Dr. mr. Robert Verhoogt is kunsthistoricus en jurist en publiceerde onder meer over kunstreproductie, negentiende-eeuwse prent- en kunsthandel, de geschiedenis van het auteursrecht en Vincent van Gogh. Hij promoveerde in 2004 aan de Universiteit van Amsterdam op het proefschrift 'Art in Reproduction. Nineteenth-Century Prints after Lawrence Alma-Tadema, Jozef Israëls and Ary Scheffer' (Amsterdam University Press, 2007). Recent publiceerde hij 'De wereld vanuit een luchtballon. Een nieuw perspectief op de negentiende eeuw' (AUP 2013). Daarnaast is hij senior beleidsadviseur in de Directie Erfgoed & Kunsten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Hij is bestuurslid van de Werkgroep Negentiende Eeuw van de MdNL.
de columns van Robert Verhoogt:
recente columns:
gepubliceerd op 18 juli 2016
Met eigen ogen

Op 2 juli stond het publiek stond massaal in de rij om Rembrandts fraaie portretten van Oopjen en Marten met eigen ogen te bekijken in het Rijksmuseum. De verwerving van deze twee schilderijen heeft velen bezig gehouden in de afgelopen tijd, in het Rijksmuseum en het Louvre, in Nederland en Frankrijk. De aankoop wordt nog interessanter in het licht van de lange geschiedenis van het Louvre, het Rijksmuseum en de verering van Rembrandt als onze nationale kunstenaar.

Het was tijdens de chaos van de Franse Revolutie dat men in Frankrijk besloot om het Louvre te hervormen tot een museum voor alle burgers van de nieuwe staat. Geïnspireerd op dit Franse voorbeeld werd ook in Nederland een nationaal museum opgericht aan einde van de achttiende eeuw, de Nationale Konstgallerij, geopend in Paleis Huis ten Bosch. Niet lang daarna verhuisde het naar het Paleis op de Dam en vervolgens naar het Trippenhuis in 1817.

De Fransen waren inmiddels vertrokken, maar wie waren we eigenlijk zelf? Al snel ontspon zich een levendig debat over de nationale identiteit in de wetenschap, de kunsten en de politiek. Een belangrijk element van deze discussie was de vraag naar onze nationale kunstenaar. Geïnspireerd door de verering van Dürer door de oosterburen, van Rubens door de zuiderburen ontstond in Nederland een ware Rembrandtcultus. De beeldhouwer Royer zette de oude meester op een voetstuk dat feestelijk werd onthuld op de Botermarkt in Amsterdam in 1852. De bewondering voor Rembrandt als nationale kunstenaar was begrijpelijk, maar niet vanzelfsprekend. Het waren vooral de Franse kunstkenners Theophile Thoré-Bürger, Charles Blanc en Eugène Fromentin die het beeld van Rembrandt en zijn werk hebben bepaald. Ondertussen nam de Rembrandtverering steeds grotere vormen aan. Niet lang na de onthulling van Royers standbeeld voor Rembrandt werd ook de Botermarkt omgedoopt tot Rembrandtplein in 1876. Nederland werd, in de woorden van Conrad Busken-Huet, het land van Rembrandt.

In 1878 werden Rembrandts portretten van Oopjen en Marten door de familie van Loon verkocht aan de Rothschild familie. Het veroorzaakte destijds al veel commotie: hoe was het toch mogelijk dat dergelijk waardevol Nederlands cultuurgoed zo maar naar het buitenland verdween? Eerder had Victor de Stuers dezelfde vraag al gesteld in ‘Holland op zijn smalst’ in De Gids in 1873. Maar ondertussen werden vele oude meesters met collecties tegelijk verkocht naar rijke verzamelaars in Engeland, Frankrijk en de Verenigde Staten. De Nederlandse overheid zag het met lede ogen aan. Het waren verzamelaars, liefhebbers en andere particulieren die zich actief inzetten voor het behoud van het Nederlands cultuurbezit en zich organiseerden in de vereniging Rembrandt (1883). De naam Rembrandt stond inmiddels synoniem voor het Nederlands cultuurbezit in het algemeen.

Toen in 1885 het nieuwe Rijksmuseum de deuren openden stond ook hier het werk van Rembrandt centraal met De Nachtwacht als het hoofdaltaar in deze nieuwe nationale kathedraal voor kunst en geschiedenis. Illustratief voor de nationale status van Rembrandt is ook de grote Rembrandttentoonstelling ter gelegenheid van de inhuldiging van Koningin Wilhelmina in 1898. Het Rembrandt jaar 1906 werd eveneens groots gevierd en het Rembrandthuis tot museum verklaard.

In de loop van de twintigste eeuw volgden de grote Rembrandttentoonstellingen elkaar op, met zelfs in de Tweede Wereldoorlog een door de bezetter ingestelde nationale feestdag: de Rembrandtdag op 15 juli, de geboortedag van de schilder. Tijdens de wederopbouw na de oorlog was er in 1956 weer een grote Rembrandttentoonstelling. Bij hoge uitzondering waren nu ook Marten en Oopjen in Amsterdam te bewonderen.

Niet veel later kwam het 200 jarig bestaan van het Musée du Louvre in zicht en besloot president Mitterand tot een grootschalige verbouwing. Destijds vormde de stichting van het Musée du Louvre de inspiratiebron voor het Rijksmuseum, de verbouwing van het Louvre was dat ook. Het interieur en de kleuren op de wanden in het Rijksmuseum zijn zelfs rechtstreeks geïnspireerd op de kleuren van het Franse voorbeeld. De verbouwing werd uiteindelijk afgerond door het aanbrengen van het laatste puzzelstukje: het terugplaatsen van Rembrandts Nachtwacht in het Rijksmuseum.

Het Louvre, het Rijksmuseum, Frankrijk en Nederland, en Rembrandt hebben een bijzondere gedeelde geschiedenis van meer dan 200 jaar. De gezamenlijke aankoop door Nederland en Frankrijk is een interessante illustratie daarvan. Het idee van een gezamenlijke aankoop door Nederland en Frankrijk is bekendgemaakt in een gezamenlijke brief van Minister Bussemaker en haar Franse collega Pellerin. De brief is gedateerd op 14 juli: de dag waarop in Frankrijk de Franse Revolutie wordt herdacht die de inspiratie vormde voor de stichting van het Louvre, die op haar beurt weer de inspiratie vormde voor de stichting van ons nationale museum. De brief van 14 juli verscheen in 2015, het jaar waarin we het 200 jarig bestaan van een onafhankelijk Koninkrijk der Nederlanden hebben gevierd. Daarvoor waren we bezet gebied, bezet door de Fransen. Wat is er nu mooier dan 200 jaar onafhankelijkheid te vieren door een gezamenlijke aankoop van een huwelijksportret van Rembrandt, samen met onze voormalige bezetter? Reden genoeg om ze met eigen ogen te gaan bekijken, in het Rijksmuseum of in het Louvre.