaad. De roman gaat over het grimmige lot van iemand die zijn onschuld (namelijk zijn niet-fout-zijn in de oorlog) niet kan bewijzen.

 Had Leo nu maar Onder professoren gelezen. Hierin wordt al op de eerste pagina’s een morele kwestie aangekaart, namelijk ‘het verschrikkelijke probleem (...) of men moest dulden dat het Nederlandse volk in twee soorten mensen [wordt] gescheiden’.

Dokter Barend vertelt in zijn ‘eerste dagboekfragment’ hoe hij ‘aan het begin van het jaar 1941’ aarzelde of hij zichzelf als jood moest melden bij de nazi’s. Barend zet het een en ander uiteen. ‘Wie was een jood? Iemand die het joodse geloof was toegedaan? Geenszins hij alleen. Wie dan nog meer? Iemand met vier joodse grootouders. Wat waren joodse grootouders?’ Etcetera.

Als Barend dan toch, tandenknarsend als het ware, op weg gaat naar het Bevolkingsregister, komt hij hoofdpersoon Dingelam tegen, met wie hij op de middelbare school heeft gezeten. Vanwege zijn betere prestaties op school was Barend altijd jaloers op Dingelam. Dingelam raadt hem nu aan zich vooral niet te melden.

Waarom doet Dingelam dat? Als we Barend moeten geloven, niet uit morele goedheid, maar uit ‘onverschilligheid’ voor ‘het verschrikkelijke probleem’ dat immers zijn, Dingelams, probleem niet is.

Als we Barend moeten geloven... maar Barend heeft helemaal geen gelijk. Het is voor de lezer wel duidelijk dat Dingelam hier een goed advies heeft gegeven – in morele zin. Hij heeft met zijn advies misschien niet meteen Barends leven gered, maar hem toch op zijn minst op het spoor van die redding gezet. ‘Ik gaf me niet aan als jood,’ schrijft Barend.

Met andere woorden: hoe Hermans hier zijn best ook doet om een moreel goede zaak ambivalent te laten lijken, kan je uit dit verband toch opmaken dat de schrijver precies weet waar hij het over heeft. Je moet er alleen wat moeite voor doen.

Hetzelfde geldt, volgens mij, voor De donkere kamer van Damokles. Er zijn nog steeds lezers (bijvoorbeeld Coen Peppelenbos op de website Tzum, of de Stichting Nederland Leest) die de visie van personages van Hermans’ roman (tante Fientje, de psychiater, de Nederlandse inspecteur Selderhorst) delen, volgens welke Osewoudt gek is of een verrader of allebei.

Zo’n visie, zoals inmiddels afdoende aangetoond door andere lezers (René Marres bij uitstek), is onjuist. Osewoudt mag dan geen held zijn geweest, hij mag misschien niet het sympathiekste van alle romanpersonages allertijden zijn, hij stond wel aan de goede kant, namelijk aan de kant van het verzet.

Gek was hij ook niet: Dorbeck, zijn opdrachtgever, bestond of heeft bestaan. Hermans heeft het zelf talloze malen gezegd en de lezer hoeft er ook niet aan te twijfelen, als hij of zij dat niet per se wil. Het valt alleen aan het eind niet (meer) te bewijzen – tegenover de overige romanpersonages, door wie Osewoudt wordt verdrukt.

Het is waar dat De donkere kamer van Damokles een verwarrend, misschien zelfs ‘disturbing’ boek is, zoals Leo stelt. Het is realistisch geschreven, maar de gebeurtenissen volgen elkaar razendsnel op en niet alle gebeurtenissen zijn even helder of navolgbaar (over de onnavolgbaarheid van sommige gebeurtenissen in De donkere kamer heeft Tonnus Oosterhoff een mooi essay geschreven).

Het effect van deze mate van onnavolgbaarheid op de lezer kan zijn, dat ‘de werkelijkheid’ van de roman als ‘ondoorgrondelijk’ wordt ervaren, of op zijn  minst als ‘ongrijpbaar’ (of, zoals in het geval van Oosterhoff, als ongeloofwaardig). ‘Onkenbaar’ is ze zeker niet. Het realistisch procédé, dat de lezer verplicht de verteller voor de duur van de roman te geloven, sluit zulke fundamentele onkenbaarheid volgens mij ook uit: in elk geval de verteller ‘kent’ de ‘werkelijkheid’, anders zou hij haar niet kunnen vertellen.

Aan het eind van de roman is er bovendien ten minste één personage dat ook weet hoe de vork in de steel zit, omdat hij alles wat er verteld is, heeft waargenomen (Osewoudt zelf). Als verteller en hoofdpersoon het al weten, weet de schrijver het helemaal, kun je veronderstellen.

Osewoudt sterft zonder dat hij wordt geloofd. Ook dat is helemaal volgens de bedoeling van de schrijver. In 1988 vertelde Hermans in een interview: ‘Toen [in 1940] heb ik wel eens gedacht: Ik zou eigenlijk een detective-roman moeten schrijven, waarin dus de speurder het probleem bijna heeft opgelost, maar, net voordat hij zijn mond opendoet [...] wordt hij door de moordenaar of door een handlanger van de moordenaar vermoord, en daalt ten grave met het geheim. Dat heb ik toen al gedacht.’

Met andere woorden: er is een probleem (Dorbecks bestaan en Osewoudts goede trouw worden ontkend); de speurder (Osewoudt) heeft het probleem bijna opgelost (hij heeft zelfs fotografisch bewijs!) maar hij kan het bewijs niet leveren, onder andere omdat hij door degenen die hem moeten beoordelen, hardhandig wordt tegengewerkt (hij wordt bijvoorbeeld vermoord).

Als er iemand wordt verraden, is het dus Osewoudt. Dat is een deel van de betekenis van de roman, geen betekenisloze vraag waar je het antwoord niet op kan of hoort te weten.

Misschien voelt ook de lezer die op een goede afloop, een bevredigende ontknoping, een triomf van het goede hoopte, zich verraden. Dat is goed mogelijk! ‘Verraad’ impliceert een waarheid die geweld aan wordt gedaan. Wat die waarheid is, dient men dan in principe wel te (moeten kunnen) weten.

Het kwaad heeft gewonnen – als we Hermans moeten geloven – in mei 1940. Als er nu mensen zijn, historici, die Hermans in het kamp scharen dat om het hardst roept: ‘De oorlog was grijs’, wat hetzelfde is als zeggen ‘er was geen verschil tussen goed en kwaad in de oorlog’ of ‘het deed er niet zo veel toe’ – dan zou je hem toch bijna gelijk geven.