Barber van de Pol (1947) is bekend als vertaalster van onder andere Jorge Luis Borges, Julio Cortázar en Cervantes' 'Don Quichot'. Voor haar vertaling van Julio Cortázars 'Rayuela' (en voor de vertaling van de Zuid-Amerikaanse literatuur) ontving ze de Martinus Nijhoffprijs. Ook schrijft ze kinderboeken, romans, essays en columns. Haar meest recente roman is 'Hemelse dieren' (2017).
recente columns:
gepubliceerd op 27 december 2017
Aangeharkte geschiedenis

Het aantal liefhebbers van begraafplaatsen moet enorm zijn, maar een sekte vormen we niet. Je weet het niet eens van elkaar wanneer je gaat, het gebeurt vanuit een drang die niets te maken heeft met een goede tip of ietwat luguber toerisme. Voor de kick ga je ook niet. Wat zoek je er dan? ‘Hier ligt Poot, hij is dood’ dekt eigenlijk alles, maar ja.

Onlangs in Parijs moest ik weer eens langs bij Julio Cortázar. Hij ligt sinds 1984 op Montparnasse. ‘Padre Cronopio, er is zonder jou niet veel aan’, stond de vorige keer op zo’n briefje onder een steentje, ik memoreerde het eerder in een column in de Volkskrant, maar steentjes met briefjes of andere handreikingen over het graf heen zag ik deze keer niet. Of we dat soort dingen niet meer wilden doen, was het verzoek op een plaquette.

De platte steen zag er inderdaad gehavend, nee gebruikt uit, wat hij vast niet erg had gevonden. Het enige volmaakte is dood, daar hoeft het leven geen voorbeeld aan te nemen. Ik heb mijn boodschap stiekem in de voegen van het stutsel gestoken.

In de winterzon kwamen bevroren emoties los. Er brak iets: moordende heimwee, kortstondige radeloosheid. Ik voelde me zo verschrikkelijk levend, wat op de keper beschouwd zo logisch niet is. In het oog van de dood wordt alles obsceen.

Wat meespeelde is dat Cortázars eerste vrouw, die zo trouw zijn nalatenschap beheerde, daar nu ook ligt, net als Carol Dunlop. In zijn in memoriam beschreef Vargas Llosa liefdevol wat een mooi en vrolijk stel dat was, ooit.

Meestal ga ik naar de algemene begraafplaats in Rhenen, waar mijn ouders liggen. De gang daarheen is een ritueel, dat ik goed aankan. Dode ouders zijn een hiërarchisch gegeven en vormen de logische consequentie van onze natuurlijke cyclus, maar dat zijn lelijke woorden. Ze worden voor gek gezet bij het eerste spoortje onschuldige levenslust, zoals gebeurde toen een kleindochter, net het lezen machtig, de naam van haar overgrootmoeder op de zerk zag staan en riep: ‘Huh?’ Ze dragen dezelfde naam, het was een wonder in haar ogen. Na de uitleg fronste ze. Er kwam een eerste scheurtje in het ongeproblematiseerde aanzien van haar heden.

Ook naar Zorgvlied ga ik vaak. Het is om de hoek, het is er één en al geschiedenis in aangeharkte vorm, er horen al tientallen vrienden en goede bekenden tot de begravenen daar. Het is er goed toeven tussen de gestolde tekenen van de tijd. Je kunt er in een zelfgecreëerde tijdloosheid met de anderen verkeren.

Was het een kwestie van ‘we gaan naar buiten, waar de vogeltjes fluiten’, dan zou ik ook vaker naar Leersum, niet ver van Rhenen, gaan. Daar vind je een idyllische dodenakker, in een heuvelachtig bos vol kronkels en doorkijkjes. Ik heb de plek in mijn laatste roman opgevoerd, Jet ligt er, maar dat is fictie. In de werkelijkheid heb ik er geen eigen doden. Mijn oudste broer woonde ooit op 100 meter, wat me alsnog een beetje zenuwachtig maakt, maar hij is inmiddels verhuisd.

Een eigen dode zet zo’n bezoek op scherp, het vrijblijvende is eraf, maar eerlijk gezegd is het geen voorwaarde. Iedere getuigenis van natuurlijke afsterving kalmeert mij. Ooit zal niets meer hoeven, het lijkt wel vrede. Ik ben geen lente-mens, mijn hart bonkt bij de gelatenheid van de herfst. Op een begraafplaats neig je tot de koeienwaarheid ‘het is zoals het is’.

Er zijn zoveel mooiste begraafplaatsen. Zie het Joodse in Praag. Zie die in havensteden waar je, soms met zicht op de zee, de epidemieën en rampen van de stenen leest. Je wordt haast een rampentoerist, maar oorlogsgraven bezoek ik alleen uit plichtmatigheid, misselijk van het weggemaaide jongemannenvlees. In het smerigste liedje dat ik ken liggen gesneuvelde soldaten op de Grebbeberg (Rhenen) onder de grond gelukkig te wezen omdat ze het vaderland zo goed hebben gediend.

Sommige ouderen snakken naar de dood, dat zeggen ze tenminste. Borges’ poëzie is van dat verlangen doordrenkt, hij wil verdwijnen, wat bij hem gepaard gaat met het schuldgevoel niet gelukkig te zijn geweest. Daartegenover staat Elias Canetti, die o zo graag het levenselixir had uitgevonden.

Persoonlijk denk ik niet verder dan 100, wel in het opwindende besef dat ‘ze’ van de wetenschap al ver zijn met het oprekken van het onvermijdelijke einde. Wie weet! Want een liefhebber van zelf afsterven ben ik inconsequent als een mens kan zijn niet. Wie de herfst aanbidt, kan de ouderdom aan, zoiets is het. Ik zeg als een kip zonder kop ja tegen het gedoe dat nog wacht, maar bespaar me details en voorspellingen.

Op Zorgvlied ligt Hans Faverey, die een ‘Reeks tegen de dood’ schreef, wat al veel zegt. Ook het mooiste anti-dood gedicht dat ik ken staat op zijn naam. Het komt uit zijn late bundel Het ontbrokene, uit de reeks ‘Een gieter’. Het is titelloos.

 

Nauwelijks mindert de trein vaart,

of daar is hij: zo’n zelfde man.

 

Hij staat nu naast zijn huis;

een gieter aan de hand, zijn ogen

gericht op de grond.

 

De grond om hem heen is vochtig;

zijn verlangen is leeg en heen. Wat hij

niet wil weten, onder geen voorwaarde,

is: waar en wanneer hij zal worden

terugverlangd en opgeëist door

de grond om hem heen.

 

Hoe beter je dit leest, hoe gruwelijker het wordt. Het is het noodlot zelf dat je er aantreft, het gedicht is een memento mori, de weerstrevende of afwerende houding van de ‘hij’ ten spijt.

Ik heb het uit m’n hoofd geleerd. Ben je de dood toch nog te slim af. Iemand bestaat immers zolang hij wordt onthouden, maar wacht, comfortabele gevoelens zijn hier misplaatst. Faverey, die leverkanker had, heeft zijn einde wel degelijk ‘geweten’. Hij was 56 toen hij de gieter moest laten staan. Mijn lectuur is gewoon een postume vorm van liefde van de daken schreeuwen, voor de mens Faverey én de dichter Faverey. Hoe haal je iemand die je hebt gekend uit elkaar?

Er was die keer dat ik hem na jaren weer eens wou bezoeken maar hem niet kon vinden. Het beeld met de lage rechthoekige steen en de honderden blauwe molenwiekjes van de maagdenpalm, zoals het in mijn geheugen gegrift zit, dook nergens op. Verward ben ik afgedropen, het akelige werkwoord ‘ruimen’ drong zich op. Maar onlangs, met plattegrond, lukte het vinden wel. Zijn graf (C 1–331) is er nog hoor, mét de woekerende maagdenpalm, tijdelijk seizoenshalve zonder bloempjes. Doeschka Meijsing ligt inmiddels vlakbij, Vasalis was al langer een buurvrouw.

Gisteren naar Laren gereden om voor het eerst het graf (E 9) van Carry van Bruggen aan de Hilversumseweg te bezoeken. Ze is er wel en niet. In de geest heb ik haar allang ontmoet. Ik zal mij de komende jaren intensief met haar bezighouden en zoek een houding. Ze was er ellendig aan toe toen ze op 51-jarige leeftijd voor de dood koos.

De sneeuw knerpte onder m’n laarzen. Verleden, heden en toekomst vervloeiden. Eeuwigheid is een mooi woord en ook de mooiste illusie die een begraafplaats een bijgelovige ongelovige kan bieden. Met geluk heeft dat niet veel te maken.

Bij Carry van Bruggen wisselden levensdrift en doodsverlangen stuivertje. Een sensitiever én intenser denkend mens is moeilijk voorstelbaar. Ze heeft die tweedeling in haar beste werk opgeheven. Lees Eva, een adembenemende modernistische roman en erg actueel, wat geldt voor het hele oeuvre.

Laten we onze schrijversgraven in ere houden! Misschien ligt daar ook een taak voor de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Zo uitbundig als de doden elders geëerd worden, hoeft niet, dat gaat niet lukken in een kikkerlandje. Toch denk ik aan dat oude vrouwtje dat in Santiago de Chile gedichten van Neruda prevelde bij zijn stoffelijke resten. En die daarna haar hand ophield, dat wel.

Niemand las zijn werk beter voor dan Faverey zelf, maar aan beter best doen we niet. Ik lees hem voor aan P, P aan mij. Ik heb houvast aan zijn graf, dat gelukkig nog bestaat.