Op 20 februari jongstleden kreeg Hanna Bervoets in Nijmegen de Frans Kellendonkprijs uitgereikt voor haar oeuvre. De Commissie van voordracht, bestaande uit Carl De Strycker, Maria Vlaar en Barber van de Pol, stelde het volgende rapport op:… lees verder…

De redactie van het tijdschrift De Negentiende Eeuw heeft met voldoening kunnen constateren dat het tijdschrift zich de afgelopen jaren heeft ontwikkeld tot een solide platform waarop het interdisciplinaire academisch onderzoek naar de Nederlandse cultuur in… lees verder…

Vilan van de Loo | 20 februari 2017
De kat in de Nederlandse letteren

Van alles dat ik merkwaardig en in gelijke mate irritant vind, staat de grote waardering voor de literaire kattenman op de eerste plaats. Dat komt ook omdat zijn werk zo uitstekend verkoopt en de kattenman in kwestie, evenals de man in het park die een willekeurige baby draagt, hiervoor sociale bonuspunten ontvangt. Denk aan Frans Pointl en zijn Poelie de Verschrikkelijke. Aan Remco Campert en het indringende Dagboek van een Poes (die feitelijk de kater Poef was). Denk langdurig aan Rudy Kousbroek, die ons land de aaibaarheidsfactor schonk. Denk alstublieft aan Gerard Reve.

Vergelijk hun positie met die van de literaire kattenvrouw. Ja, wie is dat eigenlijk? Ethel Portnoy hoorde bij Rudy. Dan is er Yvonne Kroonenberg, al schreef ze meer over paarden. Gelukkig publiceerde Yvonne Keuls veel over katten. Met het noemen van namen ontbrandt al snel de discussie over wat nu eigenlijk literatuur is, en dat is precies mijn punt. Want de literaire kattenman roept die discussie niet op. Man + kat= literatuur. Vrouw + kat = poezenvrouwtje. De oneerlijkheid grieft mij. Het is oneerlijk en daarbij ontmoedigt het auteurs te schrijven over de katten in haar leven.

Ware ik zeer gefortuneerd, dan zou ik vriendelijke verzoeken doen aan vrouwen met talent, om tegen een uitmuntend tarief iets te schrijven over katten. Aan Elly de Waard vroeg ik om een dichtbundel over schoonheid en afscheid, indien mogelijk een sonnettenkrans. Vonne van der Meer verzocht ik een roman te schrijven over katholieke zwarte katers, al vermoed ik dat katten gezien hun allerindividueelste levensinstelling eerder protestant zijn. Charlotte Mutsaers kan uitmuntend een universum vol kleine witte poesjes scheppen. De lijst van desiderata is lang, maar u heeft een idee.

Met een enkel boek zijn we er natuurlijk niet.

Wel met een genre, dat iets anders moet zijn dan fabels of bestiaria, dat roept weer dat soort discussies op over wel of niet literair, wat in dezen akelige wisselwerking heeft met het sociale leven.

De vrouw die bekent samen te wonen met een kat, en met hem of haar volmaakt gelukkig te zijn, kan maatschappelijk op enige geringschatting rekenen. Meestal van mensen die baby’s of honden hebben, wat genoeg zegt, maar nog niet alles. Treedt de vrouw daarentegen met een hond aan haar zijde door de wereld, dan heet zij levenslustig te zijn.

Met deze overwegingen schrijf ik mijzelf bijna de depressie in. Daarom ga ik nu op de bank liggen, hand in poot met mijn huiskater Bert, en ik ga nadenken over manieren om rijk te worden, alles in het fatsoenlijke, zodat ik nog tijdens mijn leven de triomfen kan meevieren van vrouwen die alleen of vooral, maar in iedere geval literair over katten schrijven.

februari 2017
zondag 19 februari, Witte kerkje Simonshaven, Lageweg 1, Simonshaven
Gratis toegankelijk festival rond deze dichteres, met o.a. biograaf Mario Molegraaf.
maandag 20 februari, Aula van de Radboud Universiteit, Comeniuslaan 2, Nijmegen 
Abdelkader Benali houdt de Frans Kellendonklezing 2017 met als titel 'Sjahrazade in het Witte Huis'. Aansluitend uitreiking Kellendonk-prijs aan Hanna Bervoets.
vrijdag 24 februari, Theaterzaal, Leidse Volkshuis Apothekersdijk 33A, Leiden
Open symposium over taalregels in het brein en in de maatschappij. Met Jenny Audring, Dominiek Sandra, Helen de Hoop en Peter-Arno Coppen.
maart 2017
zondag 5 maart, De Drvkkery, Markt 51, Middelburg
presentatie van de eerste roman van Joost van Driel.
zaterdag 18 maart, Aula KB, Prins Willem-Alexanderhof 5, Den Haag
Congres over de vrouwelijke relaties van Cornelis en Johan de Witt, georganiseerd door de Vrienden van De Witt i.s.m. Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis en de Koninklijke Bibliotheek.
donderdag 30 maart, Boekhandel Van Stockum, Breestraat 113, Leiden
Lezing van Margreet den Buurman, met als titel 'taboes, een verboden novelle en een raadselachtig sterfgeval in de familie'.
april 2017
vrijdag 7 april, Rode Hoed, Keizersgracht 102, Amsterdam
Kousbroeklezing door Maarten Asscher met als titel: ‘De geboorte van een ruïne’. Aansluitend spreken ook Hans van der Meer en Joke de Wolf.
mei 2017
woensdag 10 mei, Kinderboekenmuseum, Prins Willem-Alexanderhof 5 , Den Haag
De Annie M.G. Schmidtlezing 2017 wordt dit jaar uitgesproken door Rindert Kromhout, met als titel 'De rattenvanger van Weesp'.
vrijdag 12 mei, VOC-zaal, Bushuis, Kloveniersburgwal 48, Amsterdam
Met o.a. Jane Judge, Joris Oddens, Lauren Lauret, Hilde Greefs en Marjolein 't Hart.
zaterdag 20 mei, Academiegebouw, Leiden.
Jaarvergadering van de MdNL.
toon in de agenda berichten van:

bekijk hier de uitgebreide agenda

heeft u informatie voor in de agenda? meld het de redactie
Nicolaas Beets  (1814-1903) studeerde theologie in Leiden. Hij werkte als predikant in Heemstede en in Utrecht, waar hij in 1875 benoemd werd tot hoogleraar in de kerkgeschiedenis en de christelijke ethiek. Reeds als student was hij actief als literair auteur. Hij publiceerde dichtverhalen als Jose (1834), Kuser (1835) en Guy de Vlaming (1837), maar het meest bekend werd hij met zijn Camera obscura (1839), een bundeling van prozastukken die met humor en in een moderne en levendige stijl zijn geschreven. Het werk kende vele herdrukken en werd regelmatig met nieuwe stukken uitgebreid. Beets’ poëzie, verzameld in vijf delen Dichtwerken (1876-1900), beslaat een periode van ruim zeventig jaar. In zijn gedichten beschreef hij niet alleen zijn eigen zielenroerselen en huiselijk leven maar bezong hij ook de actualiteit in binnen- en buitenland, van het aanleggen van de eerste waterleiding in Utrecht tot de Boerenoorlog in Zuid-Afrika. In 1911 schonk de familie 330 drukken met de werken van Beets en enige manuscripten aan de Bibliotheek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Het archief van Beets bleef aanvankelijk in de familie en raakte verspreid over meerdere personen. In 1966 en 1993 werden grote delen verkocht aan de MdNL, later gevolgd door enkele kleinere schenkingen uit de familie. Klik hier voor meer informatie over deze collectie (website UB Leiden, Bijzondere Collecties).
Zacharias Henric Alewijn (1742-1788) stamde uit een vermogende Amsterdamse regentenfamilie. Hij studeerde rechten in Utrecht en vervulde sinds 1768 verschillende ambten in het bestuur en de rechtspraak van zijn geboortestad. Al in zijn studententijd beoefende hij de Nederlandse dichtkunst; later raakt hij ook geïnteresseerd in de oudere taalfasen van het Nederlands. Hij beschikte over voldoende financiële middelen om zeldzame handschriften en oude drukken aan te schaffen. Alewijn was een actief lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, die hij in 1766 mee had helpen oprichten. Hij schreef verschillende taalkundige bijdragen voor de eerste serie Werken van de Maetschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden (1772-1788). De collectie werd in 1788, bij het overlijden van Alewijn, gelegateerd aan de MdNL. Klik hier voor meer informatie over deze collectie (website UB Leiden, Bijzondere Collecties).
Amsterdam telde in de Middeleeuwen 22 kloosters en tussen deze kloosters was het niet altijd pais en vree. Zo weigerde St. Maria Magdalena veertien Rijnse gulden aan St. Barbara te betalen voor de helft van de loden waterafvoerpijp tussen de twee kloosters. Het stadsbestuur greep in en sprak dreigende woorden. De nonnen schrokken zich dood en betaalden, Zij legden in 1463 ten overstaan van notaris Giisbertus Reyneri een getuigenis over het voorval af, op perkament, voorzien van zijn notarismerk en in het Latijn. De dreigende woorden van het stadsbestuur werden echter letterlijk geciteerd ‘in de volkstaal’. Dit document maakt nu onderdeel uit van de collecties van de MdNL. Klik hier voor meer informatie over dit topstuk (website UB Leiden, Bijzondere Collecties).
Dit portret van een zeer jeugdige André Jolles werd omstreeks 1883 getekend door de kunstenaar Jan Veth, op verzoek van zijn moeder, Jacoba Cornelia Jolles-Singels (die zelf ook door Veth is geportretteerd). Het kunstwerk werd tentoongesteld tijdens de expositie Een zweven over de tuinen van den geest. Leven en werk van Johan Huizinga in 1991/1992. Barbara Wackernagel-Jolles, dochter van André Jolles, schonk in 2013 dit portret aan de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Klik hier voor meer informatie over dit portret (website UB Leiden).
In Van den vos Reynaerde beschrijft de dertiende-eeuwse auteur Willem in gepaard rijmende verzen een klassiek conflict tussen macht en list. De canonisatie van Van den vos Reynaerde is evenwel pas in de loop van de negentiende eeuw ontstaan. Friedrich David Gräter (1768-1830) trof in de bibliotheek van Comburg een middeleeuws handschrift met Vlaamse teksten, waaronder Van den vos Reynaerde. In november 1812 verscheen deze tekst voor het eerst in druk . Het afgebeelde exemplaar maakte al vroeg deel uit de bibliotheek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Toch heeft de Reynaerteditie van Gräter in Nederland niet veel weerklank gevonden. Klik hier voor meer informatie over dit topstuk (website UB Leiden, Bijzondere Collecties).
Nicolaas Beets  (1814-1903) studeerde theologie in Leiden. Hij werkte als predikant in Heemstede en in Utrecht, waar hij in 1875 benoemd werd tot hoogleraar in de kerkgeschiedenis en de christelijke ethiek. Reeds als student was hij actief als literair auteur. Hij publiceerde dichtverhalen als Jose (1834), Kuser (1835) en Guy de Vlaming (1837), maar het meest bekend werd hij met zijn Camera obscura (1839), een bundeling van prozastukken die met humor en in een moderne en levendige stijl zijn geschreven. Het werk kende vele herdrukken en werd regelmatig met nieuwe stukken uitgebreid. Beets’ poëzie, verzameld in vijf delen Dichtwerken (1876-1900), beslaat een periode van ruim zeventig jaar. In zijn gedichten beschreef hij niet alleen zijn eigen zielenroerselen en huiselijk leven maar bezong hij ook de actualiteit in binnen- en buitenland, van het aanleggen van de eerste waterleiding in Utrecht tot de Boerenoorlog in Zuid-Afrika. In 1911 schonk de familie 330 drukken met de werken van Beets en enige manuscripten aan de Bibliotheek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Het archief van Beets bleef aanvankelijk in de familie en raakte verspreid over meerdere personen. In 1966 en 1993 werden grote delen verkocht aan de MdNL, later gevolgd door enkele kleinere schenkingen uit de familie. Klik hier voor meer informatie over deze collectie (website UB Leiden, Bijzondere Collecties).
Collectie Nicolaas Beets
Collectie Zacharias Henric Alewijn
Ruzie stadsbestuur Amsterdam en het St. Maria Magdalena-klooster
Portret André Jolles door Jan Veth
Reynaerteditie van Gräter (1812)
Collectie Nicolaas Beets